Focus op Fitness

Als iemand mij vier jaar geleden had verteld dat ik sip zou zijn als de sportschool sloot zou ik hem of haar hartelijk hebben uitgelachen. Sport interesseerde mij geen bal en aan zelf sporten had ik een regelrechte hekel .
Toch ben ik uit noodzaak aan het sporten geslagen (lees ook https://daagsedingen.com/2018/08/16/zin-in-van-sporten-deel-1/) en dat heeft me een veel betere longconditie opgeleverd. Daar ben ik zowel trots als zuinig op.
Tijdens de eerste lock-down, toen de sportschool dicht moest, was het voorjaar en heb ik veel extra gewandeld, gefietst en stukjes hardgelopen, alles om die conditie op peil te houden.
Nu in de winter is dat veel moeilijker voor mij en ik hoopte dan ook dat de sportschool snel weer open zou mogen . Daar is nu nog geen zicht op, maar het gaat ook niet meer gebeuren hier. Niet vanwege de coronacrisis maar omdat het pand verkocht is en de nieuwe eigenaar er een andere bestemming voor heeft.
Er zijn hier in de directe omgeving geen andere sportscholen dus het is een definitief einde voor mij.
En ja, daar was ik dus heel sip over. Tijd om te beraden wat ik dan moest gaan doen, ik wil echt deze conditie behouden en niet weer verslechteren.
Dus na wat overleg met Bert en mijn bankrekening heb ik een crosstrainer aangeschaft. Dat was het apparaat waar ik het liefst op trainde en waarbij je volgens mij zowel de meeste spiergroepen als je longen aan het werk zet.
Het was nog even zoeken welke en waar ik hem dan zou kopen en ik kwam uit op…. Albert Heijn. Dat was nou inderdaad niet de eerste winkel waar ik aan had gedacht maar ze hadden een mooie online aanbieding, van een gerenommeerde sportwinkel. De Focus Fitness.
Uiteraard wel eerst reviews en alternatieven bekeken, maar het werd hem. Hij werd donderdag al bezorgd, maar het was zo’n enorm en zwaar pakket dat hij vandaag pas aan de beurt was om uitgepakt en in elkaar gezet te worden.
Het ding moest op zolder komen te staan, beneden uitpakken en losse onderdelen naar boven brengen leek het handigst.
Ik dacht: dat is het onderstuk met het vliegwiel en de pedalen, en dan nog de handvatten die erop moeten, klaar.
De moed zonk me dan ook in de sportschoenen toen het ietsje anders bleek te zijn.


Hullup! Ik hoorde in gedachten de schildpad uit Finding Nemo: “Dude, focus!”
Dus ik herpakte me wat, en gelukkig wilde Bert helpen met in elkaar zetten. Zoiets is natuurlijk gelijk een relatietest, 2 vliegen in 1 klap dus.

Alle onderdelen naar boven gesjouwd en op volgorde gelegd, en uiteindelijk bleek het nog enigszins mee te vallen. Het was wat onduidelijk omdat sommige schroeven al in het frame zaten er er weer uit gehaald moesten worden voordat je iets kon vastmaken, en andere in een plastic verpakking zaten en alles gewoon door elkaar op de bouwtekening stond.
We begonnen serieus met het allereerste onderdeel aan de verkeerde kant vast te maken. Het zal ook eens niet. Verder ging het redelijk goed, afgezien van de pedalen die we fout monteerden zodat het niet goed uitkwam zat het ding nog aardig snel in elkaar.


