Alle berichten door Annelies

Prietpraat (11)

Toch weer tien nieuwe Prietpraatjes verzameld!
Dus hier is aflevering 11:

Ik heb hier een 5-jarige filosoof:
“Waarom is 100 eigenlijk veel? Het is alleen maar een 1 en twee nullen!”
Ik ben hem het antwoord schuldig gebleven…..

Twee jongens van 5 en 6 jaar spelen samen.
De een zegt: “We doen een slaapfeestje!”
“Hè nee hoor”, zegt de ander. “Ik wil gewoon een wakkerfeestje

Er komt een kleuter huilend aanlopen. Ik vraag wat er gebeurd is.
“Ik heb een schaaf! Ik struikelde over de stoeprempel”

Mijn werk is nog wel eens een gespreksonderwerp. Ik begin er niet over hoor, dat doen ze zelf. Ze hebben er alleen niet zo’n hoge pet van op.

Kleuter tegen mij: “Jij hoeft niks meer tegen Pietje te zeggen hoor! Ik heb hem al waargeschuwd”

Kleuter: “Het komt wel goed uit zeg, dat jij een oppas bent. Jij bent toch altijd thuis”

Jongen van 7: “Jij hebt echt de meest simpele baan die er bestaat. Je hoeft alleen maar voor kinderen te zorgen en het zijn niet eens je eigen kinderen”

Ok dan. (mompelt iets over een eigen bedrijf opgebouwd hebben….)

Eten is ook belangrijk

De twee jongens van 5 en 6 jaar zijn aan het bouwen.
“We maken een Pizzeria!” zegt de een enthousiast. “Waarom niet een patatteria?”vraagt de ander verongelijkt.

“Was het leuk gister?”, vraag ik na het weekend aan een kleuter
Ja! Wij aten Barbie Kieuwen!” *

Ik geef de kinderen wat Pommbär-tjes, gezellig op een vakantiedag.
“Lekker, berechipjes!” zegt een kleuter
Ikke ook berepisjes!” roept de peuter

De kinderen spelen politieagentje. Er worden zware straffen bedacht.
“Ik ga even donuts voor ons halen!” roept de 5-jarige. “Maar niet voor de boeven! Die krijgen alleen groente!”

*kom je er nou niet uit: “Barbecuen”

