Maandelijks archief: juni 2022

Wie schrijft, die blijft!

‘Ja, dat kan wel wezen, maar waar blijf je nou de laatste tijd?’ Het kan zomaar zijn dat je dat dacht. Ik heb een aantal zeer trouwe lezers van Daagse Dingen, waar ik echt heel blij mee ben, maar die kunnen wel het gevoel hebben dat ik ze een beetje in de steek laat momenteel. Sporadisch een blog, wat korte verhalen die al eerder geschreven zijn, hoe zit dat? Ik zal het uitleggen! 

Ik ben dus gestopt met de kinderopvang en heb momenteel geen andere baan ,dus je zou zeggen dat ik tijd zat heb om te schrijven. Nou, dat valt in de praktijk nogal tegen. Of eigenlijk mee, om het eens lekker verwarrend te maken. Juist omdat ik meer tijd heb, durf ik het aan om aan grotere schrijfwedstrijden mee te doen. Dus ik schrijf me bij tijd en wijle haast ongans,  zodat ik er zelfs over droom. Maar dat zijn geen blogs voor Daagse Dingen. 

Wat heb ik dan wel onder handen? 
In mei heb ik een heel jeugdboek opgestuurd naar een Vlaamse uitgeverij. Die schrijft sinds de helft van de vorige eeuw jaarlijks een wedstrijd uit. De winnende boeken worden uitgegeven voor basisscholen, om de leesvaardigheid en het leesplezier van kinderen te stimuleren. Dit doen zij dus al jarenlang, er zijn al veel titels verschenen, maar ik heb er nooit aan meegedaan. Waarom niet? Geen tijd, geen durf, geen ideeën, zo simpel was het.

Maar ineens had ik nu alledrie en waagde ik het erop. Het onderwerp en het plot mocht je helemaal zelf bedenken, als het maar boeiend zou zijn voor kinderen in de bovenbouw van de basisschool. Het was een hele klus, omdat ik wel iets van niveau wilde maken. Dus het kwam neer op schrijven, herschrijven, bijschrijven, afschrijven…. Maar het is gelukt! Ik heb een boekje afgeleverd, netjes voor de deadline, waar ik zelf trots op ben. Waar gaat het over? Zeg ik niet! Stel je nou eens voor dat mijn inzending wordt uitgekozen voor uitgave, dan zie je het vanzelf! (reken maar dat ik het dan van de daken schreeuw)
Helaas moet ik wel tot november op de uitslag wachten, maar dat is altijd zo met schrijfwedstrijden. Na de opwinding van de deadline en het inzenden, volgt een eindeloos lange periode waarin je helemaal niks meer hoort. Logisch, alle inzendingen moeten gelezen en beoordeeld worden. Maar als je zelf erg enthousiast en trots bent, dan wil je eigenlijk de week erna al horen: ‘Geweldig, je inzending sprong er helemaal uit, we gaan het uitgeven!’
Jammer dan, zo werkt het niet, dus geduld is een schone zaak.

En nu heb ik een nog veel groter project. Voor de wedstrijd waar ik nu voor aan het schrijven ben moet ik minstens 5 x zoveel woorden gebruiken als voor het kinderboek. Het minimum is 50.000 woorden. Als je bedenkt dat wat ik nu hier geschreven heb 484 woorden zijn, kan je je wel indenken dat het een aardige klus is.

Hiervoor is er wel een thema, namelijk een cozy dectective! En dat is zoooo in mijn straatje! Ik ben een fan van Miss Marple, van Rosemary & Thyme , van Agatha Raisin! Cozy wordt overigens hier met een z geschreven omdat de term ‘cozy detective ‘ uit Amerika komt.
In tegenstelling dus tot het Engelse ‘cosy ‘, wat ik ook gebruikt hebt in de naam van mijn website www.cosymodus.nl, waarop je allemaal huiselijk en gezellig haakwerk kan bestellen, ik maak namelijk alles volgens jouw wensen. Ok, dit is een uitstapje maar ik mag vast wel even reclame voor mezelf maken. Kijk gerust even op de site!

Wij vertalen ‘cosy ‘ meestal met ‘gezellig’. Maar wat is er nou gezellig aan misdaad?  Niks natuurlijk, behalve dat die misdaden gepleegd worden in een gezellige en vaak landelijke omgeving en er een of andere amateur- speurneus het raadsel oplost. Cozy kunnen we dus beter als ‘kneuterig’ vertalen. 

