Categorie archief: Algemeen

J/M

Al die aandacht voor genderneutraal en stereotiepe rolverdeling… Ik ben weer terug in de jaren ’70.
Toen ik mijn opleiding voor kleuterleidster deed en het ook een hot item was.
Ik heb het persoonlijk nooit helemaal begrepen. En ook niet ervaren, dat ik in een meisjesrol gedwongen werd omdat ik een meisje was. Misschien zat ik in een bevoorrechte positie, ik mocht spelen waar ik mee wilde, of het nou mijn poppen waren of de meccano die mijn broer had. Ik vond het leuk hoor, met stangetjes en schroefjes en moertjes, maar wat ik maakte was geen hijskraan maar een stapelbed voor mijn poppen.
Nu ik dit aan het schrijven ben schiet het me toch te binnen dat het niet helemáál waar is wat ik zeg.
Ik werd op de lagere school wel verplicht om te handwerken omdat ik een meisje was, terwijl de jongens handenarbeid hadden. Dat vond ik toen wel stom, ik wou ook figuurzagen en verven. Waarschijnlijk had ik dan poppenmeubels gemaakt maar het gaat om het idee.


In de tijd van mijn opleiding waren handwerken en handenarbeid vervangen door ‘crea’ en dat was voor de hele klas. Prima, dan kan iedereen uitvinden wat hij/zij leuk vindt.
De andere kant was dat de stereotypen zo krampachtig vermeden moesten worden, dat het weer bijna verplicht werd dat jongens met poppen gingen spelen en meisjes met auto’s. Schiet je ook niks mee op natuurlijk.
Wat mij betreft: laat ieder gewoon doen wat hij of zij leuk vindt. En ik blijf gewoon hij en zij zeggen want daarin is het grootste gedeelte van de natuur verdeeld. Ik erken daarbij zonder meer dat er mensen en wie weet ook dieren zijn, die voelen dat ze de een zijn in het lichaam van de ander en dat er mensen zijn die voelen dat ze allebei zijn.
Wat er nu volgens mij een beetje gebeurt is dat je opgelegd krijgt om na te denken over je vrouwelijkheid dan wel mannelijkheid dan wel hybriditeit en zo weer ergens toe gedwongen wordt.

Het zou fijn zijn als iedereen het eens niet zo goed weet voor een ander. Zowel met in een rol dwingen als met dwingen uit die rol te stappen.
Ik kijk graag naar kinderen, hoe ze zich ontwikkelen. Ik ben in de gelukkige omstandigheid dat de kinderen die hier komen in liefdevolle gezinnen opgroeien en dat alle ouders het geluk en welbevinden van hun kind het belangrijkste vinden. Dus ik zie inderdaad niet de kinderen die worden geforceerd tot iets wat ze in wezen niet zijn.
Maar zie ik ‘mijn’ kinderen, vaak al vanaf de geboorte, dan zijn er zonder te willen generaliseren duidelijke verschillen tussen jongens en meisjes. In aanpak van dingen, in oplossen van probleempjes, in interesse.
Er is hier speelgoed voor alle leeftijden, alle interesses. Meisjes en jongens gaan daar anders mee om. Van mij mag dat. Moet dat zelfs, als ze zich daar goed bij voelen. Alles is voor iedereen beschikbaar maar toch zie ik (ik werk nu al 40 jaar met kinderen) steeds opnieuw hetzelfde patroon.
Een patroon is geen gebruiksaanwijzing, het is een globaal overzicht. Met ruimte voor uitzonderingen, variaties op het patroon. Meisjes zijn anders dan jongens. En van mij mag dat zo zijn.
Er spelen hier op dit moment twee peuters van 2 jaar. Ze zijn druk aan het kletsen, niet alles is verstaanbaar. Twee woorden komen veelvuldig en duidelijk naar voren: auto en piemel.
Ik laat het aan jou over om er een stereotiep aan te plakken.



