Categorie archief: Algemeen

Ode aan de douche

“En dit”, zei de Amerikaanse makelaar op tv, “is de blokhut. De prijs valt binnen jullie budget en we gaan even binnen kijken.” Ik liep via de beelden met het gezin mee, ik zag de rustieke uitstraling van het kleine houten huis, ik zag de werkelijk schitterende omgeving: geen andere huizen, maar bos, veld, een meer….. als ik toch eens zo kon wonen!
“Er is hier alleen geen stromend water”, zei de makelaar. En ik stond gelijk weer met beide benen op de grond. Dat er geen mogelijkheid was voor een douche, betekende einde verlangen voor mij.
Ik ben teveel gesteld op mijn comfort. Wat overigens iets anders is als luxe.

Ik kan niet zonder douche. Echt niet. Want een douche betekent voor mij veel meer dan een manier om je te wassen. Een douche zorgt vaak voor het gevoel dat ik op dat moment echt nodig heb.
Voor mij niets heerlijker dan na een vermoeiende dag onder douche te gaan, en de dagelijkse drukte door het doucheputje weg te spoelen.
Als ik het heel koud heb en me niet lekker voel: even lekker onder de douche en daarna voel ik me stukken beter.
Na een vakantiedag in de zon, een douche nemen met heerlijk geurende douchegel, er van genieten dat het witte schuim zo mooi afsteekt tegen mijn bruine huid en daarna lekker opgefrist iets leuks aantrekken om uit eten te gaan.
Een lange dag achterop de motor, waardoor ik stram en kil ben geworden, en dan in een hotel een heerlijke douche nemen, me daarna in een grote dikke zachte handdoek wikkelen en volkomen gelukkig zijn met dat gevoel.|

Zo verdrietig zijn dat mijn hart een pijnlijke bonk in mijn borstkas is en dan onder de douche bevrijdend mijn tranen laten stromen, die niemand hoeft te zien, maar die zich vermengen met het douchewater.
Ziek op bed gelegen hebben en dan eindelijk weer de energie hebben om even een douche te nemen, en me daarna echt opgeknapt voelen.
Overvallen door een regenbui tot op mijn hemd nat zijn, zodat alles onaangenaam en koud aan mijn lijf plakt, en daarna lekker een warme douche en een droge handdoek zodat alles weer goed is.
Een hele zaterdag hard werken in de tuin zodat ik mezelf als een aardmannetje voel, dan voor het eten onder douche, het water stroomt over mijn haar en mijn lijf en ik voel me daarna frisser als ooit te voren.

Het gevoel van het stromende water, de geur en de zachtheid van een heerlijke douchegel, ik zou niet zonder willen. Dan maar geen blokhut in de natuur.

Versie 2021

IK ZOU LEKKER STOUT WILLEN ZIJN

Ik wil het weer, ik wil het weer!
Ik wil weer handjes geven
En ik wil roepen elke keer
Hallo mevrouw, hallo meneer
lekker heel overdreven
En overal met mijn handen aan
de fles met dettol laten staan

Ik wil geen staafje in mijn neus
als ik een keer moet niezen
Ik wil ontspannen, niet nerveus
op een terrasje, glorieus
een lekker biertje kiezen
Met mijn dochter de sauna bezoeken
en winkelen zonder een afspraak te boeken

Ik wil zo graag genieten
en ik wil bij mij thuis
Geen bezoeklimieten
maar heel veel visite
gezellig feestgedruis
ik wil alles wat niet mag
de hele dag, de hele dag!

Ik wil mijn mondkap aan de kant
mijn kinderen omarmen
knuffelen zonder die afstand
en naar een zonnig buitenland
om lekker op te warmen
Al wat ik wil, dat is dus dit!
En als dat niet mag zeg ik: shit


Perfect

‘Zullen we Goede Vrijdag komen dan?’ appt mijn dochter. Ik stuur een blij gezichtje en een duimpje terug.
Ook dit jaar mogen we nog niet met het hele gezin bij elkaar zijn met Pasen. Maar zij op vrijdag, zoon op zondag, dan heb ik ze in ieder geval weer gezien en ben ik niet zo sip als vorig jaar.
Ik maak gelijk plannen voor het eten. Niet dat dat heel moeilijk is, want de traditie wil dat we involtini (Italiaanse vlees/kaas/ham-rolletjes) eten met Pasen en ook dat is er voor hen vorig jaar bij ingeschoten, dus dan maak ik het dit jaar gewoon 2x.
En taart! Er moet natuurlijk taart komen. Zelfgebakken uiteraard, want ik heb niet voor niets een Kitchenaid. (zie: Koekje van eigen deeg )

