Er zit een luchtje aan

Het was een stralende zondag, toen het meisje haar 6e verjaardag vierde. Ze had een cadeau gekregen, waarover ze tot dan toe niet eens had durven dromen.
Een poppenwagen, zo mooi dat het amper speelgoed leek. Het was een kleine uitvoering van een echte kinderwagen en ze was sprakeloos van bewondering. Vier hoge wielen met smalle witte banden en dunne spaken, aan een glanzend chromen onderstel. Leren riempjes zorgden voor de vering, de bak was van donkergroene skai met een brede witte band opzij. De kap kon omhoog en omlaag, aan de duwstang hing een boodschappennet. Ze kreeg er van haar zus en broer ook nog lakentjes en dekentjes bij en een wagenspanner met pastelkleurige eendjes. Het was allemaal bijna te mooi om te bevatten.
Ze was zielsgelukkig, toen ze in de tuin, met haar nieuwe wagen speelde.
De buurmeisjes kwamen op visite, van de een kreeg ze een feestjurkje voor haar pop, een witte met kant en roze bloempjes. Van de ander een setje met poppenspullen: flesjes en bekertjes en bordjes met lepels en dat maakte het spelen nòg mooier.
De zon scheen en de liguster bloeide, de onopvallende bloempjes gaven een zware, vreemd zoete geur af, die ik voor altijd zal associëren met dat moment.
Want natuurlijk was ik dat meisje. Het kind wat die intens gelukkige herinnering altijd heeft bewaard. Het complete plaatje, met alle details, staat me nog steeds voor ogen.
Als de liguster bloeit (het lijkt wel een boektitel voor een streekroman) en ik die geur ruik, dan voel ik me acuut gelukkig.

Geuren zijn enorm belangrijk voor mij. Ze bepalen sfeer, ze roepen herinneringen op, ze zorgen voor emoties. Ik heb er al eens eerder over geschreven (Cumarine

Maar zojuist liep ik langs een perkje wilde rozen en toen gebeurde het weer, dat ik terug ging in de tijd. Bij onze lagere school stonden ook wilde rozen. Ik was altijd in de zomervakantie jarig, dus trakteren moest een paar dagen eerder, soms zelfs op de laatste schooldag. Dan stonden de ramen van het klaslokaal open en dreef de weeïge geur van de bloeiende wilde rozen binnen. En nu is het nog steeds voor mij: ruik ik wilde rozen? Dan ben ik bijna jarig. 

Uiteraard heb ik in mijn leven nog veel meer geurherinneringen verzameld. Gelukkig zijn verreweg de meeste goede herinneringen. Ja, er zijn ook geuren die nare associaties geven, maar die koester ik natuurlijk niet, integendeel.
Maar een keertje douchen met de oranjebloesem-schuim die ik mee had naar Rome, of die met kokos waar Turkije-met-Irene herinneringen aan zitten… heerlijk. Ogen dicht, genieten!

De algemene dingen zoals de geur van zonnebrandcrème, die je herinnert aan lange hete zomerdagen, of de geur van versgebakken speculaas, die je aan Sinterklaas doet denken, hebben we volgens mij allemaal wel.
Maar heb jij ook van de specifieke geuren waarbij je een mooie herinnering hebt? Ik ben heel benieuwd! 

Wie schrijft, die blijft!

‘Ja, dat kan wel wezen, maar waar blijf je nou de laatste tijd?’ Het kan zomaar zijn dat je dat dacht. Ik heb een aantal zeer trouwe lezers van Daagse Dingen, waar ik echt heel blij mee ben, maar die kunnen wel het gevoel hebben dat ik ze een beetje in de steek laat momenteel. Sporadisch een blog, wat korte verhalen die al eerder geschreven zijn, hoe zit dat? Ik zal het uitleggen! 

Ik ben dus gestopt met de kinderopvang en heb momenteel geen andere baan ,dus je zou zeggen dat ik tijd zat heb om te schrijven. Nou, dat valt in de praktijk nogal tegen. Of eigenlijk mee, om het eens lekker verwarrend te maken. Juist omdat ik meer tijd heb, durf ik het aan om aan grotere schrijfwedstrijden mee te doen. Dus ik schrijf me bij tijd en wijle haast ongans,  zodat ik er zelfs over droom. Maar dat zijn geen blogs voor Daagse Dingen. 

Wat heb ik dan wel onder handen? 
In mei heb ik een heel jeugdboek opgestuurd naar een Vlaamse uitgeverij. Die schrijft sinds de helft van de vorige eeuw jaarlijks een wedstrijd uit. De winnende boeken worden uitgegeven voor basisscholen, om de leesvaardigheid en het leesplezier van kinderen te stimuleren. Dit doen zij dus al jarenlang, er zijn al veel titels verschenen, maar ik heb er nooit aan meegedaan. Waarom niet? Geen tijd, geen durf, geen ideeën, zo simpel was het.

