Maandelijks archief: juni 2021

Prietpraat (11)

Toch weer tien nieuwe Prietpraatjes verzameld!
Dus hier is aflevering 11:

Ik heb hier een 5-jarige filosoof:
“Waarom is 100 eigenlijk veel? Het is alleen maar een 1 en twee nullen!”
Ik ben hem het antwoord schuldig gebleven…..

Twee jongens van 5 en 6 jaar spelen samen.
De een zegt: “We doen een slaapfeestje!”
“Hè nee hoor”, zegt de ander. “Ik wil gewoon een wakkerfeestje

Er komt een kleuter huilend aanlopen. Ik vraag wat er gebeurd is.
“Ik heb een schaaf! Ik struikelde over de stoeprempel”

Mijn werk is nog wel eens een gespreksonderwerp. Ik begin er niet over hoor, dat doen ze zelf. Ze hebben er alleen niet zo’n hoge pet van op.

Kleuter tegen mij: “Jij hoeft niks meer tegen Pietje te zeggen hoor! Ik heb hem al waargeschuwd”

Kleuter: “Het komt wel goed uit zeg, dat jij een oppas bent. Jij bent toch altijd thuis”

Jongen van 7: “Jij hebt echt de meest simpele baan die er bestaat. Je hoeft alleen maar voor kinderen te zorgen en het zijn niet eens je eigen kinderen”

Ok dan. (mompelt iets over een eigen bedrijf opgebouwd hebben….)

Eten is ook belangrijk

De twee jongens van 5 en 6 jaar zijn aan het bouwen.
“We maken een Pizzeria!” zegt de een enthousiast. “Waarom niet een patatteria?”vraagt de ander verongelijkt.

“Was het leuk gister?”, vraag ik na het weekend aan een kleuter
Ja! Wij aten Barbie Kieuwen!” *

Ik geef de kinderen wat Pommbär-tjes, gezellig op een vakantiedag.
“Lekker, berechipjes!” zegt een kleuter
Ikke ook berepisjes!” roept de peuter

De kinderen spelen politieagentje. Er worden zware straffen bedacht.
“Ik ga even donuts voor ons halen!” roept de 5-jarige. “Maar niet voor de boeven! Die krijgen alleen groente!”

*kom je er nou niet uit: “Barbecuen”