Ik ben net tante Petunia van Harry Potter: ”I want everything to be perfect on this special day!” Ik maak een boodschappenlijst, zoek mooie ingrediënten uit, het is tenslotte Pasen en ik wil dat alles perfect wordt.
Op vrijdagochtend begin ik met de taart. Het wordt een abrikozen-yoghurtcake, wat ziet die er heerlijk uit op de foto bij het recept!
Een luchtig beslag met ‘whirls’ van abrikozenjam, prachtig. Helaas zie ik bij mij geen whirls verschijnen, ik heb klontjes jam die zich maar moeilijk over het beslag laten verdelen. Ze zakken er in weg en er is geen mooie spiraalvorm te herkennen, hoe goed ik ook mijn best doe met mijn mespunt zoals in het recept staat.
O wacht, hier staat nog iets: Roer de jam los in een schaaltje en verdeel het vervolgens…etc…
Ja daar heb je het al, ik heb alleen de ingrediëntenlijst gelezen: een paar lepels abrikozenjam. Niks losgeroerd. Nou, dan maar zo proberen, niets meer aan te doen.
De taart gaat in de oven. Het gaat heerlijk ruiken maar ik zie de cake niet rijzen.
Als hij klaar is, laat ik hem afkoelen, het is geen schoonheid geworden maar er moet strakjes nog lekkere ‘creamcheese-frosting’ op en een chocolade decoratie, komt vast goed.
Ondertussen bedenk ik dat ik het ledikantje moet verschonen, gister sliep er nog een opvangkindje in, vandaag moet mijn kleinzoon er in slapen. Snel naar boven, beddengoed eraf, in de wasmachine. Ik begin een lichte stress te voelen als ik op de klok kijk. Krijg ik het allemaal klaar voor ze komen, ik wil dat alles perfect is!
Man heeft ook vrij genomen vandaag, hij loopt met de hond, zorgt voor de andere dieren , en maakt de kamer netjes en gezellig. Dan kan ik me helemaal op de keuken concentreren. Maar alles zit tegen. Mijn zo zorgvuldig uitgekozen ham voor de involtini blijkt veel te dun gesneden, scheurt aan alle kanten zodat ik geen gesloten rolletjes kan maken en ik voorzie dat in de oven alle kaas eruit gaat lopen. Verre van perfect. Ik maak gehaast de saus en als die staat te pruttelen zie ik dat de gesnipperde ui, waar ik mee had moeten beginnen, nog gezellig op de snijplank naast het fornuis ligt. Sh**.


Ik fruit de ui in een apart pannetje en doe die dan alsnog in de saus. De ui dan, niet het pannetje.
De klok tikt door.
Het beddengoed moet nog in de droger, is die wasmachine nou eens klaar?
Frosting! De taart moet af! Boter op kamertemperatuur, roomkaas, poedersuiker, mixen!
Het wordt een rare korrelige substantie, hoelang ik de Kitchenaid ook laat draaien. Het ziet er onsmakelijk en geschift uit, zo kan ik dat niet presenteren.
En dan komen, onvermijdelijk bij mij, de tranen. Als alles tegenwerkt terwijl ik het perfect wil hebben kan ik daar niet tegen.
Mijn altijd rustige man gaat naar de winkel voor nieuwe ingrediënten. Ondertussen gooi ik de vieze frosting weg en probeer wat orde te scheppen in de keukenchaos.
Als man weer terug is doe ik een nieuwe poging voor de frosting, deze keer zonder de boter want die was volgens mij de boosdoener en nu komt er een mooie fluwelige creme uit de beslagkom. Ik smeer het op de taart, doe er chocoladebloemen op en denk: nou zo moet het maar. Ik ben lang niet tevreden, het strookt niet met mijn perfecte plannen.
Ik kleed me snel om, restaureer met make-up mijn roodaangelopen gezicht, en dan hoor ik de hond blaffen. Ze zijn er.
Als ik de voordeur opendoe zie ik een heel klein jongetje de oprit opstappen.
“Oma! Oma!” hoor ik zijn lieve stemmetje. Ik smelt. Dit is perfect. Helemaal perfect. En het enige wat er werkelijk toe doet.

Vrouwen

Gister was het wereldvrouwendag. Dan zijn vrouwen ineens heel solidair met andere vrouwen. Het zou best mooi zijn als dat op de andere 364 dagen van het jaar ook zo was.
Nee, dat is te kort door de bocht, dat weet ik zelf ook wel. En ik krijg mijn redenatie sowieso niet sluitend want ik heb commentaar op vrouwen die commentaar op vrouwen hebben. Dus ik maak me zelf ook schuldig aan hetgeen waar ik me zo aan kan ergeren.
Vrouwen komen voor elkaar op in moeilijke situaties en dat moet! Maar vrouwen kunnen elkaar ook zo vreselijk afkammen. Om uiterlijk, om gedrag.