Zelf zo’n cozy detective schrijven vond en vind ik wel een enorme uitdaging. Wie is mijn amateur detective, wie is de side-kick, waar speelt het zich af, wat gebeurt er überhaupt!
Het hele plot zit inmiddels in mijn hoofd, losse eindjes waar ik niet uitkwam heb ik netjes af kunnen werken omdat Bert mij ideeën daarvoor aan de hand deed, en ik heb ondertussen ongeveer de helft geschreven.
Maar wat is dit spannend! Ja, ik hoop natuurlijk dat het verhaal wat leuke spanning geeft, maar het is eert nu spannender hoe ik het moet doen! Alles moet tenslotte kloppen, het moet boeiend zijn, er moet een klein beetje humor in. Ik moet personages bedenken, ik moet een misdaad bedenken, ik moet motieven bedenken, ik moet …. nou ja eigenlijk alles bedenken. En opletten dat ik niet clichématig ben, dat ik geen plagiaat pleeg, dat ik de lezer niet te snel laat weten wie ‘het’ gedaan heeft…

Kortom, ik ben er heel druk mee. Zowel in mijn hoofd als qua tijd. Want ook hier zit een deadline aan natuurlijk. Overigens mag je ook een onvoltooid script insturen, maar dat is niet iets voor mij. Ik moet het af hebben, dan is het goed.
En uiteraard vertel ik ook hier niet waarover het boek gaat! Top secret, cozy of niet.

Zo, met deze uitleg heb ik A:  een nieuwe blog geschreven, B: uitgelegd waarom het de laatste tijd was stil was hier en C: stiekem een beetje reclame gemaakt voor Cosymodus, Huiselijk Haakwerk op bestelling. Want daar heb ik ook nog tijd voor hoor, tijdens het haken kom ik vaak juist op de mooiste ideeën! 

(foto: pixabay)

De vlucht

Ik deed mee aan een mooie schrijfuitdaging, met fotokaarten: Kies 2 willekeurige nummers en ontvang een blauwe en een groene kaart. Schrijf hierover een kort verhaal van rond de 2000 woorden. 
Ik kreeg deze kaarten en schreef hierbij onderstaand verhaal:

(kaarten: 18.02publishing)

De Vlucht

“Klaar voor je grote dag?” Corvus strijkt neer naast zijn kleinzoon en kijkt hem met zijn priemende kraaloogjes aan.
“Ik wil ook mee!” dringt Carrion zich ertussen, voordat haar broer heeft kunnen antwoorden.
“Nee”, zegt Corvus resoluut. “Jij kwam minstens 3 dagen later uit je ei, dus je moet gewoon nog even wat sterker worden. Ik beloof je dat jij ook met me mee mag als je er aan toe bent”. 
Hij wendt zich tot Crowbar, die van zijn ene poot op zijn andere staat te hippen. “Zenuwachtig?”
Crowbar knikt maar zegt dan stoer: “Maar ik kan de hele dag wel vliegen!”
“Dan gaan we!” roept Corvus en hij stijgt met grote vleugelslagen op van het nest. Crowbar doet zijn best om net zo imposant te starten, maar tot zijn ergernis wordt het een onhandig gefladder en hij negeert wijselijk het krassende lachje van Carrion. 
Als hij zijn balans gevonden heeft voelt hij zich zekerder en zweeft uitdagend over het nest.
“Tot ziens, zusje!” schettert hij en voegt zich dan haastig bij zijn grootvader. 

