Maandelijks archief: september 2022

Hotel

Als ik met dochter wegga, verloopt niet alles altijd vlekkeloos. Maar blijkbaar kan dat ook als ik met zoon wegga. (conclusie: het ligt aan mij) 

Na een dag op de Hoge Veluwe gingen we naar een hotel, voor diner en overnachting.
Netjes erheen genavigeerd, geparkeerd, tot zover alles normaal.

Met tas en koffertje naar de deur. Deur dicht. Een onduidelijke display met talloze knoppen naast de deur, iets nog onduidelijkers wat een bel zou kunnen zijn maar misschien ook niet… we stonden ons een beetje vertwijfeld af te vragen wat te doen.
Van achter die glazen deur waren we gespot door een mevrouw die gebaren maakte. Wij begrepen het niet. Mevrouw kwam er uiteindelijk aan, deed de deur open en zei: Je kon gewoon de deur opentrekken hoor. O. Het zag er uit als een duwdeur en verder waren we dus ook niet gekomen. 

Eenmaal binnen (sorry, sorry, we begrepen het niet, bla bla bla) zou ik inchecken.
‘Heeft u uw auto hier geparkeerd?’
‘Ja’
‘Wat is het kenteken?’
‘Eh…’
‘Ik ga wel even kijken,’ zei zoon en stevende de deur weer uit. 
‘Kan ik met creditcard betalen?’ vroeg ik. Er zou belastinggeld terugkomen en tegen de tijd dat het geld van de cc afgeschreven werd, stond dat wel op mijn rekening. 
‘Ja natuurlijk. Houdt u hem hier maar even tegenaan.’ 
Pieeeeep. Grote rode letters met een kruis erdoor KAART GEWEIGERD
O, ok. Misschien had ik een functie met chip moeten activeren ofzo. Maakt niet uit, ik betaal wel even met de pinpas. 
Pieeeep. Rood kruis ONVOLDOENDE SALDO. 
Hè jemig. Ik kreeg het een beetje warm. Ik lachte wat ongemakkelijk naar de receptioniste die geduldig terug glimlachte. ‘Moment nog hoor’, zweette ik, terwijl ik bad dat ik nog genoeg batterij in mijn telefoon had en de bankieren-app een keer zou meewerken.
Gebed verhoord, binnen een paar minuten had ik geld naar mezelf overgemaakt en stond het op mijn lopende rekening. Inmiddels was zoon weer terug en ik hoopte dat hij mijn kenteken uit zijn hoofd had geleerd want het duurde nog even voor hij weer aan de beurt was.

Ik slaagde erin om de rekening te betalen, het kenteken werd genoteerd en we kregen allebei een pasje met ons kamernummer. ‘203 en 204, als u hier links de hoek omgaat kunt u de trap of de lift nemen naar de tweede verdieping.’
Wij verzamelden onze spullen en gingen de hoek om. Geen trap. O die zijn we al voorbij. Gestommel en om elkaar heengedraai met rugtassen en koffertjes in de smalle gang, weer terug, en de trap op. Bordje kamernummers gevolgd. Het begon bij 212 en eindigde bij 208. O, waar zijn onze kamers dan? Nog een tochtdeur door blijkbaar. De gang erachter was pikdonker maar door een wonder der techniek sprong het licht aan toen we de deur (die zelfs naar twee kanten kon openen dus daar hadden we geen moeite mee) doorgingen.
Daar waren 203 en 204, recht tegenover elkaar. Gezellig. Als in een filmscène verdwenen we achter de respectievelijke deuren en lieten de gang leeg achter.
Leuke kamer, comfortabel uitziend bed, keurig badkamertje, mooi uitzicht, dik in orde. En kijk nou wat leuk, er staat een goodiebag op het bed klaar!
Nieuwsgierig keek ik erin. Leeg. Het was gewoon een papieren tas waarop je aan kon kruisen wat je in je lunchpakket wilde en dan kon je dat inleveren zodat de mensen in de keuken het konden vullen. Teleurstellend.  Er zat een pen bij, dan hield ik die wel. Ha!