Maar ineens had ik nu alledrie en waagde ik het erop. Het onderwerp en het plot mocht je helemaal zelf bedenken, als het maar boeiend zou zijn voor kinderen in de bovenbouw van de basisschool. Het was een hele klus, omdat ik wel iets van niveau wilde maken. Dus het kwam neer op schrijven, herschrijven, bijschrijven, afschrijven…. Maar het is gelukt! Ik heb een boekje afgeleverd, netjes voor de deadline, waar ik zelf trots op ben. Waar gaat het over? Zeg ik niet! Stel je nou eens voor dat mijn inzending wordt uitgekozen voor uitgave, dan zie je het vanzelf! (reken maar dat ik het dan van de daken schreeuw)
Helaas moet ik wel tot november op de uitslag wachten, maar dat is altijd zo met schrijfwedstrijden. Na de opwinding van de deadline en het inzenden, volgt een eindeloos lange periode waarin je helemaal niks meer hoort. Logisch, alle inzendingen moeten gelezen en beoordeeld worden. Maar als je zelf erg enthousiast en trots bent, dan wil je eigenlijk de week erna al horen: ‘Geweldig, je inzending sprong er helemaal uit, we gaan het uitgeven!’
Jammer dan, zo werkt het niet, dus geduld is een schone zaak.

En nu heb ik een nog veel groter project. Voor de wedstrijd waar ik nu voor aan het schrijven ben moet ik minstens 5 x zoveel woorden gebruiken als voor het kinderboek. Het minimum is 50.000 woorden. Als je bedenkt dat wat ik nu hier geschreven heb 484 woorden zijn, kan je je wel indenken dat het een aardige klus is.

Hiervoor is er wel een thema, namelijk een cozy dectective! En dat is zoooo in mijn straatje! Ik ben een fan van Miss Marple, van Rosemary & Thyme , van Agatha Raisin! Cozy wordt overigens hier met een z geschreven omdat de term ‘cozy detective ‘ uit Amerika komt.
In tegenstelling dus tot het Engelse ‘cosy ‘, wat ik ook gebruikt hebt in de naam van mijn website www.cosymodus.nl, waarop je allemaal huiselijk en gezellig haakwerk kan bestellen, ik maak namelijk alles volgens jouw wensen. Ok, dit is een uitstapje maar ik mag vast wel even reclame voor mezelf maken. Kijk gerust even op de site!

Wij vertalen ‘cosy ‘ meestal met ‘gezellig’. Maar wat is er nou gezellig aan misdaad?  Niks natuurlijk, behalve dat die misdaden gepleegd worden in een gezellige en vaak landelijke omgeving en er een of andere amateur- speurneus het raadsel oplost. Cozy kunnen we dus beter als ‘kneuterig’ vertalen. 

Zelf zo’n cozy detective schrijven vond en vind ik wel een enorme uitdaging. Wie is mijn amateur detective, wie is de side-kick, waar speelt het zich af, wat gebeurt er überhaupt!
Het hele plot zit inmiddels in mijn hoofd, losse eindjes waar ik niet uitkwam heb ik netjes af kunnen werken omdat Bert mij ideeën daarvoor aan de hand deed, en ik heb ondertussen ongeveer de helft geschreven.
Maar wat is dit spannend! Ja, ik hoop natuurlijk dat het verhaal wat leuke spanning geeft, maar het is eert nu spannender hoe ik het moet doen! Alles moet tenslotte kloppen, het moet boeiend zijn, er moet een klein beetje humor in. Ik moet personages bedenken, ik moet een misdaad bedenken, ik moet motieven bedenken, ik moet …. nou ja eigenlijk alles bedenken. En opletten dat ik niet clichématig ben, dat ik geen plagiaat pleeg, dat ik de lezer niet te snel laat weten wie ‘het’ gedaan heeft…

Kortom, ik ben er heel druk mee. Zowel in mijn hoofd als qua tijd. Want ook hier zit een deadline aan natuurlijk. Overigens mag je ook een onvoltooid script insturen, maar dat is niet iets voor mij. Ik moet het af hebben, dan is het goed.
En uiteraard vertel ik ook hier niet waarover het boek gaat! Top secret, cozy of niet.

Zo, met deze uitleg heb ik A:  een nieuwe blog geschreven, B: uitgelegd waarom het de laatste tijd was stil was hier en C: stiekem een beetje reclame gemaakt voor Cosymodus, Huiselijk Haakwerk op bestelling. Want daar heb ik ook nog tijd voor hoor, tijdens het haken kom ik vaak juist op de mooiste ideeën! 

(foto: pixabay)

De vlucht

Ik deed mee aan een mooie schrijfuitdaging, met fotokaarten: Kies 2 willekeurige nummers en ontvang een blauwe en een groene kaart. Schrijf hierover een kort verhaal van rond de 2000 woorden. 
Ik kreeg deze kaarten en schreef hierbij onderstaand verhaal:

(kaarten: 18.02publishing)

De Vlucht

“Klaar voor je grote dag?” Corvus strijkt neer naast zijn kleinzoon en kijkt hem met zijn priemende kraaloogjes aan.
“Ik wil ook mee!” dringt Carrion zich ertussen, voordat haar broer heeft kunnen antwoorden.
“Nee”, zegt Corvus resoluut. “Jij kwam minstens 3 dagen later uit je ei, dus je moet gewoon nog even wat sterker worden. Ik beloof je dat jij ook met me mee mag als je er aan toe bent”. 
Hij wendt zich tot Crowbar, die van zijn ene poot op zijn andere staat te hippen. “Zenuwachtig?”
Crowbar knikt maar zegt dan stoer: “Maar ik kan de hele dag wel vliegen!”
“Dan gaan we!” roept Corvus en hij stijgt met grote vleugelslagen op van het nest. Crowbar doet zijn best om net zo imposant te starten, maar tot zijn ergernis wordt het een onhandig gefladder en hij negeert wijselijk het krassende lachje van Carrion. 
Als hij zijn balans gevonden heeft voelt hij zich zekerder en zweeft uitdagend over het nest.
“Tot ziens, zusje!” schettert hij en voegt zich dan haastig bij zijn grootvader. 