Prik

Het lampje van het antwoordapparaat knipperde. Ik drukte het in en er klonk een blikkerige stem die monotoon opdreunde: ”U-heeft-een-af-spraak-op-(datum)-om-(tijd).”
Het leek Robin de Robot van Bassie en Adriaan wel. Verder geen afzender of zoiets, maar ik dacht: volgens mij is dat van de GGD. Blijkbaar had ik het huistelefoonnummer opgegeven in plaats van mijn mobiel en dan krijg je een ingesproken sms. En hoe snel de techniek ook gaat, dit klinkt nog als iets uit de tijd dat het ‘jaar 2000’ nog science fiction was.
Maar goed ik had het ook zeer ouderwets handgeschreven in mijn papieren agenda staan, dus ik had er al op gerekend dat ik mijn 2e prik zou gaan halen.
De eerste keer kon ik zo doorlopen, zwaaide ik gezellig naar een bekende en stond snel weer buiten.
Nu stond er een verkeersregelaar op de parkeerplaats en een rij mensen voor de ingang.
Ik zette de auto netjes waar ik heen gedirigeerd was en sloot met gepaste afstand aan in de rij. Het was heerlijk weer. De man voor me draaide zich om en zei: “Nou het is in ieder geval droog”.
“Lekker zo, in de zon hè?” antwoordde ik.
“Ik heb zonneallergie” zei de man nadrukkelijk. “Wat vervelend”, leefde ik mee.
Ik had mijn face-shield in de hand, ik krijg het erg benauwd van een mondkapje en dit is een alternatief daarvoor.
“Ik zie dat u dezelfde hebt”, wees de man en hield zijn identieke exemplaar omhoog. Vervolgens kreeg ik een hele verhandeling over al zijn gezondheidsproblemen en waarom hij geen mondkapje kon dragen. Ik zei af en toe maar eens “hm-m” of knikte wat. De rij mocht van mij wel wat sneller doorschuiven.
Toen begon hij over de operatie aan een abces op zijn ellenboog en dat het er nu zo raar uitzag. Ik zegende de zonneallergie waardoor hij lange mouwen had en ik het niet hoefde te aanschouwen.
Inmiddels stond hij bij de ingang en de persoon die de mensen ontving vroeg naar een identiteitsbewijs en of hij een gezondheidsverklaring bij zich had. Tot mijn starre verbazing zei de man: ” Die heb ik niet nodig.” Maar ik bemoei natuurlijk niet.
Toen was ik aan de beurt. “Heeft u alles bij u?” vroeg de gastheer, “Identiteitsbewijs, gezondheidsverklaring? Laskap? Bloemetjesjurk? ”
“Jazeker”, zei ik, “Stond allemaal in de brief. De bloemetjesjurk was nog even zoeken maar het is gelukt.”
“En het gebak voor de medewerkers?” ging hij verder. “Oei, ik heb de kleine lettertjes niet gelezen”, zei ik en de man vond dat hilarisch. Het moet ook supersaai zijn om de hele dag dezelfde vragen te stellen.
Ik moest in de rij voor Pfizer, er was een andere voor Moderna. Vandaar dat het zo druk was.
Toen ik aan de beurt was om in een prikhokje te gaan, werd ik aardig ontvangen door een mevrouw die mijn gegevens controleerde en me verzocht om op de blauwe stoel te gaan zitten.
Daar kwam de prikzuster binnenstevenen en keek direct naar mijn face-shield.
“Heeft u toestemming voor dat kuchscherm?” viel ze snibbig met de deur in huis. Ik begin meestal met ‘goedemorgen’ of iets vergelijkbaars.
“Jazeker”, zei ik. Ze had immers niet gezegd van wie ik toestemming nodig had en ik vond dat het mocht. “Astma?”blafte ze. Ik wou haast zeggen: “Nee, Annelies” maar ik dacht niet dat ze dat leuk zou vinden. Dus ik knikte braaf. Geen reactie. Ze ging rechts van mij zitten en pakte een injectienaald. “Ik wil graag in mijn linkerarm geprikt worden”, zei ik snel. “Dan moet u omdraaien!”, kribde ze. Wat een arbeidsvreugde.
Binnen een halve seconde was ik ingeënt en het hokje weer uitgebonjourd, ik hoefde blijkbaar niet eens een pleister.
Wat ik wel wou was mijn rijbewijs terug en een bevestiging van vaccinatie. Maar de andere mevrouw riep me vriendelijk terug en gaf me mijn spullen.
Toen moest nog even een poosje in de wachtkamer zitten. De vorige keer was ik al verwend met de aanwezigheid van een lolbroek en verdorie, vlak na mij kwam hij ook weer binnenzeilen.
“Kom je me nog even onderzoeken hahahahaha (tegen de mevrouw van de EHBO) want mijn vrouw weet niet dat ik hier ben hahahhhahaha. Nou ik ga zo weer naar huis hoor, hahahhahaha, want er is geen koffie, hahahahaha ”. Van mij had hij direct wel gemogen ,maar gelukkig zag hij een bekende, ging daar zo dicht bij zitten als mocht en vuurde daar zijn grappen en grollen op af.
Ik ging weg toen de klok zei dat ik mocht, lekker de zon weer in. Ik stapte in mijn auto en reed achteruit de parkeerplek af en draaide naar waar ik vandaan was gekomen.
Er werd driftig op mijn raampje getikt! Ik deed het een stukje open en keek vragend.
Een totaal onbekende man, in gewone kleding dus geen verkeersregelaar en ook niet iemand van de GGD, vertelde met veel ge-gebaar dat ik via de andere kant de parkeerplaats af moest. Het is mij een raadsel waar de man zich mee bemoeide:
A. Er was geen route of in- en uitgang aangegeven
B. Er waren geen verkeersregelaars die zeiden dat ik een andere kant op moest
C. Er reed he-le-maal niemand op het stuk waar ik geparkeerd had.
Dus ik wuifde vriendelijk en dacht: bekijk het, en reed gewoon de parkeerplaats af waar ik wou. Verkeersregelaar groette nog even. Alles dik in orde dus.
Geheel trouw aan mezelf wist ik vervolgens niet meer welke kant ik de weg moest opdraaien, koos uiteraard de verkeerde kant en reed over een brug waar ik op de heenweg helemaal niet langs gekomen was. Maar ik deed alles vol zelfvertrouwen, mocht de man van de parkeerplaats me nog nagekeken hebben. Ik heb dan wel een face-shield maar ik hou niet van gezichtsverlies.
Overigens woon ik inmiddels lang genoeg in deze omgeving om op den duur iets bekends te zien, dus ik ben zonder problemen thuisgekomen, gevaccineerd en wel! Ik ben er klaar mee.