Prik

Het lampje van het antwoordapparaat knipperde. Ik drukte het in en er klonk een blikkerige stem die monotoon opdreunde: ”U-heeft-een-af-spraak-op-(datum)-om-(tijd).”
Het leek Robin de Robot van Bassie en Adriaan wel. Verder geen afzender of zoiets, maar ik dacht: volgens mij is dat van de GGD. Blijkbaar had ik het huistelefoonnummer opgegeven in plaats van mijn mobiel en dan krijg je een ingesproken sms. En hoe snel de techniek ook gaat, dit klinkt nog als iets uit de tijd dat het ‘jaar 2000’ nog science fiction was.
Maar goed ik had het ook zeer ouderwets handgeschreven in mijn papieren agenda staan, dus ik had er al op gerekend dat ik mijn 2e prik zou gaan halen.
De eerste keer kon ik zo doorlopen, zwaaide ik gezellig naar een bekende en stond snel weer buiten.
Nu stond er een verkeersregelaar op de parkeerplaats en een rij mensen voor de ingang.
Ik zette de auto netjes waar ik heen gedirigeerd was en sloot met gepaste afstand aan in de rij. Het was heerlijk weer. De man voor me draaide zich om en zei: “Nou het is in ieder geval droog”.
“Lekker zo, in de zon hè?” antwoordde ik.
“Ik heb zonneallergie” zei de man nadrukkelijk. “Wat vervelend”, leefde ik mee.
Ik had mijn face-shield in de hand, ik krijg het erg benauwd van een mondkapje en dit is een alternatief daarvoor.
“Ik zie dat u dezelfde hebt”, wees de man en hield zijn identieke exemplaar omhoog. Vervolgens kreeg ik een hele verhandeling over al zijn gezondheidsproblemen en waarom hij geen mondkapje kon dragen. Ik zei af en toe maar eens “hm-m” of knikte wat. De rij mocht van mij wel wat sneller doorschuiven.
Toen begon hij over de operatie aan een abces op zijn ellenboog en dat het er nu zo raar uitzag. Ik zegende de zonneallergie waardoor hij lange mouwen had en ik het niet hoefde te aanschouwen.
Inmiddels stond hij bij de ingang en de persoon die de mensen ontving vroeg naar een identiteitsbewijs en of hij een gezondheidsverklaring bij zich had. Tot mijn starre verbazing zei de man: ” Die heb ik niet nodig.” Maar ik bemoei natuurlijk niet.
Toen was ik aan de beurt. “Heeft u alles bij u?” vroeg de gastheer, “Identiteitsbewijs, gezondheidsverklaring? Laskap? Bloemetjesjurk? ”
“Jazeker”, zei ik, “Stond allemaal in de brief. De bloemetjesjurk was nog even zoeken maar het is gelukt.”
“En het gebak voor de medewerkers?” ging hij verder. “Oei, ik heb de kleine lettertjes niet gelezen”, zei ik en de man vond dat hilarisch. Het moet ook supersaai zijn om de hele dag dezelfde vragen te stellen.
Ik moest in de rij voor Pfizer, er was een andere voor Moderna. Vandaar dat het zo druk was.
Toen ik aan de beurt was om in een prikhokje te gaan, werd ik aardig ontvangen door een mevrouw die mijn gegevens controleerde en me verzocht om op de blauwe stoel te gaan zitten.
Daar kwam de prikzuster binnenstevenen en keek direct naar mijn face-shield.
“Heeft u toestemming voor dat kuchscherm?” viel ze snibbig met de deur in huis. Ik begin meestal met ‘goedemorgen’ of iets vergelijkbaars.
“Jazeker”, zei ik. Ze had immers niet gezegd van wie ik toestemming nodig had en ik vond dat het mocht. “Astma?”blafte ze. Ik wou haast zeggen: “Nee, Annelies” maar ik dacht niet dat ze dat leuk zou vinden. Dus ik knikte braaf. Geen reactie. Ze ging rechts van mij zitten en pakte een injectienaald. “Ik wil graag in mijn linkerarm geprikt worden”, zei ik snel. “Dan moet u omdraaien!”, kribde ze. Wat een arbeidsvreugde.
Binnen een halve seconde was ik ingeënt en het hokje weer uitgebonjourd, ik hoefde blijkbaar niet eens een pleister.
Wat ik wel wou was mijn rijbewijs terug en een bevestiging van vaccinatie. Maar de andere mevrouw riep me vriendelijk terug en gaf me mijn spullen.
Toen moest nog even een poosje in de wachtkamer zitten. De vorige keer was ik al verwend met de aanwezigheid van een lolbroek en verdorie, vlak na mij kwam hij ook weer binnenzeilen.
“Kom je me nog even onderzoeken hahahahaha (tegen de mevrouw van de EHBO) want mijn vrouw weet niet dat ik hier ben hahahhhahaha. Nou ik ga zo weer naar huis hoor, hahahhahaha, want er is geen koffie, hahahahaha ”. Van mij had hij direct wel gemogen ,maar gelukkig zag hij een bekende, ging daar zo dicht bij zitten als mocht en vuurde daar zijn grappen en grollen op af.
Ik ging weg toen de klok zei dat ik mocht, lekker de zon weer in. Ik stapte in mijn auto en reed achteruit de parkeerplek af en draaide naar waar ik vandaan was gekomen.
Er werd driftig op mijn raampje getikt! Ik deed het een stukje open en keek vragend.
Een totaal onbekende man, in gewone kleding dus geen verkeersregelaar en ook niet iemand van de GGD, vertelde met veel ge-gebaar dat ik via de andere kant de parkeerplaats af moest. Het is mij een raadsel waar de man zich mee bemoeide:
A. Er was geen route of in- en uitgang aangegeven
B. Er waren geen verkeersregelaars die zeiden dat ik een andere kant op moest
C. Er reed he-le-maal niemand op het stuk waar ik geparkeerd had.
Dus ik wuifde vriendelijk en dacht: bekijk het, en reed gewoon de parkeerplaats af waar ik wou. Verkeersregelaar groette nog even. Alles dik in orde dus.
Geheel trouw aan mezelf wist ik vervolgens niet meer welke kant ik de weg moest opdraaien, koos uiteraard de verkeerde kant en reed over een brug waar ik op de heenweg helemaal niet langs gekomen was. Maar ik deed alles vol zelfvertrouwen, mocht de man van de parkeerplaats me nog nagekeken hebben. Ik heb dan wel een face-shield maar ik hou niet van gezichtsverlies.
Overigens woon ik inmiddels lang genoeg in deze omgeving om op den duur iets bekends te zien, dus ik ben zonder problemen thuisgekomen, gevaccineerd en wel! Ik ben er klaar mee.


Simpel

Zelfkennis: ik ben best intelligent maar mijn gevoel voor humor is bedroevend simpel.
Wil je me aan het lachen maken, struikel dan of verspreek je, succes verzekerd.
Ik ben zo iemand die het mopje “ Het is groen en het zit op een hekje….. Verf” vreselijk grappig vindt en helaas iedere keer opnieuw ook nog.