Die vliegt met een rustige zekerheid en Crowbar probeert hem te imiteren.
Corvus went zijn blik naar hem en roept: “Rust en regelmaat!” Crowbar ontspant terwijl hij zijn ritme vindt en het duurt niet lang tot hij net zo gelijkmatig vliegt als zijn grootvader. 
Hij geniet. Hij geniet tot in de punten van zijn slagpennen. Dit zweven, dit vliegen, deze ultieme vrijheid! Niet meer afhankelijk van het nest, weg van zijn zusje en zijn ouders, dit is leven!
“Nu gaan we wat hoger!” roept Corvus en Crowbar merkt tot zijn geluk dat hij hem moeiteloos kan volgen. Hij overstijgt zelfs letterlijk de oudere vogel en hij voelt zich onoverwinnelijk. 
“Ik ben de Koning van de Wereld!” roept hij uit en hij weet dat hij dit moment nooit meer zal vergeten.
Corvus duikt naast hem op en roept: “Kom! Ik wil je wat laten zien!” 
Crowbar volgt zijn grootvader en samen vliegen ze hoog boven … ja wat is het eigenlijk? Crowbar herkent het niet. Het lijkt een rivier maar er is geen water, het lijkt op rots maar het is recht en onnatuurlijk gevormd.
“Koning van de Wereld zei je toch?” vraagt Corvus. “Er is nog eens iemand geweest die dat van zichzelf zei. En die heeft dit laten maken.” 
“Wie was dat?” vraagt Crowbar nieuwgierig. “En wat is het, wat we hier zien?”
“Ik vertel je straks alles”, zegt Corvus. “Ik wil nu eerst dat je goed kijkt. Heel goed kijkt”
“Het is een rivier van steen!” zegt Crowbar. “En hij lijkt eindeloos!”
“Wat zie je nog meer?” dringt zijn grootvader aan. “Dood”zegt Crowbar. “De bomen zijn dood. Ze zijn bruin en verdord en ik zie geen dieren.” 
“Juist”, zegt Corvus.  “Kom, we landen even. Dan kan ik je er rustig over vertellen. Je bent er aan toe”. 

“Hier?” vraagt Crowbar. Hij voelt zich onprettig in deze omgeving, maar hij begrijpt dat zijn grootvader het belangrijk vindt.
“Wat ik je nu ga vertellen hoorde ik van mijn grootvader. En die weer van zijn grootvader en zo verder, een eindeloze rij voorvaderen. Jij moet me beloven dat jij dit ook weer aan jòuw kleinzoon zal vertellen.”
Crowbar knikt. Het bevalt hem dat zijn grootvader hem als een volwassene behandelt, dat hij nu deel mag gaan uitmaken van die lange familietraditie. Het voelt gewichtig.
“Heel lang geleden was er een volk van tweebeners. Niet zoals wij, ze waren veel groter, ze hadden geen veren en ook geen vleugels. Ze hadden zelfs nauwelijks haar, de meesten waren kaal als een worm. Misschien waren ze familie van de viervoeters, ik weet het niet precies. Ze hadden wel voorpoten maar die gebruikten ze niet om te lopen, maar om dingen te pakken en te dragen.
Er waren er veel, heel erg veel. De meesten waren goed. Maar een aantal waren slecht en wilden de anderen overheersen. Toen dat lukte kregen die onderling ook nog strijd en uiteindelijk bleef er éen machthebber over. Die noemde zichzelf de ‘Koning van de Wereld”. Corvus kijkt even schuin naar zijn kleinzoon.
“En hij kon niet eens vliegen”, mompelt Crowbar. Hij vindt het verhaal tot nu toe nog niet zo boeiend en heeft geen idee waarom zijn grootvader dit nou allemaal zo belangrijk vindt. 
“Inderdaad”, knikt Corvus. “Het volk noemde hem Heerser. Hij had de macht. En die steeg hem naar zijn hoofd. Hij wilde iets speciaals hebben, iets dat aan iedereen op de hele wereld liet zien dat hij Heerser was.
Hij ontbood zijn dienaar Hielenlikker, de enige die hij vertrouwde. Die stelde voor om deze stenen rivier te laten maken. Het zou een monument zijn wat zelfs vanuit de lucht te zien was, het zou een grens zijn om zijn volk binnen te houden, het zou een weg zijn om bewakers op te zetten.”

Corvus kijkt naar Crowbar, die ondertussen aan een scheefzittend veertje onder zijn vleugel zit te frunniken.
“XIAU!” krast hij hard.  Crowbar schrikt op. “Ja nou, ik had jeuk en…”
“Xiau!” zegt Corvus nogmaals. 
“Ja u ziet me, maar wat wilt u daarmee zeggen?” Crowbar snapt het niet.
“Xiau was een van de Tweebeners die aan het werk moest voor de Heerser.  Samen met talloze anderen werd hij door Hielenlikker en zijn helpers gedwongen om aan de stenen rivier te werken. “Muur” noemden zij het. Xiau was goed en vriendelijk. Maar hij had het moeilijk. Weggehaald uit zijn huis moest hij werken van zonsopgang tot zonsondergang. Rust kreeg hij alleen op een plek die snel gebouwd was, een paar uur slaap op een koude harde vloer tussen heel veel lotgenoten. Eten was er nauwelijks, 2 keer per dag iets vloeibaars wat ‘soep’ genoemd werd. Xiau wist niet of hij het zou overleven. Hij verloor alle moed en alle kracht. 