Ode aan de douche

“En dit”, zei de Amerikaanse makelaar op tv, “is de blokhut. De prijs valt binnen jullie budget en we gaan even binnen kijken.” Ik liep via de beelden met het gezin mee, ik zag de rustieke uitstraling van het kleine houten huis, ik zag de werkelijk schitterende omgeving: geen andere huizen, maar bos, veld, een meer….. als ik toch eens zo kon wonen!
“Er is hier alleen geen stromend water”, zei de makelaar. En ik stond gelijk weer met beide benen op de grond. Dat er geen mogelijkheid was voor een douche, betekende einde verlangen voor mij.
Ik ben teveel gesteld op mijn comfort. Wat overigens iets anders is als luxe.

Ik kan niet zonder douche. Echt niet. Want een douche betekent voor mij veel meer dan een manier om je te wassen. Een douche zorgt vaak voor het gevoel dat ik op dat moment echt nodig heb.
Voor mij niets heerlijker dan na een vermoeiende dag onder douche te gaan, en de dagelijkse drukte door het doucheputje weg te spoelen.
Als ik het heel koud heb en me niet lekker voel: even lekker onder de douche en daarna voel ik me stukken beter.
Na een vakantiedag in de zon, een douche nemen met heerlijk geurende douchegel, er van genieten dat het witte schuim zo mooi afsteekt tegen mijn bruine huid en daarna lekker opgefrist iets leuks aantrekken om uit eten te gaan.
Een lange dag achterop de motor, waardoor ik stram en kil ben geworden, en dan in een hotel een heerlijke douche nemen, me daarna in een grote dikke zachte handdoek wikkelen en volkomen gelukkig zijn met dat gevoel.|

Zo verdrietig zijn dat mijn hart een pijnlijke bonk in mijn borstkas is en dan onder de douche bevrijdend mijn tranen laten stromen, die niemand hoeft te zien, maar die zich vermengen met het douchewater.
Ziek op bed gelegen hebben en dan eindelijk weer de energie hebben om even een douche te nemen, en me daarna echt opgeknapt voelen.
Overvallen door een regenbui tot op mijn hemd nat zijn, zodat alles onaangenaam en koud aan mijn lijf plakt, en daarna lekker een warme douche en een droge handdoek zodat alles weer goed is.
Een hele zaterdag hard werken in de tuin zodat ik mezelf als een aardmannetje voel, dan voor het eten onder douche, het water stroomt over mijn haar en mijn lijf en ik voel me daarna frisser als ooit te voren.

Het gevoel van het stromende water, de geur en de zachtheid van een heerlijke douchegel, ik zou niet zonder willen. Dan maar geen blokhut in de natuur.

Versie 2021

IK ZOU LEKKER STOUT WILLEN ZIJN

Ik wil het weer, ik wil het weer!
Ik wil weer handjes geven
En ik wil roepen elke keer
Hallo mevrouw, hallo meneer
lekker heel overdreven
En overal met mijn handen aan
de fles met dettol laten staan

Ik wil geen staafje in mijn neus
als ik een keer moet niezen
Ik wil ontspannen, niet nerveus
op een terrasje, glorieus
een lekker biertje kiezen
Met mijn dochter de sauna bezoeken
en winkelen zonder een afspraak te boeken

Ik wil zo graag genieten
en ik wil bij mij thuis
Geen bezoeklimieten
maar heel veel visite
gezellig feestgedruis
ik wil alles wat niet mag
de hele dag, de hele dag!