Er werd geklopt. Ik deed open, zoon wilde wat vragen maar op hetzelfde moment begon mijn kamerdeur gealarmeerd PIEP PIEP PIEP te roepen. Wat is dat nou weer. Zoon gauw naar binnen, deur dicht. Stilte.
Even het een en ander overlegd, hij ging de deur weer uit en ja hoor PIEP PIEP PIEP!
Ik werd er lacherig van, duwde hem zo’n beetje de gang op en deed de deur dicht. Stilte.
We knapten ons allebei wat op, rusten wat uit en toen was het tijd om te gaan eten. Ik liep mijn kamer uit. PIEP PIEP PIEP. Allemachtig wat een idioot gedoe. Het hele hotel wist nu wel dat ik in ‘da house’ was. 

We hadden voor de zekerheid gereserveerd in het restaurant en mijn naam stond zowaar op de lijst, dus we kregen een tafeltje.
De serveerster kwam de bestelling opnemen en zei: ‘Ik heb hier staan: Kamer 407, kan ik het daarbij zetten?’
Dat was natuurlijk lekker goedkoop geweest voor ons, maar zo zijn we niet, dus ik zei netjes: ‘Nee dat moet kamer 204 zijn.’  Dat eet en drinkt toch een stuk lekkerder. 
En lekker was het! 
Na het eten gingen we gezellig nog even een drankje nemen in de lounge.
Er stond een indrukwekkende diversiteit aan flessen achter en boven de bar, dus de keuze was enorm.
We kozen allebei toch ons lievelingsdrankje uit en het was zo gezellig dat we er daarna nog eentje namen. De serveerster brak nog een glas. Wij deze keer niet.

Toen was het toch echt tijd om te gaan slapen, de bar ging ook bijna sluiten.
Na al het geloop en gefiets van de afgelopen dag, en de borrels in onze knieën besloten we deze keer de lift te nemen in plaats van de trap.
Ik drukte op de knop waar 2 opstond, we gingen een centimeter omhoog en stopten weer. O. Nogmaals op de knop, weer een centimeter. Dat ging wel even duren zo. Maar zoon kwam op het briljante idee dat we de knop ingedrukt moesten houden. En dat werkte.
Er was geen liftmuziekje maar in dit tempo hadden ze het hele oeuvre van Burt Bacharac kunnen afspelen voor we op de tweede verdieping waren. De lift kroop naar boven en we werden er enorm melig van (de drankjes zullen daar wel bij geholpen hebben) 
Uiteindelijk waren we gearriveerd en konden weer op zoek naar onze kamers.
We wensten elkaar welterusten in de gang en verdwenen in onze kamers (PIEP PIEP PIEP) 

Ik ging nog even lekker douchen en toen ik me afdroogde hoorde ik ‘ergens’ een galmende boze mannenstem buiten iets roepen. Daar bleef het bij, dus ik haalde mijn schouders op en kroop in bed.
Appje van zoon:  

Ik lag te grinniken in mijn bed, de akoestiek hier was verrassend goed, zo bleek. Het hele hotel had het denk ik wel gehoord, en waarschijnlijk het grootste gedeelte van Eerbeek ook wel.
Het had in ieder geval geholpen, de muziek was direct gestopt en we konden heerlijk gaan slapen. Wat we ook gedaan hebben want we konden beiden nauwelijks ons bed uitkomen.
Maar omdat we afgesproken hadden om 9 uur te ontbijten waren we dapper, kwamen netjes op tijd uit onze kamers (PIEP PIEP PIEP)  en zaten we fris en fruitig (mwah…) weer in het restaurant, waar een uitgebreid buffet klaar stond en werkelijk heerlijke koffie. Afgezien van dat zoon theewater in een te klein kopje schonk, dat snel over wilde doen in een grotere en daarbij op zijn bord knoeide zodat zijn kaiserbroodje bijna ging zwemmen en moeders zorgzaam naar het buffet vloog voor een nieuw bord waarbij ze onfatsoenlijk tussen twee mensen doorreikte, we de tafelindeling tot twee keer toe veranderden omdat ineens de zon begon te schijnen en wel precies in ons gezicht, hebben wij in alle rust ons ontbijtje verorberd.