Die vliegt met een rustige zekerheid en Crowbar probeert hem te imiteren.
Corvus went zijn blik naar hem en roept: “Rust en regelmaat!” Crowbar ontspant terwijl hij zijn ritme vindt en het duurt niet lang tot hij net zo gelijkmatig vliegt als zijn grootvader. 
Hij geniet. Hij geniet tot in de punten van zijn slagpennen. Dit zweven, dit vliegen, deze ultieme vrijheid! Niet meer afhankelijk van het nest, weg van zijn zusje en zijn ouders, dit is leven!
“Nu gaan we wat hoger!” roept Corvus en Crowbar merkt tot zijn geluk dat hij hem moeiteloos kan volgen. Hij overstijgt zelfs letterlijk de oudere vogel en hij voelt zich onoverwinnelijk. 
“Ik ben de Koning van de Wereld!” roept hij uit en hij weet dat hij dit moment nooit meer zal vergeten.
Corvus duikt naast hem op en roept: “Kom! Ik wil je wat laten zien!” 
Crowbar volgt zijn grootvader en samen vliegen ze hoog boven … ja wat is het eigenlijk? Crowbar herkent het niet. Het lijkt een rivier maar er is geen water, het lijkt op rots maar het is recht en onnatuurlijk gevormd.
“Koning van de Wereld zei je toch?” vraagt Corvus. “Er is nog eens iemand geweest die dat van zichzelf zei. En die heeft dit laten maken.” 
“Wie was dat?” vraagt Crowbar nieuwgierig. “En wat is het, wat we hier zien?”
“Ik vertel je straks alles”, zegt Corvus. “Ik wil nu eerst dat je goed kijkt. Heel goed kijkt”
“Het is een rivier van steen!” zegt Crowbar. “En hij lijkt eindeloos!”
“Wat zie je nog meer?” dringt zijn grootvader aan. “Dood”zegt Crowbar. “De bomen zijn dood. Ze zijn bruin en verdord en ik zie geen dieren.” 
“Juist”, zegt Corvus.  “Kom, we landen even. Dan kan ik je er rustig over vertellen. Je bent er aan toe”. 

“Hier?” vraagt Crowbar. Hij voelt zich onprettig in deze omgeving, maar hij begrijpt dat zijn grootvader het belangrijk vindt.
“Wat ik je nu ga vertellen hoorde ik van mijn grootvader. En die weer van zijn grootvader en zo verder, een eindeloze rij voorvaderen. Jij moet me beloven dat jij dit ook weer aan jòuw kleinzoon zal vertellen.”
Crowbar knikt. Het bevalt hem dat zijn grootvader hem als een volwassene behandelt, dat hij nu deel mag gaan uitmaken van die lange familietraditie. Het voelt gewichtig.
“Heel lang geleden was er een volk van tweebeners. Niet zoals wij, ze waren veel groter, ze hadden geen veren en ook geen vleugels. Ze hadden zelfs nauwelijks haar, de meesten waren kaal als een worm. Misschien waren ze familie van de viervoeters, ik weet het niet precies. Ze hadden wel voorpoten maar die gebruikten ze niet om te lopen, maar om dingen te pakken en te dragen.
Er waren er veel, heel erg veel. De meesten waren goed. Maar een aantal waren slecht en wilden de anderen overheersen. Toen dat lukte kregen die onderling ook nog strijd en uiteindelijk bleef er éen machthebber over. Die noemde zichzelf de ‘Koning van de Wereld”. Corvus kijkt even schuin naar zijn kleinzoon.
“En hij kon niet eens vliegen”, mompelt Crowbar. Hij vindt het verhaal tot nu toe nog niet zo boeiend en heeft geen idee waarom zijn grootvader dit nou allemaal zo belangrijk vindt. 
“Inderdaad”, knikt Corvus. “Het volk noemde hem Heerser. Hij had de macht. En die steeg hem naar zijn hoofd. Hij wilde iets speciaals hebben, iets dat aan iedereen op de hele wereld liet zien dat hij Heerser was.
Hij ontbood zijn dienaar Hielenlikker, de enige die hij vertrouwde. Die stelde voor om deze stenen rivier te laten maken. Het zou een monument zijn wat zelfs vanuit de lucht te zien was, het zou een grens zijn om zijn volk binnen te houden, het zou een weg zijn om bewakers op te zetten.”

Corvus kijkt naar Crowbar, die ondertussen aan een scheefzittend veertje onder zijn vleugel zit te frunniken.
“XIAU!” krast hij hard.  Crowbar schrikt op. “Ja nou, ik had jeuk en…”
“Xiau!” zegt Corvus nogmaals. 
“Ja u ziet me, maar wat wilt u daarmee zeggen?” Crowbar snapt het niet.
“Xiau was een van de Tweebeners die aan het werk moest voor de Heerser.  Samen met talloze anderen werd hij door Hielenlikker en zijn helpers gedwongen om aan de stenen rivier te werken. “Muur” noemden zij het. Xiau was goed en vriendelijk. Maar hij had het moeilijk. Weggehaald uit zijn huis moest hij werken van zonsopgang tot zonsondergang. Rust kreeg hij alleen op een plek die snel gebouwd was, een paar uur slaap op een koude harde vloer tussen heel veel lotgenoten. Eten was er nauwelijks, 2 keer per dag iets vloeibaars wat ‘soep’ genoemd werd. Xiau wist niet of hij het zou overleven. Hij verloor alle moed en alle kracht. 