Ik wil mijn mondkap aan de kant
mijn kinderen omarmen
knuffelen zonder die afstand
en naar een zonnig buitenland
om lekker op te warmen
Al wat ik wil, dat is dus dit!
En als dat niet mag zeg ik: shit


Perfect

‘Zullen we Goede Vrijdag komen dan?’ appt mijn dochter. Ik stuur een blij gezichtje en een duimpje terug.
Ook dit jaar mogen we nog niet met het hele gezin bij elkaar zijn met Pasen. Maar zij op vrijdag, zoon op zondag, dan heb ik ze in ieder geval weer gezien en ben ik niet zo sip als vorig jaar.
Ik maak gelijk plannen voor het eten. Niet dat dat heel moeilijk is, want de traditie wil dat we involtini (Italiaanse vlees/kaas/ham-rolletjes) eten met Pasen en ook dat is er voor hen vorig jaar bij ingeschoten, dus dan maak ik het dit jaar gewoon 2x.
En taart! Er moet natuurlijk taart komen. Zelfgebakken uiteraard, want ik heb niet voor niets een Kitchenaid. (zie: Koekje van eigen deeg )

Ik ben net tante Petunia van Harry Potter: ”I want everything to be perfect on this special day!” Ik maak een boodschappenlijst, zoek mooie ingrediënten uit, het is tenslotte Pasen en ik wil dat alles perfect wordt.
Op vrijdagochtend begin ik met de taart. Het wordt een abrikozen-yoghurtcake, wat ziet die er heerlijk uit op de foto bij het recept!
Een luchtig beslag met ‘whirls’ van abrikozenjam, prachtig. Helaas zie ik bij mij geen whirls verschijnen, ik heb klontjes jam die zich maar moeilijk over het beslag laten verdelen. Ze zakken er in weg en er is geen mooie spiraalvorm te herkennen, hoe goed ik ook mijn best doe met mijn mespunt zoals in het recept staat.
O wacht, hier staat nog iets: Roer de jam los in een schaaltje en verdeel het vervolgens…etc…
Ja daar heb je het al, ik heb alleen de ingrediëntenlijst gelezen: een paar lepels abrikozenjam. Niks losgeroerd. Nou, dan maar zo proberen, niets meer aan te doen.
De taart gaat in de oven. Het gaat heerlijk ruiken maar ik zie de cake niet rijzen.
Als hij klaar is, laat ik hem afkoelen, het is geen schoonheid geworden maar er moet strakjes nog lekkere ‘creamcheese-frosting’ op en een chocolade decoratie, komt vast goed.
Ondertussen bedenk ik dat ik het ledikantje moet verschonen, gister sliep er nog een opvangkindje in, vandaag moet mijn kleinzoon er in slapen. Snel naar boven, beddengoed eraf, in de wasmachine. Ik begin een lichte stress te voelen als ik op de klok kijk. Krijg ik het allemaal klaar voor ze komen, ik wil dat alles perfect is!
Man heeft ook vrij genomen vandaag, hij loopt met de hond, zorgt voor de andere dieren , en maakt de kamer netjes en gezellig. Dan kan ik me helemaal op de keuken concentreren. Maar alles zit tegen. Mijn zo zorgvuldig uitgekozen ham voor de involtini blijkt veel te dun gesneden, scheurt aan alle kanten zodat ik geen gesloten rolletjes kan maken en ik voorzie dat in de oven alle kaas eruit gaat lopen. Verre van perfect. Ik maak gehaast de saus en als die staat te pruttelen zie ik dat de gesnipperde ui, waar ik mee had moeten beginnen, nog gezellig op de snijplank naast het fornuis ligt. Sh**.


Ik fruit de ui in een apart pannetje en doe die dan alsnog in de saus. De ui dan, niet het pannetje.
De klok tikt door.
Het beddengoed moet nog in de droger, is die wasmachine nou eens klaar?
Frosting! De taart moet af! Boter op kamertemperatuur, roomkaas, poedersuiker, mixen!
Het wordt een rare korrelige substantie, hoelang ik de Kitchenaid ook laat draaien. Het ziet er onsmakelijk en geschift uit, zo kan ik dat niet presenteren.
En dan komen, onvermijdelijk bij mij, de tranen. Als alles tegenwerkt terwijl ik het perfect wil hebben kan ik daar niet tegen.
Mijn altijd rustige man gaat naar de winkel voor nieuwe ingrediënten. Ondertussen gooi ik de vieze frosting weg en probeer wat orde te scheppen in de keukenchaos.
Als man weer terug is doe ik een nieuwe poging voor de frosting, deze keer zonder de boter want die was volgens mij de boosdoener en nu komt er een mooie fluwelige creme uit de beslagkom. Ik smeer het op de taart, doe er chocoladebloemen op en denk: nou zo moet het maar. Ik ben lang niet tevreden, het strookt niet met mijn perfecte plannen.
Ik kleed me snel om, restaureer met make-up mijn roodaangelopen gezicht, en dan hoor ik de hond blaffen. Ze zijn er.
Als ik de voordeur opendoe zie ik een heel klein jongetje de oprit opstappen.
“Oma! Oma!” hoor ik zijn lieve stemmetje. Ik smelt. Dit is perfect. Helemaal perfect. En het enige wat er werkelijk toe doet.