Ik heb me er al vaak over verbaasd dat het in de mensenwereld zo anders is geregeld als in de dierenwereld. Bij de meeste diersoorten ziet de vrouw er onopvallend uit en is de man in uiterlijk nadrukkelijk aanwezig. Moet er een partner gevonden worden dan sloven de mannen zich enorm uit en kijken de vrouwen rustig toe en kiezen. Zonder zich van te voren opgetut te hebben, ze behagen de man blijkbaar zo ook al genoeg. Gewoon door hoe en wie ze zijn.
Maar mensenvrouwen…doen hun best om maar zo aantrekkelijk mogelijk te zijn en al hun seksegenoten te verslaan. Er zijn natuurlijk vrouwen die daar niet mee bezig zijn maar die worden dan door andere vrouwen met de nek aangekeken. Uitgemaakt voor grijze muis, saaie doos, noem het maar op allemaal. Vrouwen hebben meedogenloos commentaar op andere vrouwen. Is dat om zichzelf beter te kunnen voelen? Vrouwen zijn vaak helemaal niet aardig voor elkaar. Iedere vrouw vindt wel wat van een andere vrouw. Ja, ik ook want anders schreef ik dit stukje niet.


Vrouwen vinden onderling dat er regels zijn over wat wel kan en niet. Je moet er op een bepaalde leeftijd zo en zo uitzien en anders deugt het niet. Dan wil je te jong zijn of je bent te ouwelijk. Mannen hebben dat helemaal niet. Zowel een jongen als een man van 60 draagt een spijkerbroek en een t-shirt en dat vindt iedereen prima. Makkelijk hoor!
Er kwam op Facebook een advertentie voorbij van een kledingzaak. Een vrouw van rond de 60 showde een pakje. Stapels vrouwen reageerden afkeurend. “Ze ziet eruit als een opoe”. “Veel te ouwelijk, niet sexy”. Heel veel commentaar, er deugde allemaal niks van, de ene opmerking nog chagrijniger dan de andere.
Later van diezelfde winkel weer een advertentie, met hetzelfde model, nu in een korte jurk. Commentaar was niet van de lucht. “Veel te kort”. “Dat kan echt niet meer als je 60 bent”.
“Ze denkt zeker dat ze nog sexy kan zijn”.
Ik weet het niet hoor. Wat mag en moet je dan wel als je 60 bent? Daar bestaan toch geen regels voor! Je mag toch dragen waar je jezelf prettig in voelt? Of dat nou een kort jurkje en pumps zijn of een fleecetrui en wandelschoenen? Zonder dat je door andere vrouwen wordt bekeken en beoordeeld (= afgemaakt)?

Wereldvrouwendag gaat over de positie van vrouwen in het leven en in de maatschappij. Een heel belangrijk onderwerp want veel vrouwen hebben minder kansen dan mannen, of worden zelfs onderdrukt. Dat is verschrikkelijk onrechtvaardig en daar zouden vrouwen onderling zich druk over moeten maken. Niet over het uiterlijk. Want we roepen allemaal dat uiterlijk oppervlakkig is, maar toch hebben we allemaal een oordeel klaar, puur gebaseerd op hoe een vrouw er uit ziet. Ja, ikzelf ook. En daar ben ik niet trots op. Als we dat nou eens konden uitbannen, dan waren we een stuk verder in wat werkelijk belangrijk is.

Digibeet

Gister stond dit stukje in het Dagblad van het Noorden. Ik ben niet zo’n krantenlezer maar Bert wees me er op. Hij is namelijk degene die mijn frustratie van dichtbij meemaakt over dit onderwerp.
In het artikel gaat het over de grote dingen, patientendossiers etc.
Maar thuis vind ik het ook een groot probleem dat je geacht wordt het wel te snappen als je iets nieuws en digitaals in huis haalt.

Ik heb een iPad, prachtig ding. Maar er zat geen gebruikershandleiding bij, omdat ze er bij Apple blijkbaar van uit gaan dat het voor iedereen gesneden koek is om met zo’n apparaat om te gaan. Dus mijn altijd behulpzame schoonzoon heeft heel wat vragen moeten beantwoorden voordat ik dingen kon instellen en de iPad kon gebruiken waar ik hem voor wilde hebben.
Ik kreeg een Pencil om digitaal te tekenen, nieuw in de doos. Nergens stond dat ik eerst de Pencil even aan de iPad moest koppelen. Dus leek het alsof hij niet werkte. Voor mij werd stap 1 dus overgeslagen en begon het gelijk bij 2. Maar dat heeft geen zin want je hebt stap 1 wel nodig! Misschien klinkt het voor een productontwikkelaar wel heel onbenullig. Zoiets als wanneer je wilt gaan fietsen, stap 1: Pak het stuur beet en zet je rechtervoet op het rechterpedaal. Maar voor mij is het niet onbenullig en zeker niet net zo vertrouwd als fietsen