Het uitchecken verliep zonder rare dingen, wat ik nog moest betalen was niet hetgeen de mensen van kamer 407 hadden verbruikt, maar echt ons eigen eten en drinken, dus alles prima. 
Ook konden we de auto met het juiste kenteken weer terugvinden. 
We gingen naar huis, doodgewoon naar huis. Zonder gepiep.

Grote tenen en snotneuzen

Door een reactie van mijn dochter op een Facebookpost over ‘Dingen die je ouders vroeger zeiden’ heb ik vreselijk zitten lachen.  Het was zo herkenbaar, al die dingen die je tegen je kinderen zegt in de opvoeding. Ook die waarvan je tevoren had gedacht: dat ga ik later nooit zeggen. Maar toch doen hè. 

Want blijkbaar is dat van alle tijden.
‘Kijken met je oogjes, niet met je handjes’  zeiden mijn ouders vroeger tegen mij, ik zei het tegen mijn kinderen en ik hoor het nu ook nog ouders tegen hun kind zeggen. Dat valt nog wel mee.
Maar sommige dingen heb ik werkelijk nooit begrepen. Bijvoorbeeld waarom ik niet mocht vragen wat we die avond zouden eten. Want dan kreeg ik als antwoord: ‘Hutskulle met knikkers’, of ‘Husse met je neus ertussen’.  Ik weet niet wat er geheimzinnig was aan het menu, kan hooguit bedenken dat ze daarmee gezeur over ‘dat vind ik niet lekker’  voorkwamen. 

Vroeger dreigden ouders ook met de vreselijkste straffen, die uiteraard nooit uitgevoerd werden, maar die zo over de top waren dat het lachwekkend was.
Als mijn vader kwaad was riep hij: ‘Ik sla je kop d’r af!’
Mijn oom brulde tegen zijn kinderen: ‘Ik slinger je het raam uit!’ en de vader van mijn vriendinnetje schreeuwde : ‘Ik sla jullie met de koppen tegen elkaar!’ 
Echt hilarisch en nu niet meer voor te stellen dat vaders dat zeggen, je hebt gelijk de jeugdzorg aan de deur. Maar toen had iedere vader wel zo’n krachtterm die door niemand echt serieus genomen werd, het gaf alleen aan dat pa nu echt heel kwaad was.

Moeders waren vaak iets genuanceerder, zij betrokken hetgeen wij ze aandeden meer op hun eigen persoon: ‘Jullie halen me het bloed onder de nagels vandaan’ en ‘Ik bega nog eens een ongeluk aan jullie’. Ik was daar zelf meer van onder de indruk dan van de loze dreigementen van de vaders. 

Kinderen moesten ook hun plaats weten in de wereld van de volwassen, in de jaren ’60 en ’70.
‘Als grote mensen praten moeten snotneuzen hun mond houden.’  
Of: ‘Bemoei je er niet mee, je hebt de kringen van de pot nog in je kont staan.’ 
Of gewoon heel kort:  ‘Snotaap!’ 

En ook zulke rare dingen! Iedereen kent wel, als je een gek gezicht trok: ‘Als de klok slaat blijft je gezicht voor altijd zo staan’.  Maar ook:  ‘Als je je ouders slaat, groeit je handje boven je graf.’ Hoezo zeg je dat, waar slaat dat op!

En natuurlijk de clichés waarvan sommigen echt tijdloos zijn. De top 10 uit mijn eigen jeugd: 

10. Dan ga je maar met je grote teen spelen’ als je je verveelde.
9. ‘Je bent niet van suiker’ als je door de regen moest.
8. ‘Ben je in de kerk geboren?’ als je de deur open liet staan
7. ‘Dan maak je maar zin’  als je ergens echt geen zin in had
6 ‘Je rust toch uit’  als je niet kon slapen maar niet uit bed mocht komen
5. ‘Kindertjes in Afrika snakken ernaar’ als je je bord niet leeg wilde eten
4. ‘Praat ik soms Chinees?’ als je niet luisterde of wilde luisteren
3. ‘Zit je hoofd er nog op? ‘ als je huilde omdat je gevallen was (of ‘Kom maar hier dan zal ik je oprapen’)
2. ‘Kinderen hebben niks te willen’ als je een zin begon met ‘ik wil’

En met stip op nummer 1:
‘Omdat ik het zeg!’ 