Prik

Het lampje van het antwoordapparaat knipperde. Ik drukte het in en er klonk een blikkerige stem die monotoon opdreunde: ”U-heeft-een-af-spraak-op-(datum)-om-(tijd).”
Het leek Robin de Robot van Bassie en Adriaan wel. Verder geen afzender of zoiets, maar ik dacht: volgens mij is dat van de GGD. Blijkbaar had ik het huistelefoonnummer opgegeven in plaats van mijn mobiel en dan krijg je een ingesproken sms. En hoe snel de techniek ook gaat, dit klinkt nog als iets uit de tijd dat het ‘jaar 2000’ nog science fiction was.
Maar goed ik had het ook zeer ouderwets handgeschreven in mijn papieren agenda staan, dus ik had er al op gerekend dat ik mijn 2e prik zou gaan halen.
De eerste keer kon ik zo doorlopen, zwaaide ik gezellig naar een bekende en stond snel weer buiten.
Nu stond er een verkeersregelaar op de parkeerplaats en een rij mensen voor de ingang.
Ik zette de auto netjes waar ik heen gedirigeerd was en sloot met gepaste afstand aan in de rij. Het was heerlijk weer. De man voor me draaide zich om en zei: “Nou het is in ieder geval droog”.
“Lekker zo, in de zon hè?” antwoordde ik.
“Ik heb zonneallergie” zei de man nadrukkelijk. “Wat vervelend”, leefde ik mee.
Ik had mijn face-shield in de hand, ik krijg het erg benauwd van een mondkapje en dit is een alternatief daarvoor.
“Ik zie dat u dezelfde hebt”, wees de man en hield zijn identieke exemplaar omhoog. Vervolgens kreeg ik een hele verhandeling over al zijn gezondheidsproblemen en waarom hij geen mondkapje kon dragen. Ik zei af en toe maar eens “hm-m” of knikte wat. De rij mocht van mij wel wat sneller doorschuiven.
Toen begon hij over de operatie aan een abces op zijn ellenboog en dat het er nu zo raar uitzag. Ik zegende de zonneallergie waardoor hij lange mouwen had en ik het niet hoefde te aanschouwen.
Inmiddels stond hij bij de ingang en de persoon die de mensen ontving vroeg naar een identiteitsbewijs en of hij een gezondheidsverklaring bij zich had. Tot mijn starre verbazing zei de man: ” Die heb ik niet nodig.” Maar ik bemoei natuurlijk niet.
Toen was ik aan de beurt. “Heeft u alles bij u?” vroeg de gastheer, “Identiteitsbewijs, gezondheidsverklaring? Laskap? Bloemetjesjurk? ”
“Jazeker”, zei ik, “Stond allemaal in de brief. De bloemetjesjurk was nog even zoeken maar het is gelukt.”
“En het gebak voor de medewerkers?” ging hij verder. “Oei, ik heb de kleine lettertjes niet gelezen”, zei ik en de man vond dat hilarisch. Het moet ook supersaai zijn om de hele dag dezelfde vragen te stellen.
Ik moest in de rij voor Pfizer, er was een andere voor Moderna. Vandaar dat het zo druk was.
Toen ik aan de beurt was om in een prikhokje te gaan, werd ik aardig ontvangen door een mevrouw die mijn gegevens controleerde en me verzocht om op de blauwe stoel te gaan zitten.
Daar kwam de prikzuster binnenstevenen en keek direct naar mijn face-shield.
“Heeft u toestemming voor dat kuchscherm?” viel ze snibbig met de deur in huis. Ik begin meestal met ‘goedemorgen’ of iets vergelijkbaars.
“Jazeker”, zei ik. Ze had immers niet gezegd van wie ik toestemming nodig had en ik vond dat het mocht. “Astma?”blafte ze. Ik wou haast zeggen: “Nee, Annelies” maar ik dacht niet dat ze dat leuk zou vinden. Dus ik knikte braaf. Geen reactie. Ze ging rechts van mij zitten en pakte een injectienaald. “Ik wil graag in mijn linkerarm geprikt worden”, zei ik snel. “Dan moet u omdraaien!”, kribde ze. Wat een arbeidsvreugde.
Binnen een halve seconde was ik ingeënt en het hokje weer uitgebonjourd, ik hoefde blijkbaar niet eens een pleister.
Wat ik wel wou was mijn rijbewijs terug en een bevestiging van vaccinatie. Maar de andere mevrouw riep me vriendelijk terug en gaf me mijn spullen.
Toen moest nog even een poosje in de wachtkamer zitten. De vorige keer was ik al verwend met de aanwezigheid van een lolbroek en verdorie, vlak na mij kwam hij ook weer binnenzeilen.
“Kom je me nog even onderzoeken hahahahaha (tegen de mevrouw van de EHBO) want mijn vrouw weet niet dat ik hier ben hahahhhahaha. Nou ik ga zo weer naar huis hoor, hahahhahaha, want er is geen koffie, hahahahaha ”. Van mij had hij direct wel gemogen ,maar gelukkig zag hij een bekende, ging daar zo dicht bij zitten als mocht en vuurde daar zijn grappen en grollen op af.
Ik ging weg toen de klok zei dat ik mocht, lekker de zon weer in. Ik stapte in mijn auto en reed achteruit de parkeerplek af en draaide naar waar ik vandaan was gekomen.
Er werd driftig op mijn raampje getikt! Ik deed het een stukje open en keek vragend.
Een totaal onbekende man, in gewone kleding dus geen verkeersregelaar en ook niet iemand van de GGD, vertelde met veel ge-gebaar dat ik via de andere kant de parkeerplaats af moest. Het is mij een raadsel waar de man zich mee bemoeide:
A. Er was geen route of in- en uitgang aangegeven
B. Er waren geen verkeersregelaars die zeiden dat ik een andere kant op moest
C. Er reed he-le-maal niemand op het stuk waar ik geparkeerd had.
Dus ik wuifde vriendelijk en dacht: bekijk het, en reed gewoon de parkeerplaats af waar ik wou. Verkeersregelaar groette nog even. Alles dik in orde dus.
Geheel trouw aan mezelf wist ik vervolgens niet meer welke kant ik de weg moest opdraaien, koos uiteraard de verkeerde kant en reed over een brug waar ik op de heenweg helemaal niet langs gekomen was. Maar ik deed alles vol zelfvertrouwen, mocht de man van de parkeerplaats me nog nagekeken hebben. Ik heb dan wel een face-shield maar ik hou niet van gezichtsverlies.
Overigens woon ik inmiddels lang genoeg in deze omgeving om op den duur iets bekends te zien, dus ik ben zonder problemen thuisgekomen, gevaccineerd en wel! Ik ben er klaar mee.


Simpel

Zelfkennis: ik ben best intelligent maar mijn gevoel voor humor is bedroevend simpel.
Wil je me aan het lachen maken, struikel dan of verspreek je, succes verzekerd.
Ik ben zo iemand die het mopje “ Het is groen en het zit op een hekje….. Verf” vreselijk grappig vindt en helaas iedere keer opnieuw ook nog.


Vroeger kwam ik al niet meer bij om Doc, een van de 7 dwergen van Sneeuwwitje, die alle woorden door elkaar haalde. “Welkom Hoge Uwheid, Stajemeit!” etcetera. En met de loop der jaren is wel de ouderdom maar niet de wijsheid gekomen want ik ben nog net zo simpel.

Het is soms een beetje genant als ik moet lachen, want dan kan ik niet meer stoppen. Mijn kinderen fluisterden in de bioscoop wel eens dringend “Maham!” als ik in scene 7 nog steeds zat te gieren om een grapje in scène 2.
Of iemand doet iets geks of verspreekt zich en ik kan nooit meer ophouden met lachen.

Dat ik inmiddels al 17 jaar met Bert samen ben is niet mijn verdienste. Op de eerste date notabene, moest ik wel zo hard en vooral veel te lang lachen omdat hij in zijn ijswafel beet, die omklapte en als een masker zijn halve gezicht bedekte (nu zouden we zeggen: een soort mondkapje van koek) dat ik dacht dat hij ontzettend op mij zou afknappen. En ik had het hem niet eens kwalijk kunnen nemen.
Het is echt erg, onderweg in de auto naar huis zat ik er weer om te gieren en thuis vertellen ging al helemaal niet.