Op een avond zat hij met gesloten ogen op de  vloer van het onderkomen toen hij een zacht gekras hoorde. Hij opende zijn ogen en zag een van ons volk voor zich zitten. Het was een verre voorvader van ons, jongen, hij heette Banggai”.

Crowbar knikt, en krijgt wat meer belangstelling. De naam Banggai is beroemd in zijn familie en Crowbar had altijd al het idee dat het een soort held geweest was.
“Banggai was intelligent en nieuwsgierig”, gaat Corvus verder. “Hij had het tochtige stenen nest gezien en hij wilde er meer van weten. Een tijd lang hield hij de plek in de gaten, en hij zag dat het overdag leeg stond, maar dat aan het eind van de dag de tweebenige werkers dodelijk vermoeid arriveerden. Ze kregen hun schamele maal van een paar schreeuwende, weldoorvoede wachters en probeerden daarna uitgeput wat slaap te krijgen.
Eén bepaalde werker viel hem op, omdat hij met zijn rug tegen de wand ging zitten in plaats van te gaan liggen. Zijn ogen waren gesloten maar Banggai wist dat hij niet sliep. Een sfeer van wanhoop en pijn hing zo duidelijk om de werker heen dat Banggai het kon waarnemen. En hij nam nog iets waar, de geest van de tweebener schreeuwde geluidloos om hulp.
Banggai was voorzichtig, maar ook getroffen. Hij vroeg zich af of hij contact kon maken met dit wezen”.

“En lukte dat?” vraagt Crowbar. Hij is nu geboeid geraakt en wil graag weten hoe het verhaal verder gaat.
“Ja”, zegt Corvus eenvoudig.“Banggai en de werker spraken een andere taal. Maar hun geest kon communiceren zonder woorden. Ze vertrouwden elkaar van het begin af aan. Banggai liet toe dat de werker hem aanraakte. De werker liet toe dat Banggai op zijn schouder neerstreek. Alles heel voorzichtig, want dit contact moest tussen hun beiden blijven. Iedere andere werker, of nog erger wachter, zou het kapot maken, daar waren ze beiden van overtuigd. 

Avond aan avond wachtte Banggai de werker op, op de rand van de opening in de wand waar de werker altijd ging zitten. Ze maakten dan oogcontact maar zeiden verder niets. Pas als de anderen sliepen en de wachters buiten rond hun vuur zaten te drinken, vloog Banggai naar de werker toe. Wat in het begin een zacht gekras was, in onze eigen taal, veranderde op den duur in andere klanken, die ze beiden konden spreken en verstaan.
Banggai leerde de naam van de werker, Xiau. En andersom leerde Xiau de naam van onze voorvader.
En dat was niet het enige. Door de aanwezigheid van Banggai begon Xiau weer een doel te krijgen om ’s morgens wakker te worden en ’s avonds terug te keren naar het onderkomen. Het contact met Banggai voorkwam dat hij het opgaf. Hij moest nog steeds uitputtend werk doen, maar hij kon het nu beter verdragen”.