.
Mijn smartphone ging langzaam ter ziele en ik kocht een (refurbished) iPhone. Zelfde verhaal. Prima apparaat maar ik kon er bijna niks mee omdat het allemaal net anders werkt dan een smartphone. Dan kom ik in een mentale staat dat ik hem net zo lief het raam uitflikker en dat alleen de aankoopprijs me dat belet.
Wij hebben geen smart tv en daarom kochten we een chrome-cast, zodat we Netflix en Disney+ kunnen kijken.
“Sluit de chrome-cast aan op uw tv en installeer deze”
Maar hoe en waar precies je hem moet aansluiten stond er niet bij. En hoe je überhaupt moet casten werd ook niet uitgelegd. Dat blijkbaar de rest van de wereld weet dat er een symbooltje bovenaan je telefoonscherm staat wat je moet aanklikken om te casten, maakte dat ik me nog dommer voelde.

We kregen een heel mooi digitaal fotolijstje cadeau. Er zat wel een handleiding bij maar ook hier werden de allereerste stappen weer overgeslagen en is het nog steeds moeilijk om uit te zoeken hoe je foto’s kan toevoegen of verwijderen.
De display van mijn crosstrainer (zie vorige blogje ) idem dito. “Zet de display aan en vul uw gegevens in, daarna kunt u de programma’s kiezen. Maar HOE je dit gegevens invult staat er niet bij. Dus ik kan niks.


Dat gemis van die allereerste stappen in een handleiding en soms zelfs het ontbreken van een handleiding is iets wat me zo kan frustreren, dat ik razend word.
Een gevoel van onmacht en falen, en uitgerangeerd zijn omdat je blijkbaar niet meer mee kan komen met de wereld. Ik weet het, ik maak het nu heel groot. Maar zo voelt dat echt op dat moment.
Ik probeer bij te blijven, maar ik ben hier niet mee opgegroeid, zoals met fietsen. Dus ik moet alles blijven leren. Alleen ontbreekt het lesmateriaal.
Toen de personal computer zijn intrede deed, wist ik ook HELEMAAL niets. En daarom ging ik op cursus. Gewoon fysiek op cursus, om met de computer om te leren gaan. Lessen in tekstverwerken en excel, later omgaan met internet. En op die manier heb ik het me eigen gemaakt.
Jongere generaties groeien er mee op en passen zich snel aan aan nieuwe ontwikkelingen.
Er was zo’n reclame waarin 2 mensen met de computer probeerde te werken “Ga met de muis naar de rechterbovenhoek”. Aandoenlijk maar ook een beetje belachelijk.
Zo voel ik me heel vaak nu. En ik word er helemaal niet blij van

Water

Nederland verdroogt. Dat schijnt echt zo te zijn maar vanmorgen dacht ik toch wel het tegenovergestelde. Ik ging met Lenny naar het bos en ik heb werkelijk geen droge stap kunnen zetten. Nou is dat bos in het Lauwersmeergebied en dat is altijd wel wat vochtig. Maar nu, na dagenlang regen, regen en nog eens regen, is de inpoldering bijna ongedaan gemaakt. Oké, dat is niet waar, maar ik hou van overdrijven in mijn taalgebruik. Erfenis van mijn vader, die het had over ‘nog een pond eten op je bord’ als je een kruimeltje had laten liggen, of dat iets al zo was ‘sinds de ochtendschemering der mensheid”.
Maar ik dwaal af.


Vanmorgen had ik vrij, het was redelijk helder weer en Lenny en ik moesten nodig eens een poos lekker naar buiten! Omdat ik wel verwachtte dat het nat zou zijn in het Ballastplaatbos trok ik eerst de sokken aan die mijn zus voor mij gebreid heeft en daarna de de fantastische laarzen die ik van haar heb gekregen. (Lieve zus heb ik, hè?)
Het bos ligt naast een vakantiepark en ik had wel wat meer wandelaars verwacht zo tussen Kerst en Oud-en-Nieuw. Maar behalve Lenny was er geen hond. Ikzelf was overigens niet het enige tweebenige wezen, integendeel. Ik heb zelden zoveel vogels gezien als tijdens deze wandeling, waarschijnlijk juist omdat er verder niemand was en omdat het zo verschrikkelijk nat was. Want het waren allemaal watervogels.
Ik heb echt genoten! Er zwommen kuifeenden, waterhoentjes, meerkoeten, wilde eenden en smienten. Het waren er zoveel dat Lenny niet eens de behoefte had om zijn geliefde “kiekeboe-ik-laat-je-schrikken’-spelletje te spelen, hij was onder de indruk. Er waren aalscholvers en reigers, er verhief zich een enorme roofvogel uit de bomen naast mij. Ik durf niet te zeggen of het een visarend was, maar hij was groot en imponerend genoeg.