Versprekingen vind ik ook erg leuk. Dochter vertelde van de week dat ze in het pannenkoekenhuis ging bestellen, ze had een appel-spek pannenkoek gekozen.
“En ik wil graag een spekkel” zei ze tegen de serveerster. Goed dat ik er niet bij was, want ik had onder tafel gelegen.
Het hoogtepunt der versprekingen is voor mij wel eentje die al 40 (!) jaar geleden gemaakt werd. Ik zat met een paar anderen in de feest/activiteiten-commissie van ons muziekkorps en we zouden een fietspuzzeltocht uitzetten. Ik maakte de vragen en R. de route. Ik vroeg: “Gaat er nog een stukje door het bos? “
“Trajie drel”, antwoordde R. Ik verslikte me in mijn koffie en had minstens een half uur nodig voordat ik kon vragen wat hij bedoelde. En zelfs die vraag kon ik alleen nog maar piepend uitbrengen. Ik moest bijna gereanimeerd worden.
“Traject drie wel” had het moeten zijn. Nu ik dit vertel heb ik alweer lachtranen in mijn ogen. De arme R. voelde zich nogal ongemakkelijk door mijn buitenproportionele lachbui maar ik kan het niet helpen, zo gaat dat bij mij.
Maar zelf verspreek ik me ook hoor. En daar moet ik net zo dom om lachen als om die van een ander. Toen ik wilde vertellen dat ik naar The Planets Funniest Animals ging kijken, maar het had over The Funniest Planimals vond ik dat nog leuker dan het hele programma.
Het helpt ook wel eens als ik geïrriteerd of kwaad ben. Een verspreking relativeert het ineens en dan is het niet zo zwaar meer.
“Hou nou eens op!” riep ik zojuist naar de hond, die de halve ochtend al knoertvervelend liep te doen in de tuin, terwijl ik zo lekker op mijn stoeltje wilde handwerken. “Ik wil meer dan drie haken kunnen steken voordat ik weer achter jou aan moet!” Het effect van mijn bozigheid ging direct helemaal verloren , ik schoot zelf in de lach en hond was blij.

Dat ik moet lachen om struikelpartijen is niet bijzonder, gezien de jarenlange reeks van Lachen om Homevideo’s en aanverwante programma’s. Heel veel mensen vinden dat leuk. Het is natuurlijk helemaal niet grappig als iemand zich pijn doet, het is puur de gekkigheid van de bewegingen. Slapstick.
Maar ook genant. Ik herinner me dat mijn vriendin me vroeger een keer wegsleurde omdat een man op het station zo’n haast had dat hij van de trap afviel, zijn aktentas vrolijk zelfstandig mee de trap afhuppelde en beneden nog een stukje doorschoof. Het was zeer onbeschoft van mij om onbedaarlijk in de lach te schieten maar ik kan het echt niet helpen.
De man stond overigens weer op, het is niet zo dat ik hem had laten liggen als het fout afgelopen was. Ik ben niet ongevoelig. Ik lach ook niemand uit.
Ik lach puur om de situatie.

En om mopjes die eigenlijk te dom zijn voor woorden.

Er springt een kikker van een flat. Kwak.



Waar gaan we heen

Vandaag ben ik in een filosofische bui. Dat heb je soms. Daar kan ik dan ook wel weer over gaan filosoferen, hoe dat komt, maar dan wordt het een saaie blog.
Wandelen in mijn eentje is de ultieme gelegenheid om mijn gedachten de vrije loop te laten. (nou, wat een leuke woordspeling al zeg ik het zelf)
Soms levert dat een heerlijk leeg gevoel op (mijn hoofd zit echt altijd veel te vol), soms kom ik tot oplossingen van vraagstukken die me stress geven en soms vlieg ik gewoon alle kanten op met mijn gedachten en zie ik wel waar ik uitkom. Dit in tegenstelling tot mijn wandelroute, want die heb ik graag gestructureerd. Ik hou best van verrassingen maar niet degene die te maken hebben met verdwalen en in tijdnood komen.
Hond houdt ook van wandelen. En het maakt hem niet uit dat we nogal eens dezelfde stukken lopen. Iedere keer ruikt het voor hem toch weer anders, is zijn stemming anders, is het ander weer, komen we andere dingen tegen. Waar ik nog wel eens denk: hè nou al weer dat pad, dat heb ik al honderdduizendmiljoentachtig keer gelopen, denkt hij: LEUK! Wandelen!
Ik kan nog een voorbeeld nemen aan zijn instelling.
Vandaag is het lekker weer en ben ik net zo blij als hij. Ik ben erg gevoelig voor de “kleur van het weer” zoals ik het vroeger noemde. Is het grauw dan voel ik me ook grauw.
Nu leef ik helemaal op en heb ook echt zin om te wandelen, ook al is het een vertrouwde route. Nu alles zo groen is en in bloei staat, de zon warm is, de wind lekker aanvoelt, heb ik veel meer oog voor al het moois.

We komen langs de oude wegwijzer. Dat ding intrigeert me al zolang ik hier woon. Het wijst naar niets en nergens. Ooit, heel lang geleden, zullen er plaatsnamen opgestaan hebben. Of misschien de namen van boerderijen. Het is een lage wegwijzer, zoals ze nu niet meer gemaakt worden.
In 2013 heb ik er al eens een foto van gemaakt. Ik maak er nu in 2021 nog een.

In die 8 jaar is het metaal nog verder verroest, zijn de gaten groter geworden, is er nog minder van dit aandenken aan vroeger over.
Niets weerstaat de tand des tijds. Zelfs onze eigen tanden niet.
Hoe oud zou het bord, of wat daar van over is, zijn? Welke ogen hebben de letters gelezen, wie is er langs gekomen en op welke manier? Ook lopend? Of met paard en wagen? Misschien met een vélocipède. Of met een van de allereerste trekkertjes.
En wat heeft er op de wijzers gestaan? Het is niet meer te achterhalen.