En ja ik moet bekennen dat ik zelf ook wel een aantal van die clichés heb gebruikt als moeder. Ook al had ik me voorgenomen dat nooit, maar dan ook nooit te doen, omdat ik me er als kind kapot aan ergerde.
Maar als oma ga ik dat natuurlijk gewoon ècht nooit doen hè? Dat snappen jullie wel.

Vlot

Vandaag begint volgens de kalender de herfst. Het weer is net als mensen die nu al pepernoten kopen: niet kunnen wachten tot het zover is en alvast maar beginnen. Dus afgelopen weekend en maandag was het een en al regen, storm en kou.
Maar vandaag is het heerlijk! Zon schijnt, prettige temperatuur, bijna geen wind.
Ik verkeer nog steeds in de gelukkige positie dat ik de tijd aan mezelf heb en ter plekke kan uitmaken waar ik zin in heb. En ik had zin in een lange wandeling, Lenny heeft altijd zin in een lange wandeling, dus we gingen gewoon.
De ochtendzon scheen door de nevels boven het land, dat er inmiddels weer anders uitziet als een paar weken geleden. Uien en aardappels zijn gerooid, dat land is zwart en leeg. De rode kool staat nog in grote rijen op het land, evenals de maisplanten, die hoog en vergeeld boven de grond uitsteken.  
De paarden en koeien staan nog in de weiden, er is nog genoeg gras.
Oké, tot zover het agrarisch bulletin van vandaag. 

Het stuk wat ik wilde lopen duurt ongeveer anderhalf uur en halverwege steek je een kanaaltje over. Ik heb hier al eens eerder over geschreven in Open,  maar vandaag was het niet zo spiritueel als toen. Integendeel.
De brug is vervangen, dat was ook wel nodig want ik verwachtte echt een keer door het dek heen in het kanaal te storten. En ik ben natuurlijk niet de enige die van die brug gebruik maakt. Het was een erg steile brug waarbij je zo ongeveer Alpineskills nodig had om die te beklimmen en weer af te dalen, maar de nieuwe brug is langer en daardoor minder steil. Prettig! 

Ik hoorde van een afstand al gebrom, er stond vandaag een apparaat op de brug. Netjes aan de kant, we zouden er makkelijk langs kunnen. Op het water, vlak naast de brug, waren twee mannen bezig met slangen en pompen om het kanaal te schonen of zoiets, en die slangen waren aangesloten op het apparaat. Dat ding maakte een flink kabaal, wat nog versterkt werd door de houten brug, die als een klankkast werkte. En ik voelde het al aankomen: daar gaat Lenny nooit langs.
Maar ik liep resoluut verder, ik dacht: als ik doe of er niks aan de hand is, loopt hij misschien wel mee.
Natuurlijk niet, hij ging vol in de ankers. Hij dook in elkaar en keek me met zielige oogjes aan, die zeiden: ‘Mens toch, je weet toch wel dat dit teveel gevraagd is?’
Ja dat wist ik ook wel. Al van pup af aan is hij bang voor van alles in de grote boze mensenwereld. En dan raakt hij de kluts kwijt en gaat zitten.
Een aantal dingen hebben we hem kunnen leren:  langs een container lopen (zie je wel, die doet niks!), langs wapperend afzetlint of verkeers-pionnen lopen (zie je wel, die doen ook niks) en dat soort dingen.  
Maar dit, een groot ronkend apparaat op de smalle brug met een nog smaller paadje om erlangs te kunnen, dat was toch echt teveel voor hem. Ik stond nog even te vleien met lieve woordjes, maar hij stond inmiddels te bibberen met zijn staart zover tussen de poten dat die er zowat aan de voorkant weer uitkwam. 
‘Kan u er niet langs?’ riep een van de mannen van beneden.
Ik keek over de reling.  ‘Jawel, maar mijn hond durft niet,’ schetterde ik boven het lawaai uit. 
‘Zullen we hem even afzetten?’ brulde de man. 
‘O dat zou heel fijn zijn!’ schreeuwde ik terug. Zo aardig hè, die kerels.
Ik dacht dat er eentje op de kant zou stappen, de brug op zou lopen en het apparaat uitschakelen. Maar dat ging zomaar niet!