Toen moest de display er nog op. Hoop gepruts met snoertjes en stekkertjes die door de buis aan de voorkant heen liepen en de ministukjes snoer en stekkertjes aan de display, die op de een of andere manier met elkaar verbonden moesten worden. Die stekkertjes waren echt formaat poppenhuis maar uiteindelijk zat het. Het hele zaakje terug in de buis gefrommeld, anders konden we de display niet plaatsen en vastschroeven. Nog 4 schroefjes en dan hadden we het voor elkaar! Maar het vierde schroefje dacht er anders over. Pieng! Weggeschoten. Waarheen? Niemand die het wist. Niet zo’n felle zolderlamp, donkerblauwe vloerbedekking, klein zwart schroefje…. Dat werd dus een hele queeste. Zonder resultaat. Ik pakte de bureaulamp erbij om de grond te verlichten, maar tikte met de lamp per ongeluk die grond ook aan… poef, licht uit, lamp kapot.
Uiteindelijk ging Bert toch maar weer helemaal naar beneden naar de schuur om de looplamp te pakken. Nu hebben we tegenwoordig een hele hippe, zonder snoer maar met een knopje. “Waar zit dat knopje?” vroeg ik aan Bert, maar ik drukte er blijkbaar al op want de lamp scheen gelijk zo fel in mijn ogen dat ik nog een hele poos vlekjes zag.
Het kleine zwarte schroefje bleek tegen een zwarte poot van de crosstrainer aan te liggen. Poging 2. Pieng! Schroefje schoot weg. Nou zeg! Zoektocht nr 2. Schroefje lag onder oma’s stoeltje.
Poging 3. Plieng! Schroefje schoot weg! Lelijk woord. Schroefje lag onder het pedaal.
“Doe jij het nou maar hoor”, mopperde ik , ” dit schroefje en ik kunnen elkaar niet uitstaan.”
Bert schroefde zonder problemen het kreng er in.
Tijd om de display aan te sluiten op het lichtnet. Maar waar moest het plugje in? Ik stak hem in allerlei gaatjes die de display rijk was, maar geen van allen waren contactpuntjes.
Gebruiksaanwijzing erbij. “Steek de stekker in het stopcontact, te vinden bij de achterpoten van het apparaat”. O. De logica ontging mij totaal, en het stopcontact ook, ik kon het nog steeds niet vinden. Bert natuurlijk wel. Snoertje bleek veel te kort voor welk stopcontact dan ook.
Nu moest ik maar naar beneden, naar de schuur, verlengsnoer halen.
Met al dat trappengeloop hadden we onze sportsessie voor vandaag wel zo’n beetje gehad.
Stekker in het stopcontact. Er gebeurde niets.
Diepe zucht. Er was vast zo’n kabouterstekkertje los geschoten tijdens mijn gefrommel in de framebuis.
Display er weer afgeschroefd, inclusief het obstinate schroefje. Ja, 2 van de 3 stekkertjes zaten vast, 3e was onzichtbaar. Ik scheen met de looplamp in de buis. Diep onderin zat het stekkertje, dat ging zo niet lukken.
Dus, wederom helemaal naar beneden, hele lange haaknaald opzoeken, weer naar boven, stekkertje naar boven hengelen, gepriegel om het weer aan te sluiten. Nu durfde ik het niet meer in de buis te proppen, dan maar een stukje eruit en dat scheelde ook weer 2 schroefjes op de display. Niet zoals het hoort maar ik vond het wel best zo.
“Piep!” zei de display en er verscheen een menuutje en verder begreep ik daar totaal niets van, want wat in de handleiding stond gebeurde natuurlijk niet. Maar ik ga het nog wel uitzoeken.
Ik kon wel de crosstrainer uitproberen en dat ging prima! Daar kan ik goed mee overweg en ik ben blij dat ik weer kan sporten.

Toen zag ik nog een plastic kap liggen. Waar was die dan voor? Die hadden we over.
F**k. Die had onder op het frame over de schroeven geschoven moeten worden als een beschermkap. Stond ook weer echt niet duidelijk op de tekening bij het stappenplan. Wilden we hem er nog opzetten, dan moest serieus de halve crosstrainer weer gedemonteerd worden.
Dus laten we het eerst maar. Ik ben toch de enige die erop gaat en ik kom niet eens in de buurt van de schroeven. Het staat wat mooier met die afdekkap, het is nu een beetje als een fiets zonder jasbeschermers, maar ik geloof het allemaal wel.

Jongens, ik heb gewoon een crosstrainer! Ik, de anti- sporter! En ik ben er nog erg blij mee ook Maar het is nu zaterdagmiddag kwart over 4, dus eerst tijd voor een biertje.

Boerenbedrog

Vanmorgen stond ik brood te smeren. En niet zomaar broodje ham hoor, maar Boeren Waldkorn Bruin, met Boerenslagersachterham.

Wat een kul! Waldkorn is geen graansoort maar een merknaam. Dus waarom worden die boeren daar weer bijgesleept? Omdat het zo lekker ambachtelijk en gezond klinkt. Dan vergeten we dat we het brood verpakt in een plastic zakje in de supermarkt hebben gekocht, dan denken we tijdens het eten aan een geweldig mooie, sfeervolle ouderwetse keuken, zoiets als in een openluchtmuseum, waar een vriendelijke boerin met gezond blozende wangen, met een geruit schort voor met stevige handen deeg staat te kneden voor ons heerlijke brood. Zelfs denken we niet meer aan de bakker die zijn ambachtelijke werk doet. Boerenbrood, dat is gezond en eerlijk! Yeah, right. Arme bakker.


Boerenslagersachterham is nog belachelijker. Wat moet ik me daar nou toch bij voorstellen?
Ham komt van een varken, en achterham van zijn of haar kont. Er komt een slager bij te pas want het varken valt niet vanzelf ineens uit elkaar in hammen, karbonades en speklappen.
Dus achterham is sowieso al slagerswerk. Maar waarom ‘Boeren’? De boeren zullen het varken opgefokt hebben, maar moet dat vermeld worden bij die ham, zodat we weten dat de slager het varken niet ergens in het wild gevangen heeft?
Ook hierbij zal het om een bepaald gevoel gaan, je moet als eter denken dat het puur, ambachtelijk en eerlijk vlees is. Die schamele 1 ster Beter Leven weegt dan niet meer op tegen de prachtige naam.
We zetten overal ‘Boeren’ voor en dan lijkt het een stuk gezonder!
Dit natuurlijk in tegenstelling tot junkfood. Al bestaat er wel zoiets als Boerenfrites, zag ik.
Die natuurlijk even vet en zetmeelrijk is als andere friet/patat (haal door wat niet gewenst is, ik maak geen deel uit van een van de twee kampen)
Dat boerengedoe wordt alleen bij voeding er bij gehaald door de marketing-bureau’s .
Met goed eten is “Boeren” ineens de standaard, maar voor andere consumentenartikelen voegt het niks toe, integendeel.
We willen geen Boerenbankstel, geen Boerenauto en geen Boerenjurk, want we willen geen Boerentrien of Boerenlul zijn.
“Boeren” is alleen succesvol bij etenswaren. En dan het liefst voor artikelen waarbij een boer amper aan te pas is gekomen, maar waarbij het woord ‘Boeren’ een nostalgisch gevoel van puurheid en gezondheid oproept.

