Maandelijks archief: maart 2026

Fossielen

Vannacht droomde ik dat ik een fossiel vond. Het was een prehistorische ezel en helemaal vergroeid in een stokoude boom.
Ik meldde mijn vondst in de bibliotheek (?) en werd bedolven onder de enthousiaste reacties. Amateurs en professionals kwamen er op af en maakten me duidelijk dat dit de archeologische vondst van de eeuw was. Er stond een interview voor het Archeologisch Magazine gepland, maar toen werd ik wakker en vervlogen zowel het fossiel als mijn roem. Ach toch. 

Ik heb mijn leven lang al interesse in fossielen, omdat ik het zo intrigerend vind dat miljarden overblijfselen van het leven gewoon vergaan zijn, maar een aantal bewaard zijn gebleven. De omstandigheden van grond en klimaat waren net even anders op die plaats.
In een eerdere blog heb ik al eens geschreven over hoe ik als kind archeoloogje speelde
( (geen) archeoloog) .
Maar dat kind in mij is er nog steeds en ik zie dan ook vaak van alles. Juist vanmorgen tijdens mijn ochtendwandeling. Twee fossiele hoofden! 

Toch wel bijzonder hè, zo direct na mijn droom. De natuur is gewoon een museum. 

Daarover gesproken, moet ik denken aan een vakantie in de Duitse Eifel, jaren geleden met het gezin.
De vakantie waarin mijn man na eindeloos getwijfel voor de toonbank van de Imbiss dan toch zijn keus gemaakt had en Pommes mit Frites bestelde.
De vakantie waarin we de voordeur dicht trokken en niemand een sleutel had meegenomen en we met z’n vijven vervolgens de hond, die thuisgebleven was, opdracht gaven om de deur open te maken, haar door die dichte deur aanmoedigden als een stelletje idioten met piepstemmen en lieve woordjes, en gezamenlijk in gejuich uitbarstten toen het haar inderdaad lukte om de deur te openen.
De vakantie waarin ik het gezin meetroonde om de bierbrouwerij van Gerolstein te bezoeken, om er ter plaatse achter te komen dat Gerolstein geen bier maar bronwater is.
En de vakantie waarin we besloten om kort voor sluitingstijd nog een museum met fossielen te bezoeken.
Daar aangekomen, kwam er net een groep bejaarden naar buiten, om in de gereedstaande bus te stappen.
‘Ach!’ zei mijn dochter. ‘We zijn te laat. De fossielen gaan al naar huis.’

Narigheid

Er zit mij al een poos iets dwars en daar wil ik toch eens over schrijven.
De neiging van mensen om graag over de narigheid in het leven van anderen te praten. Met visite, op een verjaardag, bij een toevallige ontmoeting. Er komen dan mensen ter sprake die dorpsgenoten zijn, of kennissen van ooit en die hebben iets naars meegemaakt. Nu of vroeger. Ken je Piet nog, die heeft kanker. Mien, die vroeger daar en daar woonde, heeft haar man verloren. Truus, die oud-collega van onze achterbuurman, heeft ooit een ongeluk gehad en zit sindsdien in een scootmobiel.
Dit klinkt nu cynisch, maar dat bedoel ik zeker niet zo. Ik kan alleen niet begrijpen waarom zulke dingen breed uitgemeten moeten worden, en dan het liefst op een moment dat er eigenlijk iets gezelligs is: samen bij elkaar zijn.
Waarom willen mensen dit? 

Iedereen maakt in zijn leven nare dingen mee. Daar mag je medeleven over tonen en belangstelling. Als een naaste vriend of familielid iets overkomt, is het niet meer dan normaal dat je dat deelt en de ander daar belangstelling voor heeft en je steun geeft. 

Maar waarom over mensen die je niet of nauwelijks kent of waarmee je 50 jaar geleden in de klas hebt gezeten?
Ik word kriegel als ik merk dat het gesprek alleen maar over ziekte en ellende gaat, en de mensen daarmee dus ook gedefinieerd worden. Alles wat er verder in hun leven is, daar ga je dan aan voorbij. 

Als iemand zo over mij zou praten dan krijg je: ‘Dat is die vrouw uit Leens. Ze heeft astma, daarom kan ze niet alles. Ze heeft een nare scheiding doorgemaakt en is haar broer verloren aan een vreselijk ongeluk. O en haar huidige man heeft een hartaanval gehad.’
Allemaal waar. Maar dat definieert mij niet.
Ik ben die vrouw uit Leens. Die al 20 jaar gelukkig getrouwd is en heel dankbaar is voor haar kinderen en kleinkinderen. Die houdt van tekenen, muziek, handwerken en schrijven. Die het leuk vindt om vrijwilligerswerk in de bibliotheek te doen. Die vrouw die zielsgelukkig kan zijn omdat de zon schijnt, de natuur zo mooi is en een mereltje zingt.
Dat definieert mij.
Waarom praten we niet zo over mensen, als we het dan toch willen hebben over anderen? 