Op een avond zat hij met gesloten ogen op de  vloer van het onderkomen toen hij een zacht gekras hoorde. Hij opende zijn ogen en zag een van ons volk voor zich zitten. Het was een verre voorvader van ons, jongen, hij heette Banggai”.

Crowbar knikt, en krijgt wat meer belangstelling. De naam Banggai is beroemd in zijn familie en Crowbar had altijd al het idee dat het een soort held geweest was.
“Banggai was intelligent en nieuwsgierig”, gaat Corvus verder. “Hij had het tochtige stenen nest gezien en hij wilde er meer van weten. Een tijd lang hield hij de plek in de gaten, en hij zag dat het overdag leeg stond, maar dat aan het eind van de dag de tweebenige werkers dodelijk vermoeid arriveerden. Ze kregen hun schamele maal van een paar schreeuwende, weldoorvoede wachters en probeerden daarna uitgeput wat slaap te krijgen.
Eén bepaalde werker viel hem op, omdat hij met zijn rug tegen de wand ging zitten in plaats van te gaan liggen. Zijn ogen waren gesloten maar Banggai wist dat hij niet sliep. Een sfeer van wanhoop en pijn hing zo duidelijk om de werker heen dat Banggai het kon waarnemen. En hij nam nog iets waar, de geest van de tweebener schreeuwde geluidloos om hulp.
Banggai was voorzichtig, maar ook getroffen. Hij vroeg zich af of hij contact kon maken met dit wezen”.

“En lukte dat?” vraagt Crowbar. Hij is nu geboeid geraakt en wil graag weten hoe het verhaal verder gaat.
“Ja”, zegt Corvus eenvoudig.“Banggai en de werker spraken een andere taal. Maar hun geest kon communiceren zonder woorden. Ze vertrouwden elkaar van het begin af aan. Banggai liet toe dat de werker hem aanraakte. De werker liet toe dat Banggai op zijn schouder neerstreek. Alles heel voorzichtig, want dit contact moest tussen hun beiden blijven. Iedere andere werker, of nog erger wachter, zou het kapot maken, daar waren ze beiden van overtuigd. 

Avond aan avond wachtte Banggai de werker op, op de rand van de opening in de wand waar de werker altijd ging zitten. Ze maakten dan oogcontact maar zeiden verder niets. Pas als de anderen sliepen en de wachters buiten rond hun vuur zaten te drinken, vloog Banggai naar de werker toe. Wat in het begin een zacht gekras was, in onze eigen taal, veranderde op den duur in andere klanken, die ze beiden konden spreken en verstaan.
Banggai leerde de naam van de werker, Xiau. En andersom leerde Xiau de naam van onze voorvader.
En dat was niet het enige. Door de aanwezigheid van Banggai begon Xiau weer een doel te krijgen om ’s morgens wakker te worden en ’s avonds terug te keren naar het onderkomen. Het contact met Banggai voorkwam dat hij het opgaf. Hij moest nog steeds uitputtend werk doen, maar hij kon het nu beter verdragen”.

“En toen?” vraagt Crowbar. Hij heeft geen idee hoe dit verhaal gaat aflopen. “Die ‘muur’ is er dus, maar de Tweebeners zijn verdwenen. En de natuur daar is dood, hoe zit dat dan?”
“Dat komt straks”, zegt Corvus. “We gaan het allemaal niet te zwaar maken jongen, het is nu tijd voor wat anders!” Hij stijgt op en roept. “Kom! Probeer maar eens om mij in te halen!”
Dat laat Crowbar zich geen twee keer zeggen, hij lanceert zichzelf bijna om maar zo snel mogelijk weg te vliegen. Hij doet graag met zijn grootvaders spel mee, maar hij wil ook weg van deze nare plek. Corvus draait en duikt, Crowbar doet zijn best om hem daarin te volgen. Hij geniet van de ontspanning en schettert luid van vreugde.
Grootvader leidt hem weg van de deprimerende plek, ze komen weer in groene en gezonde natuur. Uiteindelijk strijken ze neer op de tak van een grote boom. “Hè hè”, zucht Corvus, “Even uitrusten. Dat deed je geweldig jongen, je hebt me goed bij kunnen houden!” Crowbar glimt van trots.
“Ik heb dorst!” zegt hij dan.  “Ik ook”, zegt Corvus, “gelukkig is er hier vlakbij water”.
Ze vliegen langzaam weg van de boom en landen bij een kleine stroom. Als ze gedronken hebben zegt Crowbar: “Grootvader, is dat onderkomen er nog, waar Banggai en Xiau waren? ” 
“Daar kunnen we ook nog wel even heengaan als je dat wilt” antwoordt Corvus,”al is er eigenlijk niets te zien”.
“Ik wil het wel graag”, zegt Crowbar en grootvader knikt. “Kom maar dan” . Ze stijgen weer op een vliegen samen  boven de bomen totdat Corvus zegt: “Daar! Zie je dat witte? Dat is het”. 
Crowbar daalt en ziet de onnatuurlijke scherpe vormen, de kale witte wanden met gaten erin.
Hij landt voorzichtig op de rand van zo’n gat en kijkt naar binnen. Niets, helemaal leeg. Geen voorwerpen, geen geluiden, doodse stilte. 
“XIAU!” roept hij en de echo klinkt als een antwoord. 
“Wat is er van hem geworden?” vraagt hij dan.  