Die Boerenslagersachterham zit me de hele ochtend al dwars, ook al heb ik er geen hap van gehad.
Ik kan niet tegen dat marketinggedoe. Ik had ook nog een broodje bestrooid met hagelslag van het merk ‘Kiekeboe’ en de cacaoboeren werden niet op het pak genoemd. Niet ambachtelijk genoeg denk ik, te ver van ons bed. Boeren in andere landen geven ons blijkbaar niet dat pure gezonde gevoel.

Het is verder ook zo overbodig om het beroep van degene die het maakt erbij te vermelden vind ik. Slagersachterham.
We praten ook niet over een monteursauto, een meubelmakersstoel, een bouwvakkershuis, een schrijversboek, visserskabeljauw of een farmaceutenparacetamolletje.


Voor wat betreft het Boeren Waldkorn Bruin: Bert Visscher heeft al eens een stuk gedaan over brood,( brrrrruin brrrrrrrood) Dat kan hij beter dan ik, maar mag ik dan vragen of we het gewoon op schouderham en achterham kunnen houden?

Ik laat het hier nu maar bij. Tijdens het schrijven schiet me nog veel te veel te binnen om het een leesbaar verhaaltje te houden.
Zo zag ik in de winkel Boomgaard-appeltjes…. en ik dacht…… etc…..

Water

Nederland verdroogt. Dat schijnt echt zo te zijn maar vanmorgen dacht ik toch wel het tegenovergestelde. Ik ging met Lenny naar het bos en ik heb werkelijk geen droge stap kunnen zetten. Nou is dat bos in het Lauwersmeergebied en dat is altijd wel wat vochtig. Maar nu, na dagenlang regen, regen en nog eens regen, is de inpoldering bijna ongedaan gemaakt. Oké, dat is niet waar, maar ik hou van overdrijven in mijn taalgebruik. Erfenis van mijn vader, die het had over ‘nog een pond eten op je bord’ als je een kruimeltje had laten liggen, of dat iets al zo was ‘sinds de ochtendschemering der mensheid”.
Maar ik dwaal af.


Vanmorgen had ik vrij, het was redelijk helder weer en Lenny en ik moesten nodig eens een poos lekker naar buiten! Omdat ik wel verwachtte dat het nat zou zijn in het Ballastplaatbos trok ik eerst de sokken aan die mijn zus voor mij gebreid heeft en daarna de de fantastische laarzen die ik van haar heb gekregen. (Lieve zus heb ik, hè?)
Het bos ligt naast een vakantiepark en ik had wel wat meer wandelaars verwacht zo tussen Kerst en Oud-en-Nieuw. Maar behalve Lenny was er geen hond. Ikzelf was overigens niet het enige tweebenige wezen, integendeel. Ik heb zelden zoveel vogels gezien als tijdens deze wandeling, waarschijnlijk juist omdat er verder niemand was en omdat het zo verschrikkelijk nat was. Want het waren allemaal watervogels.
Ik heb echt genoten! Er zwommen kuifeenden, waterhoentjes, meerkoeten, wilde eenden en smienten. Het waren er zoveel dat Lenny niet eens de behoefte had om zijn geliefde “kiekeboe-ik-laat-je-schrikken’-spelletje te spelen, hij was onder de indruk. Er waren aalscholvers en reigers, er verhief zich een enorme roofvogel uit de bomen naast mij. Ik durf niet te zeggen of het een visarend was, maar hij was groot en imponerend genoeg.

Nu het winter is kon ik door de oeverbegroeiing heenkijken en zag ik in het rustgebied enorme aantallen ganzen. En al had ik ze niet kunnen zien, dan kon ik ze wel horen, er werden luidkeels honderden gesprekken gevoerd.
Grote groepen brandganzen, rietganzen en rotganzen. Die laatste soort heeft z’n naam niet mee, ik heb me altijd afgevraagd waarom zij nou juist rotganzen genoemd worden, ze doen hetzelfde als andere ganzen. Maar het komt door hun geluid, dat klinkt als ‘rot rot’ zegt de vogelgids.
Nou vooruit dan maar. Beetje raar blijft het wel, die anderen zeggen toch ook niet ‘brand brand’ of ‘riet riet’.


Lenny danste met z’n vier hondenvoetjes gemakkelijk door de plassen, ik had er iets meer moeite mee. De modder zoog, zodat ik moest opletten dat ik niet uit mijn laarzen schoot. Iedere stap veroorzaakte een onsmakelijk geluid. Maar ach, er was toch niemand die er aanstoot aan kon nemen!

De lucht kleurde goud door de lage zon en ik voelde me een stuk gelukkiger dan tijdens alle grauwigheid van de afgelopen tijd.