De echo’s van vroeger zijn verwaaid, geen ratelende wielen en klepperende hoeven meer, geen geluid van houten klompen. Er is nu alleen nog een fietspad, waar de e-bikes langszoeven en een enkele wandelaar met een hond loopt. Het doorgaand verkeer raast over de provinciale weg die er parallel aan loopt, geen automobilist kan het wegwijzertje nog zien. Misschien alleen een vrachtwagenchauffeur in zijn hoge cabine.
Er is zoveel veranderd in de jaren, zoveel vernieuwd, aangepast, gemoderniseerd. Maar dat bordje is er nog.
Zou er ooit iemand gedacht hebben: dat heeft een historische waarde, we laten het staan? Of is het gewoon over het hoofd gezien, is het de moeite niet waard?
Vroeger een ijkpunt in het landschap, een wegwijzer die je hielp je richting te kiezen.
Nu een onbeduidend stuk oud roest.
Maar ik vind het ding echt prachtig. Het is zo symbolisch.

We kiezen onze richting en het is ons (meestal) duidelijk waarheen. We hebben het druk en alles is belangrijk. Maar later, als wij er niet meer zijn en onze blauwe ANWB borden vervangen zijn door hologrammen die corresponderen met de navigatie-app, of misschien wel helemaal verdwenen omdat men alleen nog in zelfrijdende auto’s op pad gaat, zijn wij net zo als de mensen die deze wegwijzer gebruikt hebben. Niemand weet dan nog wie we waren en waar we heengingen en waarom.
Laat ik maar eens wat minder druk zijn in mijn hoofd. En niet alles klakkeloos belangrijk vinden wat ik te doen denk te hebben.
Misschien toch wat meer kijken naar de hond. Gewoon gaan en zien wat ik tegenkom. Het lijkt me heerlijk om zo te kunnen zijn.
Ik ga er aan werken.
Maar eerst moet ik naar huis. Op tijd thuis zijn. Want belangrijke dingen….

Dit kind

Dit kind. Ze kijkt blij. Dat moest voor de foto, maar ze is ook echt blij. Want zo staat ze in het leven. Nieuwsgierig, spontaan, soms wat verlegen, creatief en op haar kleine meisjesmanier zorgzaam. Uiteraard soms stout, angstig of strontvervelend. Gelukkig maar, anders was het veel te zoet.
Ik weet nog heel veel van haar. Wat ze meemaakte, wat ze dacht, wat ze droomde.

Deze vrouw. Ook zij kijkt blij. Ondanks de fotosessie is dit toch een spontane foto, omdat ze niet wist dat de camera klikte toen ze zich omdraaide. Ik word blij van deze foto. Voor mijn gevoel kijk ik niet vaak zo.


Er zit 55 jaar tussen deze twee foto’s. En ik realiseer me: onderweg in het leven raakte ik dingen kwijt. Raakte ik háár kwijt. Werd ik minder spontaan, minder nieuwsgierig, minder blij. Dat heet ‘volwassen worden’ dacht ik dan.
Maar nu besef ik dat ik mezelf dat wijs gemaakt heb. Want wie bepaalt dat volwassen worden betekent dat je dingen van jezelf inlevert? Dat doe je uiteindelijk zelf. Omdat je moet dealen met meer verantwoordelijkheden, met moeilijkheden, met tegenslagen.
Soms voelt hetgeen je meemaakt in je leven zelfs te zwaar om te dragen. Dan overschaduwt dat gevoel al je blijheid, je geluk en je optimisme.
En toch, als ik terug kijk, heb ik het steeds gered. Ook al waren sommige periodes enorm moeilijk, ik kwam er overheen. En als ik dan naar deze foto’s kijk, zie ik toch een en dezelfde persoon.
Die kleuter die daar lacht, had haar eigen problemen. Alleen nam ze die zoals ze kwamen, ze stelde er geen vragen bij. Als ze niet naar een feestje kon vanwege een astma-aanval lag ze lekker veilig in het ‘grote bed’ en dacht: ach ik had er toch niks aan gehad, nu ik het zo benauwd heb.
Als ik me dat realiseer zie ik dat ik vroeger misschien wel wijzer was dan nu. Geen opstandigheid, geen ja maars, geen verdriet daarover. Maar acceptatie en verheugen op het moment dat het weer over zou zijn.

Het zal een punt in mijn leven zijn dat ik nu zo filosofisch ben over mezelf. Ik word strakjes 60 en moet er veel aan denken wat ik ‘nog’ wil in en met mijn leven. Dat voelt niet zo fijn.
En dan ineens krijg ik die foto van vroeger onder ogen. En denk ik aan het kind dat ik was. Hoezo, wat ik ‘nog’ wil? Dit kind was ik. En als ik dat toelaat ben ik haar nog steeds. Nieuwsgierig, spontaan, soms wat verlegen, creatief en zorgzaam. En soms angstig of strontvervelend.
Maar vooral blij. Want zo wil ik in het leven staan.

Terras weer

Soms maak je met z’n tweeën wat mee en beleef je dezelfde dingen net een beetje anders. Daarom vandaag een gecombineerde blog van gastschrijfster Irene en mijzelf.
Voor de duidelijkheid is Irene’s tekst cursief, dan weet de lezer wie wat geschreven heeft.