“Ik zal het vertellen”, zegt Corvus.
“ Op een nacht zei hij tegen Banggai; “Ik ben bang dat ik ga sterven. Maar ik wil dat niet hier.” Er kwam vocht uit zijn ogen en Banggai begreep dat het van angst en verdriet was. “Ik help je”, zei Banggai en vertelde hem zijn plan.
De volgende ochtend zagen de wachters een lichaam liggen bij de kuil die de werkers gebruikten om hun behoefte in te doen. Er zwermden zwarte vogels om heen en eentje zat zelfs op de borst en pikte naar de plek waar zijn ogen zaten.
“O, laat maar, die is al dood”, riepen de wachters tegen elkaar. “Die wordt zo wel opgevreten, scheelt ons weer werk” . Ze keken niet meer naar het lichaam om. Toen iedereen was vertrokken naar de bouwplaats ging Xiau, want die was het natuurlijk, rechtop zitten. Banggai en zijn familie leidden hem rustig en voorzichtig naar een veilige plek in het bos.
Ze brachten hem water en voedsel en verzorgden zijn wonden.
Xiau heeft nog een flink aantal maanden in hun midden geleefd en was gelukkig.Toen hij stierf, was dat in vrijheid. “
Corvus kijkt zijn kleinzoon aan en ziet dat die onder de indruk is. “Kom, zegt hij, we gaan hier weg”.
Crowbar gaat mee maar laat het verhaal nog even op zich inwerken. Hij is trots op Banggai en op zijn volk, maar voelt zich triest vanwege Xiau.
Maar als hij weer vliegt, vult het gevoel van vrijheid en geluk zijn hart weer. Toch wil hij nog éen ding weten.
“Grootvader, waarom is alles bij die ‘muur’ zo dor en doods? “ roept hij.
Corvus komt naast hem vliegen. “Wat er precies gebeurd is weet ik niet”, zegt hij. “Maar het komt doordat de Heerser alles vergiftigde. Zijn eigen geest als eerste, en daarna alles in zijn omgeving. Deze tweebeners hadden de beschikking over onnatuurlijke middelen en wapens en dat werd hun eigen ondergang. Wij hebben besloten dat niet verder te onderzoeken. Het leidt immers tot niks goeds.”
Crowbar knikt instemmend en raakt daardoor direct uit balans. “Hahaha”, krast Corvus en dat maakt de stemming gelijk weer luchtig.
“Kom jongen!” roept hij dan. “Wie het eerste thuis is!”

Als Crowbar bijna bij het nest is, verstopt hij zich op een tak dichtbij tussen de bladeren. Hij ziet Carrion in het nest zitten. “Ik zie jou!” roept ze en Crowbar herhaalt zachtjes “Xiau”. Hij grinnikt in zichzelf. Dan vliegt hij naar Carrion toe en strijkt met zijn wang langs de hare. “Hallo lief zusje, daar ben ik weer!”
Corvus landt ook op de rand van het nest en zegt: “Wees maar trots op je broer, want hij heeft zijn eerste lange vlucht fantastisch goed gedaan!”
Carrion kijkt met stralende oogjes naar Crowbar. “Geweldig! En weet je? Over drie dagen mag ik met grootmoeder mee!” zegt ze. “Ze wil me wat laten zien” . 

The Empire strikes back

Trouwe lezers weten dat ik wel van tuinieren hou. Niet het spic-en-span gebeuren, maar het in toom houden van al te wilde groeisels en ondertussen me verwonderen over de ontelbare levensvormen en vormpjes in het kleine eco-stelsel van onze tuin.
Door mijn voorkeuren is de grens tussen wild en verwilderd soms wat vaag, maar ik heb toch echt het liefst een tuin waarin veel natuur te zien is, zowel in flora als in fauna. 

Nu ik de kinderopvang niet meer heb, kan ik ook mijn zoon vaker helpen met zijn tuin. Hij woont in een hoekhuis met aan 3 kanten tuin en het is erg veel om in je eentje te onderhouden. Helemaal als je zo in elkaar zit, dat je meer energie verbruikt dan de gemiddelde mens, om je dagelijks leven op orde te houden.

Gister was ik er ook weer en ging in de voortuin aan het werk.
Zoals gezegd, het is een hoekhuis en aan de andere kant van de straat is een grote berm met daarachter weilanden.
Waar een berm ongerept en prachtig is als er grashalmen, boterbloemen en paardenbloemen groeien, zo waardevol voor insecten en vogels, is het bij de tuin die er 10 meter vanaf ligt ineens armoedig en onverzorgd en niet sociaal geaccepteerd.
Wat dat betreft zit de mensheid maar vreemd in elkaar vind ik. Iedereen is het erover eens dat insecten van levensbelang zijn voor de wereld, en gooit vervolgens zijn bestraatte tuin vol met azijn, om op die manier het enige wat er nog kan groeien, ook tegen te gaan.  Dat je daarmee de grond compleet vergiftigd met zuur en dus ook al die van levensbelang zijnde insecten, dat is blijkbaar dan ineens niet erg. Er zijn nauwelijks nog tuinen met bomen of grote struiken, dus ook geen vogeltjes. Die zouden trouwens toch niks te eten hebben want die insecten en zaaddragende plantjes zijn al dood door het azijnzuur. En dan wel een insectenhotel, een nestkastje en een vetbolletje aan de betonnen schutting hangen, want dat staat zo leuk en ecologisch betrokken.
Ok, ik heb mijn punt gemaakt en zal nu stoppen met afdwalen voordat dit blogje net zo zuur wordt als al die azijn.