Toen we bijna rond waren begon het toch nog weer te regenen. Ik had de auto voor de zekerheid op het verharde pad geparkeerd, ik wilde niet vast komen te zitten in de modder.
Lenny stapte braaf in en gaf me een soort hondenbedankje voor de leuke wandeling.

We zaten behoorlijk te dampen met onze natte lijven en de ramen besloegen. Omdat ik een stukje achteruit moest rijden schoof ik het zijraam een beetje open zodat ik de buitenspiegel kon zien. Maar mijn Mazda is al een oud k(n)arretje en niet alles werkt meer optimaal. Het raam ging niet meer dicht, sterker nog het ging spontaan helemaal naar beneden en kwam niet meer omhoog. Ik had gelijk heimwee naar de tijd van de mechanische bediening, laat mij maar aan een slinger draaien in plaats van op een knop drukken. Heb er al vele discussies met een zekere automonteur over gevoerd, maar wat mij betreft is meer elektronica alleen maar meer kans op storingen. Hoe het ook zij, het regende en ik moest met open raam naar huis rijden. Dan eerst maar over de paralel weg, dan hoefde ik niet 80 km per uur te rijden maar kon ik met 30 kachelen en ondertussen proberen het raam met veel geduld centimeter voor centimeter dicht te krijgen.

Het leek wel wat op het spiraalspel uit de Willem RuisShow vroeger. Ieder keer dat ik dacht: het lukt!, hoorde ik een klik en schoof het raam weer naar beneden en moest ik weer opnieuw beginnen. Ik mag dan niet de geduldigste zijn, ik ben wel een volhouder en net voordat ik toch echt de autoweg op moest had ik het raam dicht! Gauw het slotje erop, voordat hij weer spontaan open zou schuiven.

En toen hield het natuurlijk op met regenen. In het veld waar ik langsreed zag ik een hele grote groep witte ganzen. “Sneeuwganzen”! riep ik tegen Lenny en neuriede het thema van The Snowgoose van Camel, een van mijn favoriete albums.
Toch leek het me een beetje raar, zoveel sneeuwganzen in de winter in Nederland.
Toen ik het thuis nazocht bleek het inderdaad niet te kloppen. Deze hadden geen zwarte punten aan de vleugels, ze waren gewoon helemaal wit.
Het was de Anser anser forma Domestica, oftewel de Soepgans. Afstammelingen van voormalige tamme ganzen. Soepgans, rotgans… wie verzint dat en, nog erger, wie keurt dat goed?
Het wordt tijd dat ze mij eens gaan betrekken bij de naamgeving.
Ik zou soepgans veranderen in weidegans, en de rotgans zou ik prachtgans noemen. Dit als compensatie voor al die jaren gescheld.

Zo, en nu ik ga The Snowgoose opzetten. En daarna mijn modderlaarzen schoonmaken en Lenny’s vacht borstelen. Alles weer klaar voor de volgende waterwandeling.

Picture Perfect

Samen met mijn gezin heb ik een heerlijk Kerstfeest gevierd. In deze tijd van beperkingen en gemis mochten wij bij elkaar komen omdat we met 5 volwassenen zijn, onze gastheer en gastvrouw ontvingen dus 3 bezoekers.
We hebben afstand van elkaar gehouden maar we waren toch samen.
Ik heb vandaag een fotocollage op Facebook gezet. Echt wel getwijfeld, want veel mensen kunnen dit jaar niet met z’n allen bij elkaar komen met Kerst. En misschien is dat wel zout in de wonden, zo’n foto. Toch heb ik hem geplaatst.
Het was niet om te laten zien : ‘kijk ons eens een perfecte familie zijn’. Maar uit de behoefte om mijn liefde en dankbaarheid voor mijn gezin te delen.
Het zijn mijn mensen en zij zijn mijn wereld.

Is het allemaal fantastisch bij ons?
Als ik nou met een maatschappelijk oog zou kijken, dan is het niet het perfecte plaatje.
Dan zie ik op die foto’s kinderen van gescheiden ouders, ik zie twee autisten en ik zie iemand die zonder dagelijkse medicatie lichamelijk tot weinig in staat zou zijn.
Maar dat definieert niet wie we zijn.
Wat wel belangrijk is, is dat we een gezin vormen, dat we allemaal proberen om te genieten van het leven en daar ook elkaar voor nodig hebben.
En dat we daarom heel blij waren dat we deze kerst samen konden en mochten zijn.

Ik wens echt dat iedereen degene die hij/zij liefheeft weer snel mag omarmen, weer onbekommerd samen dingen kan doen, ergens heen kan gaan. Daar hoop ik weer heel veel foto’s van te gaan zien, om te kunnen meegenieten!
Dat is mijn Picture Perfect.

Voor iedereen een heel goed, mooi, gezond en gelukkig 2021!