Nu het winter is kon ik door de oeverbegroeiing heenkijken en zag ik in het rustgebied enorme aantallen ganzen. En al had ik ze niet kunnen zien, dan kon ik ze wel horen, er werden luidkeels honderden gesprekken gevoerd.
Grote groepen brandganzen, rietganzen en rotganzen. Die laatste soort heeft z’n naam niet mee, ik heb me altijd afgevraagd waarom zij nou juist rotganzen genoemd worden, ze doen hetzelfde als andere ganzen. Maar het komt door hun geluid, dat klinkt als ‘rot rot’ zegt de vogelgids.
Nou vooruit dan maar. Beetje raar blijft het wel, die anderen zeggen toch ook niet ‘brand brand’ of ‘riet riet’.


Lenny danste met z’n vier hondenvoetjes gemakkelijk door de plassen, ik had er iets meer moeite mee. De modder zoog, zodat ik moest opletten dat ik niet uit mijn laarzen schoot. Iedere stap veroorzaakte een onsmakelijk geluid. Maar ach, er was toch niemand die er aanstoot aan kon nemen!

De lucht kleurde goud door de lage zon en ik voelde me een stuk gelukkiger dan tijdens alle grauwigheid van de afgelopen tijd.


Toen we bijna rond waren begon het toch nog weer te regenen. Ik had de auto voor de zekerheid op het verharde pad geparkeerd, ik wilde niet vast komen te zitten in de modder.
Lenny stapte braaf in en gaf me een soort hondenbedankje voor de leuke wandeling.

We zaten behoorlijk te dampen met onze natte lijven en de ramen besloegen. Omdat ik een stukje achteruit moest rijden schoof ik het zijraam een beetje open zodat ik de buitenspiegel kon zien. Maar mijn Mazda is al een oud k(n)arretje en niet alles werkt meer optimaal. Het raam ging niet meer dicht, sterker nog het ging spontaan helemaal naar beneden en kwam niet meer omhoog. Ik had gelijk heimwee naar de tijd van de mechanische bediening, laat mij maar aan een slinger draaien in plaats van op een knop drukken. Heb er al vele discussies met een zekere automonteur over gevoerd, maar wat mij betreft is meer elektronica alleen maar meer kans op storingen. Hoe het ook zij, het regende en ik moest met open raam naar huis rijden. Dan eerst maar over de paralel weg, dan hoefde ik niet 80 km per uur te rijden maar kon ik met 30 kachelen en ondertussen proberen het raam met veel geduld centimeter voor centimeter dicht te krijgen.

Het leek wel wat op het spiraalspel uit de Willem RuisShow vroeger. Ieder keer dat ik dacht: het lukt!, hoorde ik een klik en schoof het raam weer naar beneden en moest ik weer opnieuw beginnen. Ik mag dan niet de geduldigste zijn, ik ben wel een volhouder en net voordat ik toch echt de autoweg op moest had ik het raam dicht! Gauw het slotje erop, voordat hij weer spontaan open zou schuiven.

En toen hield het natuurlijk op met regenen. In het veld waar ik langsreed zag ik een hele grote groep witte ganzen. “Sneeuwganzen”! riep ik tegen Lenny en neuriede het thema van The Snowgoose van Camel, een van mijn favoriete albums.
Toch leek het me een beetje raar, zoveel sneeuwganzen in de winter in Nederland.
Toen ik het thuis nazocht bleek het inderdaad niet te kloppen. Deze hadden geen zwarte punten aan de vleugels, ze waren gewoon helemaal wit.
Het was de Anser anser forma Domestica, oftewel de Soepgans. Afstammelingen van voormalige tamme ganzen. Soepgans, rotgans… wie verzint dat en, nog erger, wie keurt dat goed?
Het wordt tijd dat ze mij eens gaan betrekken bij de naamgeving.
Ik zou soepgans veranderen in weidegans, en de rotgans zou ik prachtgans noemen. Dit als compensatie voor al die jaren gescheld.

Zo, en nu ik ga The Snowgoose opzetten. En daarna mijn modderlaarzen schoonmaken en Lenny’s vacht borstelen. Alles weer klaar voor de volgende waterwandeling.