Want o ja, ik ging in de tuin werken. Wat extra tuingereedschap en mijn knielbankje mee, op naar Drenthe. Meneer Zeikstra was ook mee. Lenny dus. Echt wat kan die hond zaniken. Dan mag hij daar in huis en in de achtertuin lekker rondstruinen, maar nee er moet gejammerd en geweeklaagd worden. Want ik ben in de voortuin en dat maakt hem de eenzaamste en meest verwaarloosde hond van het westelijk halfrond. Hij werd pas stil toen hij ook in de voortuin mocht, het maakt hem dan blijkbaar niet uit dat hij dan aan de lijn moet. Ik snap hem niet.
Die voortuin was overwoekerd door gras. Hetzelfde gras wat in de berm groeit, dat staat daar natuurlijk heerlijk zijn zaden weg te laten waaien en wrijft zich in de halmpjes dat het vermenigvuldigen zo goed lukt.
En nee, zeg nou alsjeblieft niet: het is een kwestie van bijhouden. Want zo ongecompliceerd is het niet.
Die voortuin is qua samenstelling een diepe ellende. Het is een hoekhuis. (dat heb je na 3x vertellen vast wel begrepen) En ik heb het idee dat toen de huizen gebouwd werden, de voortuin van het laatste huis (dit huis dus) is gebruikt als bouwput voor alle rommel die er overbleef. De grond zit namelijk helemaal, maar dan ook helemaal, vol met puin. Een eindeloze hoeveelheid steenresten. Dit is slechts een stukje oppervlak:

Er zijn serieus al een aantal spaden gesneuveld in de afgelopen jaren.
Graswortels zijn dun. En die kruipen tussen die stenen door, maar dat maakt ook dat ze zo ongeveer vastgemetseld zitten in de grond. En ze gaan zo diep! Volgens mij is het Australisch gras, dat zich vasthoudt aan zijn roots.
En het is natuurlijk groeizaam weer nu, alles ‘brult de grond uit’, om met mijn vader te spreken.
Daar kan geen ‘kwestie van bijhouden’ tegenop, echt niet. 

Dus ik ging werkelijk een gevecht aan. Stukje voor stukje probeerde ik de grond grasvrij te maken.
Er staan een paar leuke struiken: hibiscus, bonte kardinaalsmuts, oleander en brem. Ik prikte en harkte daar keurig omheen, was niet van plan om die planten in mijn strijd te betrekken. Toch voelde de hibiscus zich blijkbaar bedreigd en stak mij venijnig met z’n puntige takken. Ik zei hem daarmee op te houden. Toen ik tot bloedens toe 3x was aangevallen werd ik ook kwaad. Wie niet horen wil moet maar voelen, dus ik knipte onherroepelijk een paar takken af. Eigen schuld. Ik heb hem daarna ook niet meer vernomen.
Behalve gras groeiden er ook een paar planten Ridderzuring. Die hebben, net als paardenbloemen, een penwortel, dus die moet je uitsteken.

Maar goeie genade wat zijn deze penwortels achterlijk lang! Ik bleef maar verder graven en graven en het einde van de wortel kwam maar niet in zicht. Ik zat inmiddels zo diep dat ik verwachtte een veenlijk aan te treffen. Zag de krantenkoppen al voor me. “Vrouw doet belangrijke archeologische vondst en ziet hiermee droom in vervulling gaan” . Wie weet kon ik van het bedrag wat het Drents Museum zou bieden, een hovenier inhuren die de hele puinzooi in de voortuin af zou graven en er goede aarde voor in de plaats storten. 
Het budget hiervoor is namelijk niet aanwezig. Vroeger kon mijn zoon een beroep doen op Buurtsupport, die kwamen met serieus gereedschap in de tuin helpen voor een bescheiden vergoeding. Helaas is dit mooie initiatief, net als vele andere sociale voorzieningen,  wegbezuinigd door onze fantastische regering. Frustratie waar ik nu niks mee kon.
Behalve botvieren op de Ridderzuringpenwortel. Mooi woord voor galgje trouwens.
Ik trof geen veenlijk aan. Zelfs geen potscherven van het Trechterbekervolk. Alleen maar brokjes baksteen en brokjes dakpan en uiteindelijk een toch nog afgebroken wortel van de Ridderzuring. Dus het puntje zit nog steeds in de grond, volgende week zal er wel weer een klein riddertje blij zijn irritante hoofd boven de grond uitsteken. 

Er liep een meneer met een hond voorbij en Lenny vond het nodig om die de stuipen op het lijf te jagen door heel hard te gaan blaffen en vooruit te springen. De hond was echter niet onder de indruk. “Hij is doof”, legde de man uit. Hij begon een heel gesprek over honden en ik ging even netjes staan, vond het onfatsoenlijk om in de grond te blijven graven ondertussen.
Mijn blik dwaalde over de tuin, ik schoot toch al wel op, vond ik. “Nou, ik ga weer” zei de man. “Succes verder, u heeft nog genoeg te doen zie ik”. Altijd fijn als iemand je een hart onder de riem steekt.
Ik ploeterde nog een poosje door, tot zoon thuis kwam van het werk. Hij had een lekker biertje in huis gehaald en dat smaakte briljant na al het harde werken. Toen ik uit het raam keek zag ik wel degelijk een groot verschil met hoe het er ‘s ochtends had uitgezien. The Empire was nog niet helemaal overwonnen maar zijn ongewenste gelederen waren flink uitgedund.