Vreemd

Deze ochtend is vreemd, surrealistisch.
Vannacht hebben we onze slaap onderbroken om via live-stream aanwezig te kunnen zijn bij de Memorial Service voor iemand die ik goed kende maar nog nooit ontmoet had. Maar met 15 jaar lang over en weer brieven schrijven was hij toch iemand die een plaats had in mijn leven.
Ik zag de urn, ik zag de bloemen die we gestuurd hadden, hoorde herinneringstoespraken en voelde me ondanks 7 uur tijdsverschil en duizenden kilometers afstand betrokken.
Om daarna weer verder te gaan slapen was vreemd. Het lukte wel, maar mijn dromen continueerden de sfeer van de uitvaart. Precies zoals dat was, alles beleven vanaf een afstand. Ik werd met een vreemd, onwerkelijk gevoel wakker toen de wekker ging.
We stonden normale tijd op, ontbeten, Bert vertrok en ik ging met de hond naar buiten.
Het was erg donker, het stormde en regende hard.
Er was niemand buiten. Helemaal niemand. Er reden zelfs geen auto’s. Veel huizen hadden nog geen licht aan, ook de zo gezellige kerstversieringen buiten niet. Alles was donker en doodstil.
Hoe vreemd was dat, het voelde alsof ik nog steeds droomde. Alsof ik een een soort spookomgeving liep.


De wind bulderde, regenvlagen sloegen tegen mijn grote stormparaplu. Ik moest hem met twee handen stevig vasthouden en voelde me alsof ik in een Tim Burton-versie van Mary Poppins terecht gekomen was. Het is bijna niet te omschrijven hoe vreemd en bijna eng het allemaal was vanmorgen.
Thuis was het ook stil.
Heel voorzichtig werd het een beetje licht, pas tegen half 9.


Dan eindelijk komt de wereld een beetje op gang. De vuilnisauto komt voorbij, de krant wordt gebracht.
Zometeen komen er kinderen om voor te zorgen, ik zie uit naar hun levendigheid.
Dan kan ik deze vreemde sfeer van me afschudden.
Hoop ik.

De kamer is gevuld met blije stemmetjes. De speelkeuken wordt druk gebruikt, ik krijg een smoothie van knoflook, sinaasappel en paprika. Ik doe alsof ik uit een lege beker drink, terwijl 2 paar oogjes mij verwachtingsvol aankijken.
“Heerlijk!” zeg ik. Gelukkig, dit is weer mijn sfeer. En eindelijk kan ik de lampen uitdoen, het is licht.


Wilde ganzen

Lint na lint trekt boven mijn hoofd door de grauwe lucht. Voor mij is de roep van vliegende ganzen het meest weemoedige geluid van de natuur.
Ik kijk omhoog en groet ze in gedachten: goede reis! De formaties vliegen in natuurlijke orde, schijnbaar moeiteloos lossen ze elkaar af in de voorhoede. En constant blijven ze hun geluid maken. Groep na groep verdwijnt aan de horizon.
Iets lager zwermt een groep kraaien over. Het is een grillige vlucht en hun geluid klinkt onheilspellend. Zij gaan niet weg, zoeken gewoon een andere plek voor vandaag.
De ganzen letten er niet op. Zoals ieder jaar volgen ze hun instinct, het is tijd om te gaan.
Ze hebben er geen weet van dat de mensenwereld op z’n kop staat. Ze doen hun ganzending, net als duizenden generaties voor hen.
Ze verheffen zich letterlijk boven alles en laten de wereld onder zich doorgaan.
Ik kijk ze na. Met mijn voeten in de klei en jagende wolken boven mijn hoofd.. Het is weer zo’n dag dat het niet echt licht wordt. Ik krijg tranen in mijn ogen als ik hun geluiden weg hoor sterven.
Goede reis…..

In de nacht lig ik wakker. Mijn hoofd maalt, over de wereld en over mijn persoonlijk leven. Ik zou een knop willen vinden om mijn hersens uit te schakelen. Of zelfs maar op stand-by te kunnen zetten. ’s Nachts is het donker en lijkt ook alles donkerder waar je over nadenkt.

Dan hoor ik het geluid van trekkende ganzen. En nu is voor mij hun roep het meest troostrijke geluid van de natuur. Wat er ook gebeurt, hoe donker het ook is, de ganzen vliegen. Niets verandert daar iets aan. Ik voel me rustig worden. Zij zijn ook wakker, maar ze malen niet. Ze hebben hun doel en daar gaan ze met z’n allen heen. Ze roepen naar elkaar en ik luister.
Goede reis, zeg ik in gedachten. Nu kan ik slapen.

Spruitjeslucht

Synoniem voor burgerlijkheid.
Spruitjes ruiken niet lekker als je ze kookt. Burgerlijkheid dus blijkbaar ook niet.
Beperkt en kortzichtig. Aardappelen, groente, vlees. Doe maar gewoon dan doe je al gek genoeg, dat soort dingen. Burgerlijkheid is huisje, boompje beestje. En het klinkt negatief.
Waarom eigenlijk, vraag ik me af. We hoeven toch niet allemaal groots en meeslepend te leven?
En mensen die zich willen onderscheiden van de massa zoeken elkaar ook vaak weer op, zodat je gewoon weer een andere massa erbij krijgt. En iedere massa kijkt misprijzend naar de andere massa. Blij dat ik daar niet bij hoor!