Spruitjeslucht

Synoniem voor burgerlijkheid.
Spruitjes ruiken niet lekker als je ze kookt. Burgerlijkheid dus blijkbaar ook niet.
Beperkt en kortzichtig. Aardappelen, groente, vlees. Doe maar gewoon dan doe je al gek genoeg, dat soort dingen. Burgerlijkheid is huisje, boompje beestje. En het klinkt negatief.
Waarom eigenlijk, vraag ik me af. We hoeven toch niet allemaal groots en meeslepend te leven?
En mensen die zich willen onderscheiden van de massa zoeken elkaar ook vaak weer op, zodat je gewoon weer een andere massa erbij krijgt. En iedere massa kijkt misprijzend naar de andere massa. Blij dat ik daar niet bij hoor!

Subculturen zijn van alle tijden. In mijn jeugd de nozems, de hippies, de provo’s. In de jeugd van mijn kinderen de skaters, de gabbers, de gothic’s, de emo’s .
Nu hoor je over boomers en hipsters. Maar dat is inmiddels ook al weer oud en staat er een nieuwe generatie klaar om zich te onderscheiden. Met influencers en vloggers.
En de spruitjes worden nieuw leven ingeblazen met recepten op “de hippe vegetariër” , “okoko” en “smulweb”
Roerbakken, blakeren, grillen, op de pizza, gratineren, niks burgerlijkheid.


Maar ze ruiken nog steeds niet lekker. Ik kookte ze van de week. Wat erger was, ik liet ze aanbranden. Die lucht was echt niet te harden. En die bleef nog lang hangen. Dat komt ervan als je ze behandelt als vergeten groente. Zo werd ik voortdurend herinnerd aan mijn burgerlijkheid. En dat ik eigenlijk best heel tevreden ben met mijn huisje boompje beestje -leven.

(foto: google)

Stopwoord

Het nieuwe normaal, daar is het laatste woord nog niet over gesproken, want niemand weet hoe dat er uit gaat zien.

Wat ik wel zie (en vooral hoor) heeft niets met coronamaatregelen te maken maar wel met een nieuw soort normaal. En ik vind het echt verschrikkelijk.
Het is voor een, naar mijn idee, overgroot deel van de mensheid, normaal geworden om veelvuldig de uitdrukking ‘Mijn God’en vooral ‘Oh my God’ te gebruiken. Er is een hippe afkorting voor: OMG. Er zijn zelfs emoticons van. Een uitroep van ofwel groot enthousiasme ofwel afschuw. Maar echt, waarom moet dat? Ben je nou echt God aan het aanroepen als je ziet dat je vriendinnetje een nieuw shirtje heeft? Of wanneer je aannemer de keuken zo leuk verbouwd heeft?
Ik stoor me daar zo vreselijk aan! Aan het gedachteloos ‘God’ gebruiken als stopwoordje, of je nou gelovig bent of niet. En ik stoor me nog meer aan het feit dat het blijkbaar algemeen geaccepteerd is om voortdurend de naam van God te gebruiken.
Ik ben niet vroom. Maar ik vind het wel iedere keer pijnlijk om het te horen. Van meisjes van amper 5 jaar oud tot sportcommentatoren bij de F1.
Het is vloeken. Meer kan ik er niet van maken. En ik vind het verschrikkelijk dat het nu mode is.
Hou daar alsjeblieft mee op, heb respect en roep God alleen aan als je je bewust bent van wat je eigenlijk zegt.
Denk een beetje na en blaat niet gedachteloos alles na . Er is niemand die het in z’n hoofd haalt om voortdurend ‘O my Allah’ of ‘O my Boeddha’ te zeggen. Waarom is dit dan wel normaal?

Toen was geluk heel gewoon

Toen was geluk heel gewoon…. iedereen van mijn leeftijd kan dat regeltje meezingen.
Nostalgie ten top, ten eerste is het liedje nu oud en ten tweede gaat de tekst over nog langer geleden.

Dat zinnetje “Toen was geluk heel gewoon” is een eigen leven gaan leiden. Want het wordt kwistig gebruikt in reacties op nostalgische foto’s en filmpjes op Facebook, door mensen die ‘de goede oude tijd’ idealiseren en voor de tegenwoordige tijd niet veel goede woorden over hebben. (Blijkbaar vergeten ze daarbij dat Facebook en filmpjes op internet delen niet bij vroeger hoort)