‘s Avonds gingen zoon en ik samen naar de bioscoop, naar The Lost City. Geweldig leuke film.
Over een schrijfster die een belangrijke archeologische vondst doet.
Zie je wel? Dat kan heus wel!

Knikkers 

(Kort verhaal)

“Wil jij de knikkerbaan voor me pakken?” vraagt Milan aan zijn moeder. Ze knikt en reikt naar de bovenste plank van de speelgoedkast. “Alsjeblieft” zegt ze, terwijl ze de doos met onderdelen aan haar zoontje geeft. Hij mompelt iets wat op ‘dank je’ lijkt en installeert zich in kleermakerszit op zijn speelkleed. Hij stalt alle onderdelen voor zich uit, legt ze daarna in een bepaalde volgorde en begint te bouwen. Zijn moeder kijkt ernaar en vraagt zich af waarom hij altijd zo systematisch te werk gaat. Zelf is ze enorm chaotisch, van haar kan hij het niet dus hebben. Ze grinnikt inwendig en richt haar aandacht weer op haar boek. Als ze hoort: ”Mam! Kijk, hij doet het!” kijkt ze op en laat het boek uit haar handen vallen. De knikkers rollen van beneden naar boven.
Dat heeft ze vast niet goed gezien. “Doe het nog eens?” vraagt ze. Milan legt een knikker in het onderste geultje en weer ziet ze duidelijk dat hij omhoog rolt.
“Hoe kan dat?” roept ze. “Nou gewoon” zegt Milan. “Zo heb ik hem gebouwd.”
Ze is verbijsterd en weet niet hoe te reageren. “Maar dat bestaat toch helemaal niet”, zegt ze.
“Een knikker kan alleen maar van boven naar beneden rollen!”
“Natuurlijk bestaat het wel!” Milan begrijpt de vertwijfeling van zijn moeder niet. “Ik heb het toch zo bedacht?”.
Zijn moeder kan geen woord uitbrengen. Haar kind, deze vierjarige, kan maken wat hij bedenkt en daarbij de natuurwetten veranderen. Ineens schiet haar een term te binnen. De magische fase.
“Hoe bestaat het”, fluistert ze voor zich uit.
Milan wordt alweer in beslag genomen door een verdere uitbreiding van zijn knikkerbaan en let niet meer op haar.
Ze raapt haar boek op, legt het weer op haar schoot, maar leest niet verder.  Dan staat ze op en gaat naast haar zoontje op het speelkleed zitten.
“Mag ik je helpen?” vraagt ze.
“Tuurlijk”, zegt Milan, “Maak jij dan deze kant verder?”
Ze kijkt goed naar wat hij al heeft gebouwd en maakt het op dezelfde manier na.
Milan geeft haar een paar knikkers.
Ze legt vol verwachting een knikker in de onderste richel. Die komt in beweging en rolt langzaam helemaal naar boven.

(Foto: Pixabay)

Allemaal aanhaken!(duo-blog)

We kregen leuke reacties op onze gezamenlijke blog van 100 jaar geleden (Terras weer)  Dus we gaan het gewoon nog eens doen!
De cursieve tekst is van Irene, de andere (deze dus) van mij. 

Het is de hoogste tijd voor een duoblog! Afgelopen weekend was de Handwerkbeurs. We zijn daar wel eens eerder geweest, maar de laatste keer was jaaaaaren geleden. Dit vroeg om een uitje. Want sowieso, ik kwam er achter dat ik nog maar 1 (!!!) keer, samen met mams zonder baby/dreumes/peuter een dagje uit heb gedaan, namelijk het dagje shoppen van onze vorige duoblog.

Dat zei ik net ook. 

Dus, het was tijd. (Jahaa!)

Ik besloot met de trein te gaan. Of nou ja, dat is niet eerlijk. Jan opperde het. Die zei: “Dan heb je 3 kwartier heen en 3 kwartier terug totale qualitytime voor jezelf, omdat je dan even niks hoeft te doen”. Zo geschiedde.

Ik ging met de auto, want als ik ook met het openbaar vervoer zou gaan, mocht ik haast wel de avond tevoren alvast vertrekken. Bovendien ken ik mezelf en komt er niks van qualitytime, ik ben dan alleen maar aan het hyperventileren over bustijden, treinaansluitingen, perronnummers en stationsnamen. 

Netjes op tijd (want weggaan kan soms nog wel eens even langer duren, “mamaaaaaaaa niet gaaaaaaan,” en dan moet je de handjes van je broek plukken) wilde ik de deur uit. En dat lukte, ik werd door twee mannen uitgezwaaid. Veel te vroeg stond ik dus ook bij de bushalte. Maar dan wel weer net ietsje te laat voor de vorige bus. Afijn het zonnetje scheen, dus prima. Maar al wat er langs kwam, niet mijn bus. Het duurde, en duurde. En jeeeej uiteindelijk was ie er. Maar wel te laat! Ik hoopte dat ik de trein nog zou halen.

Wat ik wel de avond tevoren had gedaan was op ‘van A naar Beter’ kijken of ik mijn route normaal kon rijden. Er waren geen wegwerkzaamheden of afsluitingen aangekondigd. Maar ze waren er heus wel! Vlak voor de afslag naar Boerakker, alwaar ik de A7 op zou gaan richting Heerenveen en daarna Zwolle, stond er aangegeven dat de toerit naar de A7 was afgesloten en ik de M moest volgen om bij Marum alsnog de A7 op te kunnen.
Stomme van A naar Beter! Als jullie Beter hadden opgelet had ik een andere, makkelijkere weg kunnen kiezen in plaats van nu door allerlei dorpjes te moeten kachelen. 