De mannen stonden op vlotten. Ze overlegden even, en eentje koppelde de slangen waar hij mee bezig was af en ging met een paal aan het bomen. Zijn vlot kwam in beweging en dreef traag onder de brug door. Toen gleed hij langzaam naar de oever en probeerde hij aan te leggen aan de kant. Dat lukte niet, ik zag niet precies wat er was, maar volgens mij kreeg hij geen grip op de bodem met zijn boompaal. Dus hij ploeterde nog een stukje verder. Ondertussen voelde ik me hoe langer hoe meer bezwaard. Als ik geweten had hoe lastig het voor die man was om het apparaat uit te zetten, had ik wel geprobeerd Lenny op te tillen en langs het apparaat te sjouwen. Maar nu was hij al zolang bezig, dat ik niet meer durfde te zeggen: ‘Laat maar, ik draag hem wel.’
Ik aaide Lenny over zijn kop, het enige stukje hond wat niet bibberde en probeerde hem zo wat gerust te stellen.
Uiteindelijk vond de boom blijkbaar vaste grond en kon de man het vlot vastzetten. Hij stapte als meneer Wijdbeens op de kant, ik was blij dat hij niet tussen wal en schip terecht kwam. 

Hij kwam de brug op en drukte op een knop. Dat was alles, een weldadige stilte viel.
Lenny kwam overeind en wilde nu wel meelopen. Ik bedankte de man een keer of honderd dat hij al die moeite wilde doen voor ons, hij was bijna een kwartier aan het ploeteren geweest. En zometeen moest hij ook weer terug.
‘Och, zei hij, terwijl hij naar Lenny keek. ‘Het is ook allemaal nieuw en erg spannend voor zo’n jonge hond.’
Ik knikte glimlachend en had het hart niet om te zeggen dat Lenny al 8 jaar is.
We renden zo’n beetje de brug af terwijl ik nog een keer ‘Bedankt!’ riep, voordat het apparaat weer begon te ronken. 
De pauze bij het steigertje hebben we maar even overgeslagen nu, we hadden al pauze gehad op de brug. 

De moraal van dit verhaal: 
Deze mannen deden moeite om Lenny en mij te helpen, gewoon uit goedhartigheid.Ze bestaan nog, zulke mensen. En dat maakt mijn hele dag goed.


Daar gaan we weer!

‘Als we de metingen van nu vergelijken met die van 5 jaar geleden, kunnen we zien dat uw longfunctie flink verbeterd is. Weet u misschien hoe dat zou kunnen komen?’ 
‘Ik ben 4 jaar geleden begonnen met sporten. Fitness, conditietraining. 2x in de week, consequent. ‘
De doktoren keken elkaar even aan. ‘Het werkt dus ècht he, dit is het bewijs!’ zeiden ze tegen elkaar.
Ik knikte ijverig, ik had zelf ook gemerkt dat, na het moeizame begin (totale desinteresse in sport), mijn slechte conditie enorm verbeterde en ik mezelf daardoor een heel stuk fitter voelde. Dat hield me ook gemotiveerd om die 2x in de week vol te houden.  

Het was destijds namelijk het enige wat ik zelf kon proberen toen het alsmaar achteruit ging. Steeds vaker benauwd, om de haverklap longontsteking, steeds zwaardere medicatie, ik werd er bang van. Een hekel aan sport ja, maar nog veel meer hekel aan de gedachte dat ik over een paar jaar ernstig belemmerd zou zijn in mijn leven, als het zo doorging. Dus ik ging.
En het hielp, dat was overduidelijk. 

Maar nu had ik al een jaar ‘niets’ meer gedaan. Eerst een paar maanden niet kunnen lopen, en in de tussentijd ging de sportschool hier definitief dicht. En ik zat ook niet meer dagelijks op de bakfiets, die geen trapondersteuning heeft, dus die ook goed was voor mijn conditie.
Ik heb van de zomer wel gezwommen, maar daar vond ik echt niet veel aan. Omdat het moest, meer niet. Want anders zou ik weer terugvallen naar het punt waar ik niet meer wilde zijn.