Ik ben ook nostalgisch aangelegd, vind het heerlijk om goede jeugdherinneringen op te halen en dingen tegen te komen die een blije “O ja!” reactie bij me uitlokken.
Want in mijn kindertijd was het zo anders als nu, we woonden met z’n vijven in een flat met maar 1 kachel, mama maakte onze kleren zelf, het avondeten kwam op tafel in dekschalen (“geen pannen op tafel!”) en we hadden geen vaatwasser. Eerst zelfs geen wasmachine, maar een lavet met een draaiende vin. En als die vin eruit was kon er een stop in het afvoergat en kon ik in het lavet in bad.
Dat, en nog 1000 andere dingen, brengt een warm gevoel bij me boven en ik moet glimlachen om de herinneringen. Maar was het allemaal beter dan nu?
Naar mijn idee wordt ‘vroeger’ door een grote groep mensen geïdealiseerd.
Alsof toen alles fijn en knus was, iedereen aardig voor elkaar en alle gezinnen een veilige en geborgen omgeving.
Maar dat was toch helemaal niet zo!
Het liedje is geschreven door van Kooten en de Bie en zij waren ook degenen die het in eerste instantie uitvoerden. Ze zingen over 1948, 3 jaar na de oorlog, vanuit het oogpunt van de kinderen van toen.


Het roept een gevoel van kwetsbaarheid op en hun liedje komt bij mij veel meer binnen dan de latere hituitvoering van Gerard Cox.
Waar het volgens mij om gaat is het gevoel van weemoed om de verloren naïviteit van de kindertijd. Je was gelukkig als je ouders van je hielden en dan waren alle dingen goed thuis. En dat is toch iets van alle tijden?


Ik kan glimlachen bij veel herinneringen, bijvoorbeeld dat er ’s morgens bij het opstaan ijsbloemen op de ramen zaten. En ik vond ze mooi hoor, als kind, maar ik ben toch echt wel blij dat ons huis warm genoeg is en ik niet zoals mijn moeder bij het opstaan bibberend van de kou hoef te proberen om het petroleumkacheltje in de keuken aan te steken, waarna mijn hele gezin zich bij die ene kraan in de keuken moet wassen, ik dus nauwelijks de ruimte heb om brood te smeren voor de broodtrommel van mijn man, de thermosfles met koffie moet vullen die ik eerst moet zetten in een filter, waarvoor ik eerst water in de fluitketel moet koken, koffiebonen moet malen, schepje Buisman toe moet voegen, melk moet koken in een steelpan en zorgen dat het niet overkookt of aanbakt, ondertussen de ontbijttafel ook nog dekken en nogmaals die fluitketel opzetten voor thee ….. terwijl ik dit opschrijf word ik al moe en gestrest want hoeveel tijd kost dat allemaal! Maar als kind ervaarde ik dat als veilig en geborgen. Ik kan niet meer vragen hoe mijn moeder het ervaarde, maar het is voor haar heus niet simpel en allemaal fijn geweest, want toen het kon kwamen er bij ons gevelkachels in iedere kamer, er kwam een koffiezetapparaat, het lavet ging eruit en er kwam een mooie douchecel.

Ik ga nog een stapje verder terug in de tijd. Mijn moeder vertelde graag over haar jeugd, die heeft ze ook als veilig en geborgen ervaren. Voor mijn grootouders was het allemaal nog veel minder simpel, het dagelijks leven was hard en zorgelijk. Mijn opa had drie (DRIE!) vakantiedagen in een jaar! Er was geen warm water, er was geen gas om op te koken, de was moest met de hand gedaan worden….. maar de herinneringen van mijn moeder aan haar kindertijd waren goed. Ook al was ze tussen twee wereldoorlogen in geboren en woonden ze met z’n zessen in een klein huisje.

Als ik kijk naar mijn eigen kinderen, hoop ik dat ik ze ook een gevoel van veiligheid en geborgenheid heb kunnen geven. Zij zijn opgegroeid in de jaren ’90. En ook zij halen herinneringen met elkaar op aan kleine dingen die voor hen als kind zo belangrijk waren: op zondagavond samen in het grote bed mogen slapen en dan op maandag toch weer in je eigen bed wakker worden, thuiskomen uit school en het raampje van de keuken open zien staan waar de geur van pannenkoeken uitkwam.
Dingen waar een kind blij van wordt, en herinneringen die je altijd met je meeneemt. Dat is goed, je wilt als ouder voor je kind een onbezorgde jeugd.
En dan is de zin “Toen was geluk heel gewoon” ineens in een andere context geplaatst.
Ieder kind verdient het om geluk te ervaren en zolang het kan naïviteit te bewaren. Of je nou in 1925, 1961, 1988 of 2019 geboren bent.

Afgelopen week werd ik geïnterviewd door 2 meisjes uit groep 7, over communicatie. Hoe dat vroeger ging. Ik vertelde over van alles en hun conclusie was: Dus nu is het eigenlijk allemaal veel makkelijker!
Dat verraste me. Zo had ik er nog niet over nagedacht. Ik maak me zorgen over de ontwikkelingen van internet en de invloed van Google- and -friends. Ik zie dat ieder kind een tablet en een mobiel heeft, dat er anders gespeeld wordt dan dat mijn kinderen deden. En vraag me af of het goed is.
Maar deze meisjes leven òòk in de geborgenheid van liefdevolle en veilige gezinnen, ook al verschilt hun kindertijd met die van mijn kinderen. Maar die zag er immers ook anders uit als mijn kindertijd en de mijne weer anders als die van mijn moeder?