We gingen van de week samen naar de stad. Het was allang afgesproken, omdat we allebei vakantie hadden. Irene wilde in ieder geval naar een speciale winkel om een feestjurk te kopen. (och als ik het zo opschrijf zie ik gelijk weer het kleine meisje voor me die voor haar verjaardag altijd een mooie nieuwe feestjurk kreeg. Maar dat terzijde)
Het beloofde slecht weer te worden, met storm en regen, dus ik appte of we het wel door zouden laten gaan.Volgens Irene scheen de zon en zou ze die meenemen. Nou prima, als zij een bikkel was kon ik dat ook zijn, dus ik ging gewapend met stormparaplu naar de stad.

We spraken om half 11 af in de stad. Eerst gingen we naar een winkel om een jurk uit te zoeken voor een bruiloft die ik eind volgende maand heb. Ik slaag daar altijd en voor elke gelegenheid, dus ik moest en zou er heen. Het is een jurkenwalhalla, echt zoveel moois! Ik heb veel jurken gepast, en het werd de allereerste haha. Na een klein uurtje waren we klaar en gingen we verder de stad in.

Ze heeft echt een heel mooie jurk gekocht maar ik mag natuurlijk geen foto laten zien, het moet een verrassing blijven. Zelf zag ik ook iets moois en omdat ik over 2 maanden 60 word dacht ik: passen! Toen ik in de spiegel zag dat ik leek op een bejaarde versie van Wilma Flintstone heb ik mijn feestjurk nog maar even uitgesteld.
Goed, we gingen dus verder de stad in.

Eerst naar de Rituals. Hui? Ineens zagen we ergens anders een bord voor Rituals. Ze waren verhuisd. Nou prima, niks mis mee. We hoefden maar een minuutje of twee in de rij en mochten naar binnen. Behalve dat moeders van een afstapje kwakte is er verder niks raars gebeurd. Maar ja dat vind dat ik inmiddels niet meer raar.

Dit is wel weer een beetje kort door de bocht, Irene. Ik lette juist heel goed op, dat ik niet tegen de uitstekende punt van een display vol mooi uitgestalde heerlijkheden aan liep. Dat ik daardoor de ijzeren voet van een veiligheidsscherm naast de kassa niet zag en er gracieus over struikelde, daar kon ik helemaal niets aan doen.

5 over 12 liepen we de winkel uit.

Nee,we waren eerder klaar. En kreeg ik een zware Rituals tas in de handen gedrukt met de medeling dat er een cadeau inzat van de kinderen voor moederdag en dat ik het zondag pas open mag maken. Spannend!
Daarna gingen we naar van Haren alwaar we niet de enkellaarsjes gekocht hebben die ik wilde hebben en ook niet de passende schoenen voor bij Irene’s jurk. Nutteloze info, ik weet het maar toen was het pas 5 over 12. Wel een beetje accuraat blijven natuurlijk.

Ik had een groot overdekt terras gespot met terras-heaters. Je mag natuurlijk nog niet binnen in de horeca, maar sinds deze week wel weer op de terrassen, dus daar moesten we gebruik van maken. Alleen het moest wel overdekt want het stortregende en stormde alsof het herfstvakantie was in plaats van meivakantie.
De inschatting van mij was dat we beter nu direct konden gaan, omdat het later vast heel vol zou zitten. We liepen er heen en er was nog precies 1 tafeltje vrij, op de hoek van het terras, nog net overdekt en onder de heater. Top! Wij zaten. En inmiddels ontstond er een giga rij. We waren dus echt perfect op tijd.

Niets aan toe te voegen

De obers en serveersters liepen in poncho’s af en aan van het restaurant (telkens weer de lange trap op en af) en trotseerden het slechte weer. Heel eensgezind bestelden moeder en ik allebei een kop thee en brood met garnalenkroketjes. Het begon inmiddels steeds harder te stormen, maar we zaten er best oke.
Daar kwamen de thee en de kroketten, jeeej. Het waaide best hard dus moeder verkondigde dat ze het even handig aan ging pakken. Wat ze nou precies handig wilde doen weet ik nog steeds niet. Behalve dan dat ze met haar mouw in de truffelmayonaise hing.

Nou, dat zal ik even uitleggen dan. Dat handig aanpakken had niet zozeer met de storm dan wel met de ruimte te maken. Grote borden, kleine tafel, dicht naast elkaar zitten zodat we allebei in de droge hoek bleven, zo bleef er niet veel ruimte over om netjes met mes en vork te eten, dus ik klapte mijn boterhammetje dubbel over mijn kroketje. Die mouw in de mayonaise was een ongelukkige bijkomstigheid.

We hadden amper goed en wel één hap genomen of er kwam echt een gierende windstoot, niet te geloven. Een van de armen van de parasol waar wij (en nog 3 andere tafels) onder zaten brak af. Met heater en al. Ondertussen hing moeder over de tafel om te zorgen dat de garnalenkroketten niet weg zouden waaien (stel je voor, prioriteiten he). Maar de situatie met die bungelende heater en zo was niet veilig meer. Dat vond het personeel ook. We werden opgehaald, en mochten de rest van onze lunch binnen op eten. We hadden tenslotte al eten, en daar blijven zitten kon echt niet meer. Jongens wat een luxe, want inmiddels was er ook sprake van een moesson. Een hele aardige jongen nam onze thee mee en zelf spoedden wij er heen met onze handtassen, shoptasjes én natuurlijk het bord met de broodjes garnalenkroket.