Subculturen zijn van alle tijden. In mijn jeugd de nozems, de hippies, de provo’s. In de jeugd van mijn kinderen de skaters, de gabbers, de gothic’s, de emo’s .
Nu hoor je over boomers en hipsters. Maar dat is inmiddels ook al weer oud en staat er een nieuwe generatie klaar om zich te onderscheiden. Met influencers en vloggers.
En de spruitjes worden nieuw leven ingeblazen met recepten op “de hippe vegetariër” , “okoko” en “smulweb”
Roerbakken, blakeren, grillen, op de pizza, gratineren, niks burgerlijkheid.


Maar ze ruiken nog steeds niet lekker. Ik kookte ze van de week. Wat erger was, ik liet ze aanbranden. Die lucht was echt niet te harden. En die bleef nog lang hangen. Dat komt ervan als je ze behandelt als vergeten groente. Zo werd ik voortdurend herinnerd aan mijn burgerlijkheid. En dat ik eigenlijk best heel tevreden ben met mijn huisje boompje beestje -leven.

(foto: google)

Stopwoord

Het nieuwe normaal, daar is het laatste woord nog niet over gesproken, want niemand weet hoe dat er uit gaat zien.

Wat ik wel zie (en vooral hoor) heeft niets met coronamaatregelen te maken maar wel met een nieuw soort normaal. En ik vind het echt verschrikkelijk.
Het is voor een, naar mijn idee, overgroot deel van de mensheid, normaal geworden om veelvuldig de uitdrukking ‘Mijn God’en vooral ‘Oh my God’ te gebruiken. Er is een hippe afkorting voor: OMG. Er zijn zelfs emoticons van. Een uitroep van ofwel groot enthousiasme ofwel afschuw. Maar echt, waarom moet dat? Ben je nou echt God aan het aanroepen als je ziet dat je vriendinnetje een nieuw shirtje heeft? Of wanneer je aannemer de keuken zo leuk verbouwd heeft?
Ik stoor me daar zo vreselijk aan! Aan het gedachteloos ‘God’ gebruiken als stopwoordje, of je nou gelovig bent of niet. En ik stoor me nog meer aan het feit dat het blijkbaar algemeen geaccepteerd is om voortdurend de naam van God te gebruiken.
Ik ben niet vroom. Maar ik vind het wel iedere keer pijnlijk om het te horen. Van meisjes van amper 5 jaar oud tot sportcommentatoren bij de F1.
Het is vloeken. Meer kan ik er niet van maken. En ik vind het verschrikkelijk dat het nu mode is.
Hou daar alsjeblieft mee op, heb respect en roep God alleen aan als je je bewust bent van wat je eigenlijk zegt.
Denk een beetje na en blaat niet gedachteloos alles na . Er is niemand die het in z’n hoofd haalt om voortdurend ‘O my Allah’ of ‘O my Boeddha’ te zeggen. Waarom is dit dan wel normaal?

Als een kind

Vier jaar geleden schreef ik de blog: In het legomuseum

Ik ben met Lego opgegroeid en ik ben altijd liefhebber geweest. Maar, gek genoeg, altijd met andermans Lego. Ik had zelf geen Lego, waar ik mee speelde was van mijn grote zus en broer.
En wat er later in mijn eigen huis was, was van mijn kinderen. Die Lego is hier weer tevoorschijn gekomen voor de opvangkinderen.
Als ik Lego kocht, was het om cadeau te geven, nu nog steeds want ook mijn volwassen kinderen vinden Lego ontzettend leuk. En kleinzoon speelt met Lego Duplo.
We zijn een keer naar Legoland in Denemarken geweest en ik heb mijn ogen uitgekeken. Ik heb documentaires op tv en Netflix over Lego gezien, ik heb de wedstrijdserie Brickmasters gevolgd, ik ben in de Lego-store in Utrecht geweest, ik heb een Lego-VIP pas.
Maar ik heb nooit ook maar één steentje zelf in bezit gehad.

Lego is duur. Het is het waard, want het is onverwoestbaar, enorm goed uitgedacht en je kan er alles mee maken wat je maar wilt ( “Van Lego kun je alles maken” zong het geaffecteerde kinderkoortje vroeger al in de reclame). Daarom is het superleuk om cadeau te geven. Maar voor mezelf kocht ik het nooit. Er was altijd wel iets wat voorging blijkbaar.
Ik koop heus wel dingen voor mezelf, garens voor handwerk, spullen voor tekenen, ik kan me er enorm op verheugen als er weer iets nieuws op stapel staat. Maar Lego was iets waarover ik me waarschijnlijk schuldig zou voelen als ik dat zomaar kocht. Ik kan het niet eens aan mezelf uitleggen als ik erover nadenk, maar het gebeurde gewoon niet.