Vroeger kwam ik al niet meer bij om Doc, een van de 7 dwergen van Sneeuwwitje, die alle woorden door elkaar haalde. “Welkom Hoge Uwheid, Stajemeit!” etcetera. En met de loop der jaren is wel de ouderdom maar niet de wijsheid gekomen want ik ben nog net zo simpel.

Het is soms een beetje genant als ik moet lachen, want dan kan ik niet meer stoppen. Mijn kinderen fluisterden in de bioscoop wel eens dringend “Maham!” als ik in scene 7 nog steeds zat te gieren om een grapje in scène 2.
Of iemand doet iets geks of verspreekt zich en ik kan nooit meer ophouden met lachen.

Dat ik inmiddels al 17 jaar met Bert samen ben is niet mijn verdienste. Op de eerste date notabene, moest ik wel zo hard en vooral veel te lang lachen omdat hij in zijn ijswafel beet, die omklapte en als een masker zijn halve gezicht bedekte (nu zouden we zeggen: een soort mondkapje van koek) dat ik dacht dat hij ontzettend op mij zou afknappen. En ik had het hem niet eens kwalijk kunnen nemen.
Het is echt erg, onderweg in de auto naar huis zat ik er weer om te gieren en thuis vertellen ging al helemaal niet.

Versprekingen vind ik ook erg leuk. Dochter vertelde van de week dat ze in het pannenkoekenhuis ging bestellen, ze had een appel-spek pannenkoek gekozen.
“En ik wil graag een spekkel” zei ze tegen de serveerster. Goed dat ik er niet bij was, want ik had onder tafel gelegen.
Het hoogtepunt der versprekingen is voor mij wel eentje die al 40 (!) jaar geleden gemaakt werd. Ik zat met een paar anderen in de feest/activiteiten-commissie van ons muziekkorps en we zouden een fietspuzzeltocht uitzetten. Ik maakte de vragen en R. de route. Ik vroeg: “Gaat er nog een stukje door het bos? “
“Trajie drel”, antwoordde R. Ik verslikte me in mijn koffie en had minstens een half uur nodig voordat ik kon vragen wat hij bedoelde. En zelfs die vraag kon ik alleen nog maar piepend uitbrengen. Ik moest bijna gereanimeerd worden.
“Traject drie wel” had het moeten zijn. Nu ik dit vertel heb ik alweer lachtranen in mijn ogen. De arme R. voelde zich nogal ongemakkelijk door mijn buitenproportionele lachbui maar ik kan het niet helpen, zo gaat dat bij mij.
Maar zelf verspreek ik me ook hoor. En daar moet ik net zo dom om lachen als om die van een ander. Toen ik wilde vertellen dat ik naar The Planets Funniest Animals ging kijken, maar het had over The Funniest Planimals vond ik dat nog leuker dan het hele programma.
Het helpt ook wel eens als ik geïrriteerd of kwaad ben. Een verspreking relativeert het ineens en dan is het niet zo zwaar meer.
“Hou nou eens op!” riep ik zojuist naar de hond, die de halve ochtend al knoertvervelend liep te doen in de tuin, terwijl ik zo lekker op mijn stoeltje wilde handwerken. “Ik wil meer dan drie haken kunnen steken voordat ik weer achter jou aan moet!” Het effect van mijn bozigheid ging direct helemaal verloren , ik schoot zelf in de lach en hond was blij.

Dat ik moet lachen om struikelpartijen is niet bijzonder, gezien de jarenlange reeks van Lachen om Homevideo’s en aanverwante programma’s. Heel veel mensen vinden dat leuk. Het is natuurlijk helemaal niet grappig als iemand zich pijn doet, het is puur de gekkigheid van de bewegingen. Slapstick.
Maar ook genant. Ik herinner me dat mijn vriendin me vroeger een keer wegsleurde omdat een man op het station zo’n haast had dat hij van de trap afviel, zijn aktentas vrolijk zelfstandig mee de trap afhuppelde en beneden nog een stukje doorschoof. Het was zeer onbeschoft van mij om onbedaarlijk in de lach te schieten maar ik kan het echt niet helpen.
De man stond overigens weer op, het is niet zo dat ik hem had laten liggen als het fout afgelopen was. Ik ben niet ongevoelig. Ik lach ook niemand uit.
Ik lach puur om de situatie.

En om mopjes die eigenlijk te dom zijn voor woorden.

Er springt een kikker van een flat. Kwak.