Vrouwen

Gister was het wereldvrouwendag. Dan zijn vrouwen ineens heel solidair met andere vrouwen. Het zou best mooi zijn als dat op de andere 364 dagen van het jaar ook zo was.
Nee, dat is te kort door de bocht, dat weet ik zelf ook wel. En ik krijg mijn redenatie sowieso niet sluitend want ik heb commentaar op vrouwen die commentaar op vrouwen hebben. Dus ik maak me zelf ook schuldig aan hetgeen waar ik me zo aan kan ergeren.
Vrouwen komen voor elkaar op in moeilijke situaties en dat moet! Maar vrouwen kunnen elkaar ook zo vreselijk afkammen. Om uiterlijk, om gedrag.


Ik heb me er al vaak over verbaasd dat het in de mensenwereld zo anders is geregeld als in de dierenwereld. Bij de meeste diersoorten ziet de vrouw er onopvallend uit en is de man in uiterlijk nadrukkelijk aanwezig. Moet er een partner gevonden worden dan sloven de mannen zich enorm uit en kijken de vrouwen rustig toe en kiezen. Zonder zich van te voren opgetut te hebben, ze behagen de man blijkbaar zo ook al genoeg. Gewoon door hoe en wie ze zijn.
Maar mensenvrouwen…doen hun best om maar zo aantrekkelijk mogelijk te zijn en al hun seksegenoten te verslaan. Er zijn natuurlijk vrouwen die daar niet mee bezig zijn maar die worden dan door andere vrouwen met de nek aangekeken. Uitgemaakt voor grijze muis, saaie doos, noem het maar op allemaal. Vrouwen hebben meedogenloos commentaar op andere vrouwen. Is dat om zichzelf beter te kunnen voelen? Vrouwen zijn vaak helemaal niet aardig voor elkaar. Iedere vrouw vindt wel wat van een andere vrouw. Ja, ik ook want anders schreef ik dit stukje niet.


Vrouwen vinden onderling dat er regels zijn over wat wel kan en niet. Je moet er op een bepaalde leeftijd zo en zo uitzien en anders deugt het niet. Dan wil je te jong zijn of je bent te ouwelijk. Mannen hebben dat helemaal niet. Zowel een jongen als een man van 60 draagt een spijkerbroek en een t-shirt en dat vindt iedereen prima. Makkelijk hoor!
Er kwam op Facebook een advertentie voorbij van een kledingzaak. Een vrouw van rond de 60 showde een pakje. Stapels vrouwen reageerden afkeurend. “Ze ziet eruit als een opoe”. “Veel te ouwelijk, niet sexy”. Heel veel commentaar, er deugde allemaal niks van, de ene opmerking nog chagrijniger dan de andere.
Later van diezelfde winkel weer een advertentie, met hetzelfde model, nu in een korte jurk. Commentaar was niet van de lucht. “Veel te kort”. “Dat kan echt niet meer als je 60 bent”.
“Ze denkt zeker dat ze nog sexy kan zijn”.
Ik weet het niet hoor. Wat mag en moet je dan wel als je 60 bent? Daar bestaan toch geen regels voor! Je mag toch dragen waar je jezelf prettig in voelt? Of dat nou een kort jurkje en pumps zijn of een fleecetrui en wandelschoenen? Zonder dat je door andere vrouwen wordt bekeken en beoordeeld (= afgemaakt)?

Wereldvrouwendag gaat over de positie van vrouwen in het leven en in de maatschappij. Een heel belangrijk onderwerp want veel vrouwen hebben minder kansen dan mannen, of worden zelfs onderdrukt. Dat is verschrikkelijk onrechtvaardig en daar zouden vrouwen onderling zich druk over moeten maken. Niet over het uiterlijk. Want we roepen allemaal dat uiterlijk oppervlakkig is, maar toch hebben we allemaal een oordeel klaar, puur gebaseerd op hoe een vrouw er uit ziet. Ja, ikzelf ook. En daar ben ik niet trots op. Als we dat nou eens konden uitbannen, dan waren we een stuk verder in wat werkelijk belangrijk is.