En mijn kleinzoontje is gelukkig ook in een goed gezin geboren. Die gaat ook mooie herinneringen maken.
En dan is voor een kind geluk heel gewoon. Voor ieder kind van alle tijden.






Erkenning

De blogjes gaan altijd over persoonlijke dingen en zijn dan ook altijd in de ik-vorm geschreven. Die ‘ik’ ben ik dan ook echt zelf.
Hier onder de menuknop “UKV’s” staat boven de verhaaltjes: Belangrijk om te onthouden: is een verhaal in de ik-vorm geschreven, dan gaat dat niet over mij persoonlijk, maar is het geschreven vanuit de hoofdpersoon.
Dat even voor de duidelijkheid. Want een verhaaltje kan over van alles gaan en de personen kan ik volkomen uit mijn duim zuigen en toch ‘ik’ noemen.
Verhalen vragen veel meer creativiteit dan de blogjes en ik vind het heerlijk om het schrijven af te wisselen.
Lange verhalen zijn ook leuk om te bedenken en zo kan ik echt mijn ei kwijt door te schrijven!
Het is natuurlijk extra leuk als ik merk dat mensen mijn schrijfwerk lezen en vaak ook waarderen, en/of opbouwende kritiek hebben.
Wat is het ook leuk om te oefenen met expliciete schrijfopdrachten en zo te merken wat me aanspreekt en ook wat me totaal niet ligt.
Meedoen met schrijfwedstrijden doe ik ook, mits ik het idee heb dat ik ècht iets met het thema en de opdracht kan.

Ik ben totaal niet competitief, ik heb zelfs een soort faalangst op wedstrijdgebied. Nooit aan wedstrijdsport gedaan, nooit voor anderen viool willen spelen, nooit dressuurproeven willen rijden, altijd bang dat ik juist dan niet zou kunnen presteren en compleet gefrustreerd af zou gaan.
Maar voor schrijven ligt dat helemaal anders.
Het levert voor mezelf in ieder geval veel voldoening op, ook als mijn inzending niet als een winnaar uit de bus komt. Uiteraard ben ik dan heus wel teleurgesteld, zeker als ik voor mijn gevoel heel erg mijn best gedaan heb en ik stiekem vind dat het verhaal echt goed is. Maar toch denk ik dan: Jammer, maar ik heb iets gemaakt waar ik trots op ben, prijs of niet.

Maar als ik wel win…. dan ben ik superblij. Want als kundige mensen van een uitgeverij mijn verhaal hebben gelezen en als ‘goed’ hebben beoordeeld, voelt dat als erkenning. Heb ik dat nodig? Blijkbaar wel. Ik hoop niet dat het in wezen hetzelfde is als zoveel mogelijk ‘likes’ willen hebben op facebook. Hopelijk is het minder oppervlakkig, omdat het gaat om iets wat ik heb bedacht, gemaakt en waar ik mijn best voor gedaan heb, waar ik razend enthousiast over ben als het zo geworden is als hoe ik het voor ogen had. En dan ben ik, zonder arrogant te willen zijn, trots als ik bereik dat mijn verhaal en mijn naam in een echt, fysiek boek staan. Eentje die ik niet in eigen beheer heb uitgegeven zodat bijna alle verkochte exemplaren in het bezit zijn van lieve goedwillende familie, vrienden en bekenden, hoe blij ik daar ook mee was. (Echt waar!)

Dit voelt een stapje verder, juist vanwege die erkenning.
Zoals gezegd, lang niet al mijn wedstrijd-inzendingen worden gehonoreerd. Maar gister kreeg ik mail, dat er binnenkort drie Zeer Korte Verhalen van mij worden opgenomen in een te verschijnen bundel. Drie!
Straks dus nog een boekje in mijn boekenkast met een bijdrage van mij, naast deze die er al staan.


Daar ben ik blij mee!
Er staan nog drie wedstrijden uit waar ik voor ingezonden heb. Meedoen met schrijfwedstrijden vraagt geduld, heel veel geduld. Eerst tot de sluitingsdatum en daarna tot de uitslag, het kan maanden duren. In deze tijd helemaal, nu geplande jurysamenkomsten en prijsuitreikingen niet door kunnen gaan.
Geduld is niet mijn sterkste eigenschap, maar ik zal me daarin moeten oefenen.
Maar als er dan af en toe zo’n berichtje komt als gister, hou ik het wel vol!