Waar gaan we heen

Vandaag ben ik in een filosofische bui. Dat heb je soms. Daar kan ik dan ook wel weer over gaan filosoferen, hoe dat komt, maar dan wordt het een saaie blog.
Wandelen in mijn eentje is de ultieme gelegenheid om mijn gedachten de vrije loop te laten. (nou, wat een leuke woordspeling al zeg ik het zelf)
Soms levert dat een heerlijk leeg gevoel op (mijn hoofd zit echt altijd veel te vol), soms kom ik tot oplossingen van vraagstukken die me stress geven en soms vlieg ik gewoon alle kanten op met mijn gedachten en zie ik wel waar ik uitkom. Dit in tegenstelling tot mijn wandelroute, want die heb ik graag gestructureerd. Ik hou best van verrassingen maar niet degene die te maken hebben met verdwalen en in tijdnood komen.
Hond houdt ook van wandelen. En het maakt hem niet uit dat we nogal eens dezelfde stukken lopen. Iedere keer ruikt het voor hem toch weer anders, is zijn stemming anders, is het ander weer, komen we andere dingen tegen. Waar ik nog wel eens denk: hè nou al weer dat pad, dat heb ik al honderdduizendmiljoentachtig keer gelopen, denkt hij: LEUK! Wandelen!
Ik kan nog een voorbeeld nemen aan zijn instelling.
Vandaag is het lekker weer en ben ik net zo blij als hij. Ik ben erg gevoelig voor de “kleur van het weer” zoals ik het vroeger noemde. Is het grauw dan voel ik me ook grauw.
Nu leef ik helemaal op en heb ook echt zin om te wandelen, ook al is het een vertrouwde route. Nu alles zo groen is en in bloei staat, de zon warm is, de wind lekker aanvoelt, heb ik veel meer oog voor al het moois.

We komen langs de oude wegwijzer. Dat ding intrigeert me al zolang ik hier woon. Het wijst naar niets en nergens. Ooit, heel lang geleden, zullen er plaatsnamen opgestaan hebben. Of misschien de namen van boerderijen. Het is een lage wegwijzer, zoals ze nu niet meer gemaakt worden.
In 2013 heb ik er al eens een foto van gemaakt. Ik maak er nu in 2021 nog een.

In die 8 jaar is het metaal nog verder verroest, zijn de gaten groter geworden, is er nog minder van dit aandenken aan vroeger over.
Niets weerstaat de tand des tijds. Zelfs onze eigen tanden niet.
Hoe oud zou het bord, of wat daar van over is, zijn? Welke ogen hebben de letters gelezen, wie is er langs gekomen en op welke manier? Ook lopend? Of met paard en wagen? Misschien met een vélocipède. Of met een van de allereerste trekkertjes.
En wat heeft er op de wijzers gestaan? Het is niet meer te achterhalen.

De echo’s van vroeger zijn verwaaid, geen ratelende wielen en klepperende hoeven meer, geen geluid van houten klompen. Er is nu alleen nog een fietspad, waar de e-bikes langszoeven en een enkele wandelaar met een hond loopt. Het doorgaand verkeer raast over de provinciale weg die er parallel aan loopt, geen automobilist kan het wegwijzertje nog zien. Misschien alleen een vrachtwagenchauffeur in zijn hoge cabine.
Er is zoveel veranderd in de jaren, zoveel vernieuwd, aangepast, gemoderniseerd. Maar dat bordje is er nog.
Zou er ooit iemand gedacht hebben: dat heeft een historische waarde, we laten het staan? Of is het gewoon over het hoofd gezien, is het de moeite niet waard?
Vroeger een ijkpunt in het landschap, een wegwijzer die je hielp je richting te kiezen.
Nu een onbeduidend stuk oud roest.
Maar ik vind het ding echt prachtig. Het is zo symbolisch.

We kiezen onze richting en het is ons (meestal) duidelijk waarheen. We hebben het druk en alles is belangrijk. Maar later, als wij er niet meer zijn en onze blauwe ANWB borden vervangen zijn door hologrammen die corresponderen met de navigatie-app, of misschien wel helemaal verdwenen omdat men alleen nog in zelfrijdende auto’s op pad gaat, zijn wij net zo als de mensen die deze wegwijzer gebruikt hebben. Niemand weet dan nog wie we waren en waar we heengingen en waarom.
Laat ik maar eens wat minder druk zijn in mijn hoofd. En niet alles klakkeloos belangrijk vinden wat ik te doen denk te hebben.
Misschien toch wat meer kijken naar de hond. Gewoon gaan en zien wat ik tegenkom. Het lijkt me heerlijk om zo te kunnen zijn.
Ik ga er aan werken.
Maar eerst moet ik naar huis. Op tijd thuis zijn. Want belangrijke dingen….