“En toen?” vraagt Crowbar. Hij heeft geen idee hoe dit verhaal gaat aflopen. “Die ‘muur’ is er dus, maar de Tweebeners zijn verdwenen. En de natuur daar is dood, hoe zit dat dan?”
“Dat komt straks”, zegt Corvus. “We gaan het allemaal niet te zwaar maken jongen, het is nu tijd voor wat anders!” Hij stijgt op en roept. “Kom! Probeer maar eens om mij in te halen!”
Dat laat Crowbar zich geen twee keer zeggen, hij lanceert zichzelf bijna om maar zo snel mogelijk weg te vliegen. Hij doet graag met zijn grootvaders spel mee, maar hij wil ook weg van deze nare plek. Corvus draait en duikt, Crowbar doet zijn best om hem daarin te volgen. Hij geniet van de ontspanning en schettert luid van vreugde.
Grootvader leidt hem weg van de deprimerende plek, ze komen weer in groene en gezonde natuur. Uiteindelijk strijken ze neer op de tak van een grote boom. “Hè hè”, zucht Corvus, “Even uitrusten. Dat deed je geweldig jongen, je hebt me goed bij kunnen houden!” Crowbar glimt van trots.
“Ik heb dorst!” zegt hij dan.  “Ik ook”, zegt Corvus, “gelukkig is er hier vlakbij water”.
Ze vliegen langzaam weg van de boom en landen bij een kleine stroom. Als ze gedronken hebben zegt Crowbar: “Grootvader, is dat onderkomen er nog, waar Banggai en Xiau waren? ” 
“Daar kunnen we ook nog wel even heengaan als je dat wilt” antwoordt Corvus,”al is er eigenlijk niets te zien”.
“Ik wil het wel graag”, zegt Crowbar en grootvader knikt. “Kom maar dan” . Ze stijgen weer op een vliegen samen  boven de bomen totdat Corvus zegt: “Daar! Zie je dat witte? Dat is het”. 
Crowbar daalt en ziet de onnatuurlijke scherpe vormen, de kale witte wanden met gaten erin.
Hij landt voorzichtig op de rand van zo’n gat en kijkt naar binnen. Niets, helemaal leeg. Geen voorwerpen, geen geluiden, doodse stilte. 
“XIAU!” roept hij en de echo klinkt als een antwoord. 
“Wat is er van hem geworden?” vraagt hij dan.  

“Ik zal het vertellen”, zegt Corvus.
“ Op een nacht zei hij tegen Banggai; “Ik ben bang dat ik ga sterven. Maar ik wil dat niet hier.” Er kwam vocht uit zijn ogen en Banggai begreep dat het van angst en verdriet was. “Ik help je”, zei Banggai en vertelde hem zijn plan.
De volgende ochtend zagen de wachters een lichaam liggen bij de kuil die de werkers gebruikten om hun behoefte in te doen. Er zwermden zwarte vogels om heen en eentje zat zelfs op de borst en pikte naar de plek waar zijn ogen zaten.
“O, laat maar, die is al dood”, riepen de wachters tegen elkaar. “Die wordt zo wel opgevreten, scheelt ons weer werk” . Ze keken niet meer naar het lichaam om. Toen iedereen was vertrokken naar de bouwplaats ging Xiau, want die was het natuurlijk, rechtop zitten. Banggai en zijn familie leidden hem rustig en voorzichtig naar een veilige plek in het bos.
Ze brachten hem water en voedsel en verzorgden zijn wonden.
Xiau heeft nog een flink aantal maanden in hun midden geleefd en was gelukkig.Toen hij stierf, was dat in vrijheid. “
Corvus kijkt zijn kleinzoon aan en ziet dat die onder de indruk is. “Kom, zegt hij, we gaan hier weg”.
Crowbar gaat mee maar laat het verhaal nog even op zich inwerken. Hij is trots op Banggai en op zijn volk, maar voelt zich triest vanwege Xiau.
Maar als hij weer vliegt, vult het gevoel van vrijheid en geluk zijn hart weer. Toch wil hij nog éen ding weten.
“Grootvader, waarom is alles bij die ‘muur’ zo dor en doods? “ roept hij.
Corvus komt naast hem vliegen. “Wat er precies gebeurd is weet ik niet”, zegt hij. “Maar het komt doordat de Heerser alles vergiftigde. Zijn eigen geest als eerste, en daarna alles in zijn omgeving. Deze tweebeners hadden de beschikking over onnatuurlijke middelen en wapens en dat werd hun eigen ondergang. Wij hebben besloten dat niet verder te onderzoeken. Het leidt immers tot niks goeds.”
Crowbar knikt instemmend en raakt daardoor direct uit balans. “Hahaha”, krast Corvus en dat maakt de stemming gelijk weer luchtig.
“Kom jongen!” roept hij dan. “Wie het eerste thuis is!”