Digibeet

Gister stond dit stukje in het Dagblad van het Noorden. Ik ben niet zo’n krantenlezer maar Bert wees me er op. Hij is namelijk degene die mijn frustratie van dichtbij meemaakt over dit onderwerp.
In het artikel gaat het over de grote dingen, patientendossiers etc.
Maar thuis vind ik het ook een groot probleem dat je geacht wordt het wel te snappen als je iets nieuws en digitaals in huis haalt.

Ik heb een iPad, prachtig ding. Maar er zat geen gebruikershandleiding bij, omdat ze er bij Apple blijkbaar van uit gaan dat het voor iedereen gesneden koek is om met zo’n apparaat om te gaan. Dus mijn altijd behulpzame schoonzoon heeft heel wat vragen moeten beantwoorden voordat ik dingen kon instellen en de iPad kon gebruiken waar ik hem voor wilde hebben.
Ik kreeg een Pencil om digitaal te tekenen, nieuw in de doos. Nergens stond dat ik eerst de Pencil even aan de iPad moest koppelen. Dus leek het alsof hij niet werkte. Voor mij werd stap 1 dus overgeslagen en begon het gelijk bij 2. Maar dat heeft geen zin want je hebt stap 1 wel nodig! Misschien klinkt het voor een productontwikkelaar wel heel onbenullig. Zoiets als wanneer je wilt gaan fietsen, stap 1: Pak het stuur beet en zet je rechtervoet op het rechterpedaal. Maar voor mij is het niet onbenullig en zeker niet net zo vertrouwd als fietsen

.
Mijn smartphone ging langzaam ter ziele en ik kocht een (refurbished) iPhone. Zelfde verhaal. Prima apparaat maar ik kon er bijna niks mee omdat het allemaal net anders werkt dan een smartphone. Dan kom ik in een mentale staat dat ik hem net zo lief het raam uitflikker en dat alleen de aankoopprijs me dat belet.
Wij hebben geen smart tv en daarom kochten we een chrome-cast, zodat we Netflix en Disney+ kunnen kijken.
“Sluit de chrome-cast aan op uw tv en installeer deze”
Maar hoe en waar precies je hem moet aansluiten stond er niet bij. En hoe je überhaupt moet casten werd ook niet uitgelegd. Dat blijkbaar de rest van de wereld weet dat er een symbooltje bovenaan je telefoonscherm staat wat je moet aanklikken om te casten, maakte dat ik me nog dommer voelde.

We kregen een heel mooi digitaal fotolijstje cadeau. Er zat wel een handleiding bij maar ook hier werden de allereerste stappen weer overgeslagen en is het nog steeds moeilijk om uit te zoeken hoe je foto’s kan toevoegen of verwijderen.
De display van mijn crosstrainer (zie vorige blogje ) idem dito. “Zet de display aan en vul uw gegevens in, daarna kunt u de programma’s kiezen. Maar HOE je dit gegevens invult staat er niet bij. Dus ik kan niks.


Dat gemis van die allereerste stappen in een handleiding en soms zelfs het ontbreken van een handleiding is iets wat me zo kan frustreren, dat ik razend word.
Een gevoel van onmacht en falen, en uitgerangeerd zijn omdat je blijkbaar niet meer mee kan komen met de wereld. Ik weet het, ik maak het nu heel groot. Maar zo voelt dat echt op dat moment.
Ik probeer bij te blijven, maar ik ben hier niet mee opgegroeid, zoals met fietsen. Dus ik moet alles blijven leren. Alleen ontbreekt het lesmateriaal.
Toen de personal computer zijn intrede deed, wist ik ook HELEMAAL niets. En daarom ging ik op cursus. Gewoon fysiek op cursus, om met de computer om te leren gaan. Lessen in tekstverwerken en excel, later omgaan met internet. En op die manier heb ik het me eigen gemaakt.
Jongere generaties groeien er mee op en passen zich snel aan aan nieuwe ontwikkelingen.
Er was zo’n reclame waarin 2 mensen met de computer probeerde te werken “Ga met de muis naar de rechterbovenhoek”. Aandoenlijk maar ook een beetje belachelijk.
Zo voel ik me heel vaak nu. En ik word er helemaal niet blij van

Water

Nederland verdroogt. Dat schijnt echt zo te zijn maar vanmorgen dacht ik toch wel het tegenovergestelde. Ik ging met Lenny naar het bos en ik heb werkelijk geen droge stap kunnen zetten. Nou is dat bos in het Lauwersmeergebied en dat is altijd wel wat vochtig. Maar nu, na dagenlang regen, regen en nog eens regen, is de inpoldering bijna ongedaan gemaakt. Oké, dat is niet waar, maar ik hou van overdrijven in mijn taalgebruik. Erfenis van mijn vader, die het had over ‘nog een pond eten op je bord’ als je een kruimeltje had laten liggen, of dat iets al zo was ‘sinds de ochtendschemering der mensheid”.
Maar ik dwaal af.