En vorige week kwamen er ineens allemaal dingen bij elkaar. Ik had de 2e prijs in een bijzondere schrijfwedstrijd gewonnen en daar hoorde een geldbedrag bij.
Ik ben een heel grote fan van het werk van Jim Henson, heb vrijwel al zijn films en veel prachtige boeken.
En, zoals gezegd ben ik een Lego-VIP en blijf op de hoogte via een nieuwsbrief.
In mijn mailbox kwam een nieuwtje: Lego kwam met een grote set van Sesamstraat.
Ik begon direct al wat te wiebelen op mijn stoel toen ik de link aanklikte. Ik was alleen thuis maar ik zat hardop te roepen en te piepen bij de foto’s die ik zag: “O kijk nou!!!” Het zag er zo prachtig uit allemaal, ongelooflijk gedetailleerd, kleurig, mooi, en 100 % de sfeer van Jim Henson. Ik wou dat. Echt ik wou dat.
Kon ik dat zomaar doen, zo’n grote set voor mezelf kopen? Mijn familie zei direct: “Doen joh! Jij mag toch zelf bepalen wat je met je prijs doet?”
Serieus, ik had de kriebels in mijn buik toen ik de bestelling plaatste. Het voelde bijna ongehoord dat ik dit ging doen, helemaal alleen voor mezelf een grote Legodoos kopen omdat ik dit zo ontzettend graag wilde hebben en verder nergens om!
“Hebben” kan een lelijk woord zijn en dat was hetgeen wat me nog een beetje tegen hield.
Maar ik kon mezelf wel overhalen hoor. Ik had eerlijk die prijs gewonnen en ik had nu voor het eerst in mijn leven een Lego-set gezien die ik onwijs graag wilde hebben. Nu mocht het kind in mij de beslissing nemen en dat deed ze met veel enthousiasme.

Na een paar dagen plezierige spanning, serieus zoals het vroeger voelde voordat het pakjesavond was, werd de grote Legodoos bezorgd. Het was eind van de vrijdagmiddag, het werd al donker, dus ik stelde me tevreden met de doos te bekijken, me te verwonderen over de hoeveelheid zakjes met bouwsteentjes die erin zaten en hoe dik het boek met de bouwbeschrijving was. Ik was er zo blij mee en in mijn hart was ik blij dat ik nog steeds zo blij kon zijn (volgen we het nog?) Ik ben een oma maar ik vond dat enthousiaste kleine meisje weer terug en dat maakte me intens gelukkig.

Zaterdag kon het bouwen beginnen. Urenlang had ik plezier en zag het huis groeien. De kelder met een grote spin erin, de kamer van Elmo, de kamer van Bert en Ernie, de badkamer. Toen het donker werd stopte ik, mijn concentratie was op. Zondag weer verder, het koffie-tentje en de kamer van Koekiemonster, de speelhoek van Pino, de afvalhoek van Oscar en 1000 details. Die overigens soms heel moeilijk waren dus ik moest mijn volwassen hersens goed aan het werk zetten.

Een telefoon, een brandmelder, een ventilatiesysteem, speelgoed, een koffiemachine, kassa, videorecorder, allerlei lampen, bloembakken, het lijkt allemaal zo simpel maar ieder dingetje moest gebouwd worden.
Bewondering voor de ontwerpers, het was echt ongelooflijk hoe alles uitgedacht was, in elkaar paste en hoe perfect de uitstraling was.

En nu is het klaar. Staat het huis op de kast en kijk ik keer op keer weer in de kamertjes, naar de details van de gevel, verplaats de poppetjes, kijk vertederd naar die schattige brievenbus, krantenbak, brandspuit en speelgoedtrein.
Ik zet Bert op het dak bij z’n duifjes, laat Ernie op het bed springen. Elmo kijkt in een receptenboek, Koekiemonster zit voor de tv te schransen, Oscar kijkt met z’n boze hoofd uit de vuilnisbak. Pino komt aanwandelen, het rubbereendje van Ernie zit op de badrand, het visje van Elmo zwemt in de kom.


Ik heb nu 1367 stukjes Lego. En ik voel met superblij. Een blijdschap die verder gaat dan het gevoel van iets leuks hebben. Een blijdschap die ik dacht overgroeid te zijn, maar die Godzijdank nog in mij bleek te bestaan. De intensiteit van de blijdschap uit mijn kindertijd.

Toen was geluk heel gewoon

Toen was geluk heel gewoon…. iedereen van mijn leeftijd kan dat regeltje meezingen.
Nostalgie ten top, ten eerste is het liedje nu oud en ten tweede gaat de tekst over nog langer geleden.

Dat zinnetje “Toen was geluk heel gewoon” is een eigen leven gaan leiden. Want het wordt kwistig gebruikt in reacties op nostalgische foto’s en filmpjes op Facebook, door mensen die ‘de goede oude tijd’ idealiseren en voor de tegenwoordige tijd niet veel goede woorden over hebben. (Blijkbaar vergeten ze daarbij dat Facebook en filmpjes op internet delen niet bij vroeger hoort)


Ik ben ook nostalgisch aangelegd, vind het heerlijk om goede jeugdherinneringen op te halen en dingen tegen te komen die een blije “O ja!” reactie bij me uitlokken.
Want in mijn kindertijd was het zo anders als nu, we woonden met z’n vijven in een flat met maar 1 kachel, mama maakte onze kleren zelf, het avondeten kwam op tafel in dekschalen (“geen pannen op tafel!”) en we hadden geen vaatwasser. Eerst zelfs geen wasmachine, maar een lavet met een draaiende vin. En als die vin eruit was kon er een stop in het afvoergat en kon ik in het lavet in bad.
Dat, en nog 1000 andere dingen, brengt een warm gevoel bij me boven en ik moet glimlachen om de herinneringen. Maar was het allemaal beter dan nu?
Naar mijn idee wordt ‘vroeger’ door een grote groep mensen geïdealiseerd.
Alsof toen alles fijn en knus was, iedereen aardig voor elkaar en alle gezinnen een veilige en geborgen omgeving.
Maar dat was toch helemaal niet zo!
Het liedje is geschreven door van Kooten en de Bie en zij waren ook degenen die het in eerste instantie uitvoerden. Ze zingen over 1948, 3 jaar na de oorlog, vanuit het oogpunt van de kinderen van toen.