Als Crowbar bijna bij het nest is, verstopt hij zich op een tak dichtbij tussen de bladeren. Hij ziet Carrion in het nest zitten. “Ik zie jou!” roept ze en Crowbar herhaalt zachtjes “Xiau”. Hij grinnikt in zichzelf. Dan vliegt hij naar Carrion toe en strijkt met zijn wang langs de hare. “Hallo lief zusje, daar ben ik weer!”
Corvus landt ook op de rand van het nest en zegt: “Wees maar trots op je broer, want hij heeft zijn eerste lange vlucht fantastisch goed gedaan!”
Carrion kijkt met stralende oogjes naar Crowbar. “Geweldig! En weet je? Over drie dagen mag ik met grootmoeder mee!” zegt ze. “Ze wil me wat laten zien” . 

The Empire strikes back

Trouwe lezers weten dat ik wel van tuinieren hou. Niet het spic-en-span gebeuren, maar het in toom houden van al te wilde groeisels en ondertussen me verwonderen over de ontelbare levensvormen en vormpjes in het kleine eco-stelsel van onze tuin.
Door mijn voorkeuren is de grens tussen wild en verwilderd soms wat vaag, maar ik heb toch echt het liefst een tuin waarin veel natuur te zien is, zowel in flora als in fauna. 

Nu ik de kinderopvang niet meer heb, kan ik ook mijn zoon vaker helpen met zijn tuin. Hij woont in een hoekhuis met aan 3 kanten tuin en het is erg veel om in je eentje te onderhouden. Helemaal als je zo in elkaar zit, dat je meer energie verbruikt dan de gemiddelde mens, om je dagelijks leven op orde te houden.

Gister was ik er ook weer en ging in de voortuin aan het werk.
Zoals gezegd, het is een hoekhuis en aan de andere kant van de straat is een grote berm met daarachter weilanden.
Waar een berm ongerept en prachtig is als er grashalmen, boterbloemen en paardenbloemen groeien, zo waardevol voor insecten en vogels, is het bij de tuin die er 10 meter vanaf ligt ineens armoedig en onverzorgd en niet sociaal geaccepteerd.
Wat dat betreft zit de mensheid maar vreemd in elkaar vind ik. Iedereen is het erover eens dat insecten van levensbelang zijn voor de wereld, en gooit vervolgens zijn bestraatte tuin vol met azijn, om op die manier het enige wat er nog kan groeien, ook tegen te gaan.  Dat je daarmee de grond compleet vergiftigd met zuur en dus ook al die van levensbelang zijnde insecten, dat is blijkbaar dan ineens niet erg. Er zijn nauwelijks nog tuinen met bomen of grote struiken, dus ook geen vogeltjes. Die zouden trouwens toch niks te eten hebben want die insecten en zaaddragende plantjes zijn al dood door het azijnzuur. En dan wel een insectenhotel, een nestkastje en een vetbolletje aan de betonnen schutting hangen, want dat staat zo leuk en ecologisch betrokken.
Ok, ik heb mijn punt gemaakt en zal nu stoppen met afdwalen voordat dit blogje net zo zuur wordt als al die azijn.

Want o ja, ik ging in de tuin werken. Wat extra tuingereedschap en mijn knielbankje mee, op naar Drenthe. Meneer Zeikstra was ook mee. Lenny dus. Echt wat kan die hond zaniken. Dan mag hij daar in huis en in de achtertuin lekker rondstruinen, maar nee er moet gejammerd en geweeklaagd worden. Want ik ben in de voortuin en dat maakt hem de eenzaamste en meest verwaarloosde hond van het westelijk halfrond. Hij werd pas stil toen hij ook in de voortuin mocht, het maakt hem dan blijkbaar niet uit dat hij dan aan de lijn moet. Ik snap hem niet.
Die voortuin was overwoekerd door gras. Hetzelfde gras wat in de berm groeit, dat staat daar natuurlijk heerlijk zijn zaden weg te laten waaien en wrijft zich in de halmpjes dat het vermenigvuldigen zo goed lukt.
En nee, zeg nou alsjeblieft niet: het is een kwestie van bijhouden. Want zo ongecompliceerd is het niet.
Die voortuin is qua samenstelling een diepe ellende. Het is een hoekhuis. (dat heb je na 3x vertellen vast wel begrepen) En ik heb het idee dat toen de huizen gebouwd werden, de voortuin van het laatste huis (dit huis dus) is gebruikt als bouwput voor alle rommel die er overbleef. De grond zit namelijk helemaal, maar dan ook helemaal, vol met puin. Een eindeloze hoeveelheid steenresten. Dit is slechts een stukje oppervlak:

Er zijn serieus al een aantal spaden gesneuveld in de afgelopen jaren.
Graswortels zijn dun. En die kruipen tussen die stenen door, maar dat maakt ook dat ze zo ongeveer vastgemetseld zitten in de grond. En ze gaan zo diep! Volgens mij is het Australisch gras, dat zich vasthoudt aan zijn roots.
En het is natuurlijk groeizaam weer nu, alles ‘brult de grond uit’, om met mijn vader te spreken.
Daar kan geen ‘kwestie van bijhouden’ tegenop, echt niet. 

Dus ik ging werkelijk een gevecht aan. Stukje voor stukje probeerde ik de grond grasvrij te maken.
Er staan een paar leuke struiken: hibiscus, bonte kardinaalsmuts, oleander en brem. Ik prikte en harkte daar keurig omheen, was niet van plan om die planten in mijn strijd te betrekken. Toch voelde de hibiscus zich blijkbaar bedreigd en stak mij venijnig met z’n puntige takken. Ik zei hem daarmee op te houden. Toen ik tot bloedens toe 3x was aangevallen werd ik ook kwaad. Wie niet horen wil moet maar voelen, dus ik knipte onherroepelijk een paar takken af. Eigen schuld. Ik heb hem daarna ook niet meer vernomen.
Behalve gras groeiden er ook een paar planten Ridderzuring. Die hebben, net als paardenbloemen, een penwortel, dus die moet je uitsteken.

Maar goeie genade wat zijn deze penwortels achterlijk lang! Ik bleef maar verder graven en graven en het einde van de wortel kwam maar niet in zicht. Ik zat inmiddels zo diep dat ik verwachtte een veenlijk aan te treffen. Zag de krantenkoppen al voor me. “Vrouw doet belangrijke archeologische vondst en ziet hiermee droom in vervulling gaan” . Wie weet kon ik van het bedrag wat het Drents Museum zou bieden, een hovenier inhuren die de hele puinzooi in de voortuin af zou graven en er goede aarde voor in de plaats storten. 
Het budget hiervoor is namelijk niet aanwezig. Vroeger kon mijn zoon een beroep doen op Buurtsupport, die kwamen met serieus gereedschap in de tuin helpen voor een bescheiden vergoeding. Helaas is dit mooie initiatief, net als vele andere sociale voorzieningen,  wegbezuinigd door onze fantastische regering. Frustratie waar ik nu niks mee kon.
Behalve botvieren op de Ridderzuringpenwortel. Mooi woord voor galgje trouwens.
Ik trof geen veenlijk aan. Zelfs geen potscherven van het Trechterbekervolk. Alleen maar brokjes baksteen en brokjes dakpan en uiteindelijk een toch nog afgebroken wortel van de Ridderzuring. Dus het puntje zit nog steeds in de grond, volgende week zal er wel weer een klein riddertje blij zijn irritante hoofd boven de grond uitsteken. 

Er liep een meneer met een hond voorbij en Lenny vond het nodig om die de stuipen op het lijf te jagen door heel hard te gaan blaffen en vooruit te springen. De hond was echter niet onder de indruk. “Hij is doof”, legde de man uit. Hij begon een heel gesprek over honden en ik ging even netjes staan, vond het onfatsoenlijk om in de grond te blijven graven ondertussen.
Mijn blik dwaalde over de tuin, ik schoot toch al wel op, vond ik. “Nou, ik ga weer” zei de man. “Succes verder, u heeft nog genoeg te doen zie ik”. Altijd fijn als iemand je een hart onder de riem steekt.
Ik ploeterde nog een poosje door, tot zoon thuis kwam van het werk. Hij had een lekker biertje in huis gehaald en dat smaakte briljant na al het harde werken. Toen ik uit het raam keek zag ik wel degelijk een groot verschil met hoe het er ‘s ochtends had uitgezien. The Empire was nog niet helemaal overwonnen maar zijn ongewenste gelederen waren flink uitgedund.

‘s Avonds gingen zoon en ik samen naar de bioscoop, naar The Lost City. Geweldig leuke film.
Over een schrijfster die een belangrijke archeologische vondst doet.
Zie je wel? Dat kan heus wel!