Kijk, en dat heb ik nu heel anders ervaren. Door de windstoot hing ik in een reflex over tafel om boterhammen, sla, theezakjes, menukaarten, servetten en boterkuipjes niet weg te laten waaien, die kroketten waren mijn minste zorg, die zijn wel zwaar genoeg. En achter mijn rug zijn er dus blijkbaar heel gevaarlijke dingen gebeurd ondertussen, ik heb zelf helemaal niks meegekregen van die brekende parasol.
Voor mij vanuit het niets stond er ineens een ober bij ons die zei: “Dames! Gauw met me mee naar binnen!” Hij greep de theeglazen en ging ons voor. Maar ik moest nog een stormparaplu, een schoudertas, twee Ritualstassen en een bord met garnalenkroketten plus garni verzamelen en dat allemaal in twee handen meenemen.

We liepen de lange trap op naar binnen. En achter mij kwam maar niks. Waar hing moeders nou weer uit. Ik draaide me om en van het beeld wat ik toen zag heb ik nog ruim een half uur de slappe lach gehad. Een soort verwilderde eskimo stond achter me in de deuropening. Met een bontcapuchon die over de helft van haar ogen gezakt waardoor ze vrij weinig zag. Wat ze sowieso al deed want haar bril besloeg gelijk in de warmte van het lekkere knusse restaurant. Ze had natuurlijk haar handen vol met tassen en garnalenkroketten dus kon de capuchon niet van haar hoofd afkrijgen. Waardoor ze half headbangend in de deuropening stond om zonder handen de capuchon af te krijgen.

Ik zag geen moer door de beregende brillenglazen die ook nog besloegen, mijn te grote muts die over mijn voorhoofd zakte, met handenvol eten en tassen en een stormparaplu die zich steeds tussen mijn enkels wilde dringen tijdens het beklimmen van een trap die zo lang was als de stairway to heaven.

De geduldige ober stond ondertussen nog steeds de deur voor haar open te houden.

Hij had best even mijn muts af kunnen doen.

Uiteindelijk kwam ze achter me aan en werden we de lounge in gebracht. We werden serieus in heeeerlijk grote fauteuls geparkeerd, echt recht voor de open haard. Man man man wat zaten we daar luxe. We kregen voor het ongemak nog een gratis drankje van het huis. We vonden eigenlijk dat de gasten op het terras dat verdienden want wij zaten warm, droog en rozig te zijn.

Het was dus echt de stairway to heaven. Echt zelden zo in de watten gelegd als daar op dat plekje. Stoelen waar je volledig in wegzonk, zacht rood pluchen tapijt, een knapperend haardvuur, mensen die maar af en aan bleven lopen om te vragen of het goed met ons ging en of we nog iets wilden hebben…..

Ik heb er een half uur over gedaan om moeders te vertellen wat ik nu zo vreselijk grappig vond en moest daarbij zo’n beetje gereanimeerd worden. Ze zag er zelf ook wel de humor van in dus hingen we samen als een slappe vaatdoek in onze veel te grote luxe stoelen. Het was ook allemaal zo vreselijk stompzinnig hahaha.

Afijn, in alle luxe hebben we onze lunch opgegeten en het personeel zo’n 300 keer bedankt.

De rest van de middag hebben we ons keurig gedragen en niks raars gedaan. Maar goed we konden er dan ook weer compleet tegen na zo’n enorme boost!

En daar stopt het relaas van Irene. En vul ik het gewoon nog even aan. Want hey, ik ben niet de enige bij wie het niet altijd vlekkeloos verloopt. Ze had nog een paar minuten om de trein te halen en holde het perron op. Maar door de regen was haar papieren Ritualstas gaan scheuren en rolde de inhoud over het perron. Karma. Nee, niet dat haar dat overkwam, maar dat is de naam van de producten die ze had gekocht.
Maar misschien was het inderdaad toch Karma. Want doordat ze alles weer op moest rapen, had ze een trein later, die niet door naar Zwolle kon omdat er een boom op het spoor lag. Dus moest ze eerder overstappen en was ze langer onderweg dan gepland. Maar had ze wel in de trein gezeten die ze had willen halen was ze onderweg ergens op het spoor gestrand omdat die trein een boom voor zich kreeg.

In mijn eentje winkel ik altijd heel saai. Als we samen zijn gebeurt er altijd van alles.

Ode aan de douche

“En dit”, zei de Amerikaanse makelaar op tv, “is de blokhut. De prijs valt binnen jullie budget en we gaan even binnen kijken.” Ik liep via de beelden met het gezin mee, ik zag de rustieke uitstraling van het kleine houten huis, ik zag de werkelijk schitterende omgeving: geen andere huizen, maar bos, veld, een meer….. als ik toch eens zo kon wonen!
“Er is hier alleen geen stromend water”, zei de makelaar. En ik stond gelijk weer met beide benen op de grond. Dat er geen mogelijkheid was voor een douche, betekende einde verlangen voor mij.
Ik ben teveel gesteld op mijn comfort. Wat overigens iets anders is als luxe.