Zijn er dingen die nu spelen: doe er wat mee. Ga er heen, geef steun, stuur een kaartje, wat dan ook.
Zijn er dingen die in het verleden gebeurd zijn: laat het rusten. De mensen hebben er niets aan als wij op een verjaardag allemaal ellende uit hun leven oprakelen, ze zijn er niet eens bij! Ze worden er niet beter van en wij alleen maar teneergedrukt. Niet nodig.
Het heeft gewoon iets masochistisch. En wie wil dat nou.  

Wat speelt er nou?

Over het algemeen vind ik het leuk om spellen te spelen. Maar soms heb ik er een haat/liefde verhouding mee.
Allereerst heb ik geen competitie mentaliteit. Ik wordt er kriegel van als iemand alles doet om maar te winnen, daarbij medespelers benadeelt omdat het bij het spel hoort.
Ik vind het heus leuk om te winnen, maar ik vind het ook leuk om te zorgen dat anderen niet mijlenver achterliggen. ‘Gezelschap’ in gezelschapsspel staat bij mij in hoog het vaandel. Niet omdat ik nou zo geweldig en sociaal ben, maar omdat ik in het algemeen in het leven een bloedhekel heb aan mensen die over alles en iedereen heenwalsen om zichzelf maar te bevoordelen. En dat werkt blijkbaar door in mijn spelbeleving. 

Teamspellen doe ik dan ook graag, zoals Pandemic, Flashpoint en Het Verboden Eiland.
Je hebt een eigen rol, maar die zet je in om met je hele team de eindstreep te behalen.
En vooral Dungeons & Dragons, waarbij je een combinatie speelt van roleplay en dobbelen.
Daarbij moet je zorgen dat je zelf overeind blijft, maar niet minder belangrijk, zorgen dat je teamgenoten dat ook doen. En zij helpen jou, als het tegenzit. 

Toch speel ik ook spellen waarbij je alleen voor jezelf speelt, tegen een ander. En daar komt die haat/liefde verhouding om de hoek kijken.
Het zijn vaak kleine spellen, die we na het eten even spelen, Bert en ik. Yahtzee, Clever en Keer op Keer.
Alles met dobbelstenen. En wat betreft die dobbelstenen zit ik met een grote vraag waar ik nog geen antwoord op heb kunnen vinden, hoe goed ik ook ‘mijn onderzoek’ doe.
Hoe kan het dat de één (Bert in dit geval) over het algemeen veel beter gooit dan de ander (ik)? Niet incidenteel maar structureel? We gooien met dezelfde dobbelstenen op dezelfde ondergrond. En toch gooit hij vrijwel altijd beter dan ik, soms op het frusterende af. Dan lukt het me van geen kant om de benodigde getallen te gooien en hij vult het een na het ander in, verdient daardoor bonussen en wint glansrijk. Hoe dan. Waarom blijf ik het dan toch spelen? Omdat ik het soms toch nog leuk vind om uit te puzzelen wat ik met mijn resultaten kan. Maar er zijn ook periodes dat ik zeg: ik ben er klaar mee, ik speel het niet meer. En dat doen we dan ook inderdaad een paar weken niet.
Ik hoef echt niet altijd te winnen, maar dan wil ik wel graag dat de resultaten nog een beetje bij elkaar in de buurt liggen. Niet dat de winnaar mijlenver boven de verliezer uitsteekt, omdat de laatste veel minder kansen heeft gekregen. Dat voelt niet eerlijk, kan me niet schelen dat het de regels van het spel zijn.
We hebben trouwens een spel, De Kwakzalvers van Kakelenburg, waarbij dat anders geregeld is. Daar krijgen de achterblijvers een bonus om weer wat bij te trekken en dan is het spel leuker en spannender met elkaar, omdat je niet halverwege al weet dat al je kansen om te winnen al verkeken zijn. Maar goed, die spelen we niet met z’n tweeën,  want die is alleen leuk met meerdere mensen. 


Blijft mijn prangende vraag: hoe kan het dat de één over het algemeen slecht gooit met dobbelen en de ander over het algemeen goed. Als dat toeval is, is het wel een hardnekkig terugkerend toeval, wat te toevallig is naar mijn mening.
Wat is dan het antwoord? Nee, niet het spreekwoord: Ongelukkig in het spel, gelukkig in de liefde. Want als dat waar is, zou het ook voor Bert moeten gelden.
Een echte verklaring. Weet jij het?