Het roept een gevoel van kwetsbaarheid op en hun liedje komt bij mij veel meer binnen dan de latere hituitvoering van Gerard Cox.
Waar het volgens mij om gaat is het gevoel van weemoed om de verloren naïviteit van de kindertijd. Je was gelukkig als je ouders van je hielden en dan waren alle dingen goed thuis. En dat is toch iets van alle tijden?


Ik kan glimlachen bij veel herinneringen, bijvoorbeeld dat er ’s morgens bij het opstaan ijsbloemen op de ramen zaten. En ik vond ze mooi hoor, als kind, maar ik ben toch echt wel blij dat ons huis warm genoeg is en ik niet zoals mijn moeder bij het opstaan bibberend van de kou hoef te proberen om het petroleumkacheltje in de keuken aan te steken, waarna mijn hele gezin zich bij die ene kraan in de keuken moet wassen, ik dus nauwelijks de ruimte heb om brood te smeren voor de broodtrommel van mijn man, de thermosfles met koffie moet vullen die ik eerst moet zetten in een filter, waarvoor ik eerst water in de fluitketel moet koken, koffiebonen moet malen, schepje Buisman toe moet voegen, melk moet koken in een steelpan en zorgen dat het niet overkookt of aanbakt, ondertussen de ontbijttafel ook nog dekken en nogmaals die fluitketel opzetten voor thee ….. terwijl ik dit opschrijf word ik al moe en gestrest want hoeveel tijd kost dat allemaal! Maar als kind ervaarde ik dat als veilig en geborgen. Ik kan niet meer vragen hoe mijn moeder het ervaarde, maar het is voor haar heus niet simpel en allemaal fijn geweest, want toen het kon kwamen er bij ons gevelkachels in iedere kamer, er kwam een koffiezetapparaat, het lavet ging eruit en er kwam een mooie douchecel.

Ik ga nog een stapje verder terug in de tijd. Mijn moeder vertelde graag over haar jeugd, die heeft ze ook als veilig en geborgen ervaren. Voor mijn grootouders was het allemaal nog veel minder simpel, het dagelijks leven was hard en zorgelijk. Mijn opa had drie (DRIE!) vakantiedagen in een jaar! Er was geen warm water, er was geen gas om op te koken, de was moest met de hand gedaan worden….. maar de herinneringen van mijn moeder aan haar kindertijd waren goed. Ook al was ze tussen twee wereldoorlogen in geboren en woonden ze met z’n zessen in een klein huisje.

Als ik kijk naar mijn eigen kinderen, hoop ik dat ik ze ook een gevoel van veiligheid en geborgenheid heb kunnen geven. Zij zijn opgegroeid in de jaren ’90. En ook zij halen herinneringen met elkaar op aan kleine dingen die voor hen als kind zo belangrijk waren: op zondagavond samen in het grote bed mogen slapen en dan op maandag toch weer in je eigen bed wakker worden, thuiskomen uit school en het raampje van de keuken open zien staan waar de geur van pannenkoeken uitkwam.
Dingen waar een kind blij van wordt, en herinneringen die je altijd met je meeneemt. Dat is goed, je wilt als ouder voor je kind een onbezorgde jeugd.
En dan is de zin “Toen was geluk heel gewoon” ineens in een andere context geplaatst.
Ieder kind verdient het om geluk te ervaren en zolang het kan naïviteit te bewaren. Of je nou in 1925, 1961, 1988 of 2019 geboren bent.

Afgelopen week werd ik geïnterviewd door 2 meisjes uit groep 7, over communicatie. Hoe dat vroeger ging. Ik vertelde over van alles en hun conclusie was: Dus nu is het eigenlijk allemaal veel makkelijker!
Dat verraste me. Zo had ik er nog niet over nagedacht. Ik maak me zorgen over de ontwikkelingen van internet en de invloed van Google- and -friends. Ik zie dat ieder kind een tablet en een mobiel heeft, dat er anders gespeeld wordt dan dat mijn kinderen deden. En vraag me af of het goed is.
Maar deze meisjes leven òòk in de geborgenheid van liefdevolle en veilige gezinnen, ook al verschilt hun kindertijd met die van mijn kinderen. Maar die zag er immers ook anders uit als mijn kindertijd en de mijne weer anders als die van mijn moeder?

En mijn kleinzoontje is gelukkig ook in een goed gezin geboren. Die gaat ook mooie herinneringen maken.
En dan is voor een kind geluk heel gewoon. Voor ieder kind van alle tijden.