Ik kan niet zonder douche. Echt niet. Want een douche betekent voor mij veel meer dan een manier om je te wassen. Een douche zorgt vaak voor het gevoel dat ik op dat moment echt nodig heb.
Voor mij niets heerlijker dan na een vermoeiende dag onder douche te gaan, en de dagelijkse drukte door het doucheputje weg te spoelen.
Als ik het heel koud heb en me niet lekker voel: even lekker onder de douche en daarna voel ik me stukken beter.
Na een vakantiedag in de zon, een douche nemen met heerlijk geurende douchegel, er van genieten dat het witte schuim zo mooi afsteekt tegen mijn bruine huid en daarna lekker opgefrist iets leuks aantrekken om uit eten te gaan.
Een lange dag achterop de motor, waardoor ik stram en kil ben geworden, en dan in een hotel een heerlijke douche nemen, me daarna in een grote dikke zachte handdoek wikkelen en volkomen gelukkig zijn met dat gevoel.|

Zo verdrietig zijn dat mijn hart een pijnlijke bonk in mijn borstkas is en dan onder de douche bevrijdend mijn tranen laten stromen, die niemand hoeft te zien, maar die zich vermengen met het douchewater.
Ziek op bed gelegen hebben en dan eindelijk weer de energie hebben om even een douche te nemen, en me daarna echt opgeknapt voelen.
Overvallen door een regenbui tot op mijn hemd nat zijn, zodat alles onaangenaam en koud aan mijn lijf plakt, en daarna lekker een warme douche en een droge handdoek zodat alles weer goed is.
Een hele zaterdag hard werken in de tuin zodat ik mezelf als een aardmannetje voel, dan voor het eten onder douche, het water stroomt over mijn haar en mijn lijf en ik voel me daarna frisser als ooit te voren.

Het gevoel van het stromende water, de geur en de zachtheid van een heerlijke douchegel, ik zou niet zonder willen. Dan maar geen blokhut in de natuur.

Versie 2021

IK ZOU LEKKER STOUT WILLEN ZIJN

Ik wil het weer, ik wil het weer!
Ik wil weer handjes geven
En ik wil roepen elke keer
Hallo mevrouw, hallo meneer
lekker heel overdreven
En overal met mijn handen aan
de fles met dettol laten staan

Ik wil geen staafje in mijn neus
als ik een keer moet niezen
Ik wil ontspannen, niet nerveus
op een terrasje, glorieus
een lekker biertje kiezen
Met mijn dochter de sauna bezoeken
en winkelen zonder een afspraak te boeken

Ik wil zo graag genieten
en ik wil bij mij thuis
Geen bezoeklimieten
maar heel veel visite
gezellig feestgedruis
ik wil alles wat niet mag
de hele dag, de hele dag!

Ik wil mijn mondkap aan de kant
mijn kinderen omarmen
knuffelen zonder die afstand
en naar een zonnig buitenland
om lekker op te warmen
Al wat ik wil, dat is dus dit!
En als dat niet mag zeg ik: shit


Perfect

‘Zullen we Goede Vrijdag komen dan?’ appt mijn dochter. Ik stuur een blij gezichtje en een duimpje terug.
Ook dit jaar mogen we nog niet met het hele gezin bij elkaar zijn met Pasen. Maar zij op vrijdag, zoon op zondag, dan heb ik ze in ieder geval weer gezien en ben ik niet zo sip als vorig jaar.
Ik maak gelijk plannen voor het eten. Niet dat dat heel moeilijk is, want de traditie wil dat we involtini (Italiaanse vlees/kaas/ham-rolletjes) eten met Pasen en ook dat is er voor hen vorig jaar bij ingeschoten, dus dan maak ik het dit jaar gewoon 2x.
En taart! Er moet natuurlijk taart komen. Zelfgebakken uiteraard, want ik heb niet voor niets een Kitchenaid. (zie: Koekje van eigen deeg )

Ik ben net tante Petunia van Harry Potter: ”I want everything to be perfect on this special day!” Ik maak een boodschappenlijst, zoek mooie ingrediënten uit, het is tenslotte Pasen en ik wil dat alles perfect wordt.
Op vrijdagochtend begin ik met de taart. Het wordt een abrikozen-yoghurtcake, wat ziet die er heerlijk uit op de foto bij het recept!
Een luchtig beslag met ‘whirls’ van abrikozenjam, prachtig. Helaas zie ik bij mij geen whirls verschijnen, ik heb klontjes jam die zich maar moeilijk over het beslag laten verdelen. Ze zakken er in weg en er is geen mooie spiraalvorm te herkennen, hoe goed ik ook mijn best doe met mijn mespunt zoals in het recept staat.
O wacht, hier staat nog iets: Roer de jam los in een schaaltje en verdeel het vervolgens…etc…
Ja daar heb je het al, ik heb alleen de ingrediëntenlijst gelezen: een paar lepels abrikozenjam. Niks losgeroerd. Nou, dan maar zo proberen, niets meer aan te doen.
De taart gaat in de oven. Het gaat heerlijk ruiken maar ik zie de cake niet rijzen.
Als hij klaar is, laat ik hem afkoelen, het is geen schoonheid geworden maar er moet strakjes nog lekkere ‘creamcheese-frosting’ op en een chocolade decoratie, komt vast goed.
Ondertussen bedenk ik dat ik het ledikantje moet verschonen, gister sliep er nog een opvangkindje in, vandaag moet mijn kleinzoon er in slapen. Snel naar boven, beddengoed eraf, in de wasmachine. Ik begin een lichte stress te voelen als ik op de klok kijk. Krijg ik het allemaal klaar voor ze komen, ik wil dat alles perfect is!
Man heeft ook vrij genomen vandaag, hij loopt met de hond, zorgt voor de andere dieren , en maakt de kamer netjes en gezellig. Dan kan ik me helemaal op de keuken concentreren. Maar alles zit tegen. Mijn zo zorgvuldig uitgekozen ham voor de involtini blijkt veel te dun gesneden, scheurt aan alle kanten zodat ik geen gesloten rolletjes kan maken en ik voorzie dat in de oven alle kaas eruit gaat lopen. Verre van perfect. Ik maak gehaast de saus en als die staat te pruttelen zie ik dat de gesnipperde ui, waar ik mee had moeten beginnen, nog gezellig op de snijplank naast het fornuis ligt. Sh**.