Vanmorgen had ik vrij, het was redelijk helder weer en Lenny en ik moesten nodig eens een poos lekker naar buiten! Omdat ik wel verwachtte dat het nat zou zijn in het Ballastplaatbos trok ik eerst de sokken aan die mijn zus voor mij gebreid heeft en daarna de de fantastische laarzen die ik van haar heb gekregen. (Lieve zus heb ik, hè?)
Het bos ligt naast een vakantiepark en ik had wel wat meer wandelaars verwacht zo tussen Kerst en Oud-en-Nieuw. Maar behalve Lenny was er geen hond. Ikzelf was overigens niet het enige tweebenige wezen, integendeel. Ik heb zelden zoveel vogels gezien als tijdens deze wandeling, waarschijnlijk juist omdat er verder niemand was en omdat het zo verschrikkelijk nat was. Want het waren allemaal watervogels.
Ik heb echt genoten! Er zwommen kuifeenden, waterhoentjes, meerkoeten, wilde eenden en smienten. Het waren er zoveel dat Lenny niet eens de behoefte had om zijn geliefde “kiekeboe-ik-laat-je-schrikken’-spelletje te spelen, hij was onder de indruk. Er waren aalscholvers en reigers, er verhief zich een enorme roofvogel uit de bomen naast mij. Ik durf niet te zeggen of het een visarend was, maar hij was groot en imponerend genoeg.

Nu het winter is kon ik door de oeverbegroeiing heenkijken en zag ik in het rustgebied enorme aantallen ganzen. En al had ik ze niet kunnen zien, dan kon ik ze wel horen, er werden luidkeels honderden gesprekken gevoerd.
Grote groepen brandganzen, rietganzen en rotganzen. Die laatste soort heeft z’n naam niet mee, ik heb me altijd afgevraagd waarom zij nou juist rotganzen genoemd worden, ze doen hetzelfde als andere ganzen. Maar het komt door hun geluid, dat klinkt als ‘rot rot’ zegt de vogelgids.
Nou vooruit dan maar. Beetje raar blijft het wel, die anderen zeggen toch ook niet ‘brand brand’ of ‘riet riet’.


Lenny danste met z’n vier hondenvoetjes gemakkelijk door de plassen, ik had er iets meer moeite mee. De modder zoog, zodat ik moest opletten dat ik niet uit mijn laarzen schoot. Iedere stap veroorzaakte een onsmakelijk geluid. Maar ach, er was toch niemand die er aanstoot aan kon nemen!

De lucht kleurde goud door de lage zon en ik voelde me een stuk gelukkiger dan tijdens alle grauwigheid van de afgelopen tijd.


Toen we bijna rond waren begon het toch nog weer te regenen. Ik had de auto voor de zekerheid op het verharde pad geparkeerd, ik wilde niet vast komen te zitten in de modder.
Lenny stapte braaf in en gaf me een soort hondenbedankje voor de leuke wandeling.

We zaten behoorlijk te dampen met onze natte lijven en de ramen besloegen. Omdat ik een stukje achteruit moest rijden schoof ik het zijraam een beetje open zodat ik de buitenspiegel kon zien. Maar mijn Mazda is al een oud k(n)arretje en niet alles werkt meer optimaal. Het raam ging niet meer dicht, sterker nog het ging spontaan helemaal naar beneden en kwam niet meer omhoog. Ik had gelijk heimwee naar de tijd van de mechanische bediening, laat mij maar aan een slinger draaien in plaats van op een knop drukken. Heb er al vele discussies met een zekere automonteur over gevoerd, maar wat mij betreft is meer elektronica alleen maar meer kans op storingen. Hoe het ook zij, het regende en ik moest met open raam naar huis rijden. Dan eerst maar over de paralel weg, dan hoefde ik niet 80 km per uur te rijden maar kon ik met 30 kachelen en ondertussen proberen het raam met veel geduld centimeter voor centimeter dicht te krijgen.

Het leek wel wat op het spiraalspel uit de Willem RuisShow vroeger. Ieder keer dat ik dacht: het lukt!, hoorde ik een klik en schoof het raam weer naar beneden en moest ik weer opnieuw beginnen. Ik mag dan niet de geduldigste zijn, ik ben wel een volhouder en net voordat ik toch echt de autoweg op moest had ik het raam dicht! Gauw het slotje erop, voordat hij weer spontaan open zou schuiven.