Maar vanmorgen is er een nieuwe periode gestart, eentje van weer consequent twee keer in de week naar de sportschool. In Winsum is een prachtige nieuwe geopend, en ik ga daar met mijn schoonzusje heen. Samen is nog wel zo gezellig!
Alles nieuw daar, maar na mijn sportervaringen hier, toch ook wel vertrouwd. 

We zeiden: ‘We gaan rustig opbouwen.’ En we hadden best een hoge pet op van ons eigen kunnen. Viel dat even tegen! 
We starten op de loopband.  ’20 minuten’ zei C. enthousiast.
Dat konden wij tevoren ook met gemak.  Ik had destijds zelfs intervallen met lopen en hardlopen.
Ja, dat was destijds, haha. 5 km per uur nu, en na 10 minuten dacht ik: Poeh, ik ben wel even klaar geloof ik. Zij dacht hetzelfde. Dat schept een band. 

Daarna kregen we buikspieroefeningen van een begeleidster. Ze legde alles netjes uit, wij probeerden steunend haar na te doen en toen ze wegliep zei ze:  “Deze 4 oefeningen en dan 10x’.
Wij keken elkaar aan. ‘Weet jij ze allemaal nog?’ ‘Nee, jij?’ ‘Moest het nou zo?” ‘Nee, volgens mij moest je daarbij plat liggen.’ ‘Ik weet er nog maar drie, wat was die vierde?’ ‘Ik weet het ook niet meer.’ 
We rommelden wat aan en telden wat tot 10, we puften en steunden en toen vonden we dat we klaar waren. Tijd voor het volgende. 

Roeien! Dat konden we. Splinternieuwe roeibank, 10 standen, begeleidster zette hem op 2. 
Grote genade wat ging dat zwaar! Echt, mijn schouders trilden en ik had vele zweetdruppeltjes op mijn voorhoofd. Ik zette het ding op 1 hoor, dit was niet te doen. 
Ik roeide voorheen met gemak 20 minuten, nu lag ik na 5 minuten haast naast het bankje, het ging echt niet verder.  

‘Willen jullie even buiten iets doen?’ vroeg het meisje. Ik wilde gelijk reageren met ‘ja graag!’ maar had ineens een visioen van bootcamp en zei aarzelend: ‘Eh…’ 
‘Kom maar,’  zei ze. “We hebben hierachter een grasmat. Dan gaan we met ballen gooien en smijten.’ 
Dat klonk leuk en eigenlijk was het dat ook. Sowieso al heerlijk om buiten in de koele wind te staan. Een bal van 3 kg moesten we optillen, omhooggooien en laten vallen, een bal van 6 kg optillen en neersmijten.  Beide 3 sessies van 10 x. 
We deden dit dus gewoon hè, allebei de oefeningen, dus 60 x in totaal. Daar waren we dus wel trots op!


Maar ik was inmiddels al flink moe en had stijve benen. Nog maar even rustig fietsen als afsluiting dan, 10 minuutjes. Maar ook nu dacht ik na 5 minuten:  het…gaat…niet…. meer. 

Klaar dan!

Dat was de eerste sessie en ondanks dat het niet vergelijkbaar was met wat ik vorig jaar nog kon, was ik heel tevreden en voelde het ook echt goed!
Morgen misschien iets minder, ik voel nu al dat ik enorme spierpijn ga krijgen. Maar dan weet ik tenminste dat ik weer wat gedaan heb. 

Donderdag gaan we weer. Dan gaan we Power Yoga doen. Ik ging even googlen wat dat inhoudt. En vond de foto’s die ik tegenkwam nogal intimiderend. 
Waarom zijn het op zulke foto’s altijd superslanke, strakke jonge vrouwen die alles al kunnen? Die de zwaartekracht en de anatomische wetten negeren om in de meest onwaarschijnlijke posities te gaan staan? 
Waarom nooit niet-zo-slanke vrouwen van in de zestig, die nog gaan beginnen?  Dat levert vast veel leukere foto’s op.