Ik fruit de ui in een apart pannetje en doe die dan alsnog in de saus. De ui dan, niet het pannetje.
De klok tikt door.
Het beddengoed moet nog in de droger, is die wasmachine nou eens klaar?
Frosting! De taart moet af! Boter op kamertemperatuur, roomkaas, poedersuiker, mixen!
Het wordt een rare korrelige substantie, hoelang ik de Kitchenaid ook laat draaien. Het ziet er onsmakelijk en geschift uit, zo kan ik dat niet presenteren.
En dan komen, onvermijdelijk bij mij, de tranen. Als alles tegenwerkt terwijl ik het perfect wil hebben kan ik daar niet tegen.
Mijn altijd rustige man gaat naar de winkel voor nieuwe ingrediënten. Ondertussen gooi ik de vieze frosting weg en probeer wat orde te scheppen in de keukenchaos.
Als man weer terug is doe ik een nieuwe poging voor de frosting, deze keer zonder de boter want die was volgens mij de boosdoener en nu komt er een mooie fluwelige creme uit de beslagkom. Ik smeer het op de taart, doe er chocoladebloemen op en denk: nou zo moet het maar. Ik ben lang niet tevreden, het strookt niet met mijn perfecte plannen.
Ik kleed me snel om, restaureer met make-up mijn roodaangelopen gezicht, en dan hoor ik de hond blaffen. Ze zijn er.
Als ik de voordeur opendoe zie ik een heel klein jongetje de oprit opstappen.
“Oma! Oma!” hoor ik zijn lieve stemmetje. Ik smelt. Dit is perfect. Helemaal perfect. En het enige wat er werkelijk toe doet.

Niemand

Er was eens een niemand. Hij was de enige in zijn soort, daarom werd hij ook door iedereen gewoon ‘niemand’ genoemd. Geen mens kende hem persoonlijk of wist hoe hij er uit zag en toch speelde hij een rol in ieders leven. En meestal was de situatie waarin hij erbij gehaald werd niet positief.
Zo was er een vrouw, die zich heel eenzaam voelde. Ze zat somber in haar stoel en klaagde, omdat niemand op bezoek kwam.
Een kind had met een bal in de kamer gespeeld en keek bang naar zijn moeder. “Wie heeft mijn mooie, dure vaas gebroken?” vroeg ze. “Niemand”, antwoordde het kind.
Er stonden familieleden rond het sterfbed van een oude man. Ze waren te laat gekomen en ze zeiden tegen elkaar dat niemand hier iets aan had kunnen doen.

Niemand merkte dat hij steeds vaker genoemd werd, in het hele land.
Steeds meer mensen begonnen hun eigen verantwoordelijkheid af te schuiven, ze vonden het gemakkelijker om niemand er voor op te laten draaien.

Bij een dorpje aan de oever van een groot meer werd een fabriek gebouwd. Na een poosje stierven de vissen en begon het water te stinken.
“Jullie lozen vervuild water!”, riepen de inwoners van het dorpje beschuldigend.
“Nee, dat doet niemand”, verdedigden de directeuren van de fabriek zich.
In de laatste stukjes ongebruikte natuur verrezen energiecentrales met nieuwe technieken. Ineens kregen mensen gezondheidsklachten en ze wezen naar de ingenieurs.
“Niemand weet dat”, reageerden die op de vraag of het allemaal wel veilig was.
In de grote stad raakten gezinnen in financiële problemen, omdat er fouten waren gemaakt in het belastingstelsel. De mensen vroegen naar de regels voor uitbetaling en de ambtenaren antwoordden : “Daar houdt niemand zich aan”.
Toen het hele land werd getroffen door een mysterieus virus werd er in aller ijl een medicijn ontwikkeld.
“Niemand heeft er voordeel van”, zeiden de farmaceuten die de torenhoge prijs bepaalden.

Op deze manier ging het niet goed met het land, alleen niemand leek het te zien.
Heel soms kwam er toch een waarschuwing, van een journalist, een dokter, een dominee, maar tevergeefs.
Niemand maakte zich grote zorgen, omdat de mensen niet wilde luisteren. Ze gingen gewoon door met waar ze mee bezig waren.

Op een gegeven moment leek het tij dan toch te keren. Een groep mensen verzamelde zich op een plein in de hoofdstad. Ze hadden spandoeken bij zich en schreeuwden leuzen: “Wij luisteren naar niemand!”
Ze dachten het verschil te gaan maken, maar in plaats daarvan kregen zij onderlinge meningsverschillen. Ze vonden namelijk allemaal op een andere manier dat ze niemand moesten volgen. En zo werd er niets bereikt en de groep viel uit elkaar.

Niemand had er verdriet om dat de inwoners van het land verkeerde beslissingen maakten, de mensen wilden het zelf niet zien. Ze vonden het wel zo prettig om niemand verantwoordelijk te houden voor alles wat niet goed was. En het duurde niet lang of andere landen gingen hun voorbeeld volgen. Ze zeiden dat niemand de regenwouden kapte, niemand schuldig was aan armoede en honger, niemand discrimineerde en niemand wapens verhandelde.
De schuld lag bij niemand, daar was iedereen het over eens. Het ging van kwaad tot erger.

En toen niemand uiteindelijk ingreep was het voor de mensheid inmiddels te laat.
Niemand leefde nog lang en gelukkig.