En toen hield het natuurlijk op met regenen. In het veld waar ik langsreed zag ik een hele grote groep witte ganzen. “Sneeuwganzen”! riep ik tegen Lenny en neuriede het thema van The Snowgoose van Camel, een van mijn favoriete albums.
Toch leek het me een beetje raar, zoveel sneeuwganzen in de winter in Nederland.
Toen ik het thuis nazocht bleek het inderdaad niet te kloppen. Deze hadden geen zwarte punten aan de vleugels, ze waren gewoon helemaal wit.
Het was de Anser anser forma Domestica, oftewel de Soepgans. Afstammelingen van voormalige tamme ganzen. Soepgans, rotgans… wie verzint dat en, nog erger, wie keurt dat goed?
Het wordt tijd dat ze mij eens gaan betrekken bij de naamgeving.
Ik zou soepgans veranderen in weidegans, en de rotgans zou ik prachtgans noemen. Dit als compensatie voor al die jaren gescheld.

Zo, en nu ik ga The Snowgoose opzetten. En daarna mijn modderlaarzen schoonmaken en Lenny’s vacht borstelen. Alles weer klaar voor de volgende waterwandeling.

Spruitjeslucht

Synoniem voor burgerlijkheid.
Spruitjes ruiken niet lekker als je ze kookt. Burgerlijkheid dus blijkbaar ook niet.
Beperkt en kortzichtig. Aardappelen, groente, vlees. Doe maar gewoon dan doe je al gek genoeg, dat soort dingen. Burgerlijkheid is huisje, boompje beestje. En het klinkt negatief.
Waarom eigenlijk, vraag ik me af. We hoeven toch niet allemaal groots en meeslepend te leven?
En mensen die zich willen onderscheiden van de massa zoeken elkaar ook vaak weer op, zodat je gewoon weer een andere massa erbij krijgt. En iedere massa kijkt misprijzend naar de andere massa. Blij dat ik daar niet bij hoor!

Subculturen zijn van alle tijden. In mijn jeugd de nozems, de hippies, de provo’s. In de jeugd van mijn kinderen de skaters, de gabbers, de gothic’s, de emo’s .
Nu hoor je over boomers en hipsters. Maar dat is inmiddels ook al weer oud en staat er een nieuwe generatie klaar om zich te onderscheiden. Met influencers en vloggers.
En de spruitjes worden nieuw leven ingeblazen met recepten op “de hippe vegetariër” , “okoko” en “smulweb”
Roerbakken, blakeren, grillen, op de pizza, gratineren, niks burgerlijkheid.


Maar ze ruiken nog steeds niet lekker. Ik kookte ze van de week. Wat erger was, ik liet ze aanbranden. Die lucht was echt niet te harden. En die bleef nog lang hangen. Dat komt ervan als je ze behandelt als vergeten groente. Zo werd ik voortdurend herinnerd aan mijn burgerlijkheid. En dat ik eigenlijk best heel tevreden ben met mijn huisje boompje beestje -leven.

(foto: google)

Stopwoord

Het nieuwe normaal, daar is het laatste woord nog niet over gesproken, want niemand weet hoe dat er uit gaat zien.

Wat ik wel zie (en vooral hoor) heeft niets met coronamaatregelen te maken maar wel met een nieuw soort normaal. En ik vind het echt verschrikkelijk.
Het is voor een, naar mijn idee, overgroot deel van de mensheid, normaal geworden om veelvuldig de uitdrukking ‘Mijn God’en vooral ‘Oh my God’ te gebruiken. Er is een hippe afkorting voor: OMG. Er zijn zelfs emoticons van. Een uitroep van ofwel groot enthousiasme ofwel afschuw. Maar echt, waarom moet dat? Ben je nou echt God aan het aanroepen als je ziet dat je vriendinnetje een nieuw shirtje heeft? Of wanneer je aannemer de keuken zo leuk verbouwd heeft?
Ik stoor me daar zo vreselijk aan! Aan het gedachteloos ‘God’ gebruiken als stopwoordje, of je nou gelovig bent of niet. En ik stoor me nog meer aan het feit dat het blijkbaar algemeen geaccepteerd is om voortdurend de naam van God te gebruiken.
Ik ben niet vroom. Maar ik vind het wel iedere keer pijnlijk om het te horen. Van meisjes van amper 5 jaar oud tot sportcommentatoren bij de F1.
Het is vloeken. Meer kan ik er niet van maken. En ik vind het verschrikkelijk dat het nu mode is.
Hou daar alsjeblieft mee op, heb respect en roep God alleen aan als je je bewust bent van wat je eigenlijk zegt.
Denk een beetje na en blaat niet gedachteloos alles na . Er is niemand die het in z’n hoofd haalt om voortdurend ‘O my Allah’ of ‘O my Boeddha’ te zeggen. Waarom is dit dan wel normaal?