De deuren waren op het station nog niet goed en wel open of ik sprintte de bus uit. Ik had nog 3 minuten en moest op spoor 2 zijn, gelijk de eerste trap af dus. Ik rende langs de kiosk, waar NIEMAND stond. Dus, of het nou een slimme keuze was of niet, ik spurtte naar binnen, hijgde dat ik een kopje thee wilde (die ik ook echt in moordend tempo kreeg met een “succes!” er achteraan geroepen) en tegelijkertijd met het fluitje van de trein schoot ik naar binnen. Tot zo ver het relaxte reizen. Omdat ik zo laat was had ik weinig keuze in plek en schoof me op een stoel in zo’n vierzitsbankje waar twee oudere dames zaten en een man met een serieus hoofd in een serieus boek.

Ik zat achter een militaire colonne mijn ziel in lijdzaamheid te bezitten. De wagens waren gecamoufleerd maar ik zag ze heus wel! En het duurde lang.

Ik had niet eens zin om te lezen of te haken, ik moest even bijkomen, dus staarde met mijn kopje thee lekker uit het raam. Uiteindelijk was de thee op en besloot ik toch een stukje aan mijn blauwe knuffelbeer te haken. Inwendig moest ik grinniken. Ik met naald en draad in de weer, beide oude dames bezig op een iPad. Omgekeerde wereld.

Toen ik eenmaal de A7 op kon, ging het vlot. En valt er over het uur daarna eigenlijk niet echt iets te melden.

Ik was al snel in Zwolle. Ik zou lopen naar de beurslocatie want dat was maar 15 minuten. Maar ik had niet gekeken waar ik heen moest, en aan welke kant ik het station af moest. Hoefde ook niet. Ik zag een kudde dames, sommigen alleen en sommige samen, met vrijwel allemaal een rugzak, de zuidkant van het station aflopen. Noem me een volgzaam schaap maar ik dacht “dit kan niet anders, zij gaan naar de beurs” dus ik liep er achteraan. Het liep me allemaal wel iets te traag dus uiteindelijk liep ik vrijwel voorop, er liep nog 1 vrouw voor me. Ik appte moeder al dat ik er vanuit ging dat iedereen naar de beurs ging en dat ik anders heel ergens anders uit zou komen, want vol goed vertrouwen liep ik nog steeds achter mijn voorgangster aan.

In Zwolle zelf waren er stiekem toch ook weer wegwerkzaamheden en bleek de baan waar ik moest voorsorteren helemaal niet toegankelijk. Hullup! Ik deed op hoop van zegen maar wat eigenlijk, toch kwam ik bij de parkeerplaats van de IJsselhallen. Ik was gepast trots op mezelf.

Inmiddels liep ik te gieren (men moet wel denken) want ik liep uiteindelijk voorop en als een soort reisleider had ik een hele sliert dames achter me aan. A.k.a. rups.  Maakt niet uit, we vonden het!

Een besnorde man in een veiligheidshesje dirigeerde me helemaal naar de achterkant van de parkeerplaats. Misschien had hij mijn parkeerkwaliteiten ingeschat.
Want ik parkeerde echt op een wijvenmanier. Ruimte voor 4 auto’s en dan toch nog wat heen en weer moeten rijden om de auto in een vak te krijgen.
En toen aan de wandel! Dat kan ik wel goed hoor. 

Al snel was moeder er ook en togen we naar binnen.

Om geen risico te lopen op net zo’n scanner debacle voor mij als de vorige keer, had Irene beide kaartjes op haar mobiel staan. Maar niet te geloven, de eerste zei ‘piep’ en de tweede niet! En toen nog niet! Pas een paar pogingen later lukte het. Ik claim deze keer dus het eerste kaartje! 

 Eerst plassen. Waar zou dat zijn? Wederom opperde ik om een stoet dames te volgen. Zelf nadenken hoefde niet meer. Vervolgens tijd voor koffie (thee) en wat lekkers, en daarna beurstijd! 
Het was erg leuk, we hebben veel gezien en ik heb leuke aankopen gedaan. Oke ik moest wel voor de derde keer terug naar een bepaalde kraam omdat ik maar niet kon kiezen, maar het lukte, ik kocht leuke dingen.

We hadden zo’n leuk idee gezien: kussens die half van stof, half gehaakt waren. Dat wilden wij ook en Irene kreeg uiteraard een idee voor kerst. We stonden bij de kraam met quiltstofjes te kijken en erover te praten. De mevrouw in de kraam zei: “Ik hoor jullie over kerst! Die stofjes liggen aan de andere kant.”
“Wij gaan naar de andere kant! Dank u wel!” zeiden wij exact tegelijk in koor, dezelfde intonatie, zelfde pauze tussen de twee zinnen. Mevrouw moet wel denken dat wij of niet goed bij ons hoofd waren of dit van te voren samen hadden ingestudeerd.
Er was een stofje bij wat het persé moest worden. Alleen was het lapje met het patroon in de breedte geknipt en wij hadden dat in de lengte nodig. Jammer hoor, want als je ergens je zinnen op gezet hebt, wil je geen alternatief. Toen we wegliepen zag ik een voorbeeld hangen, wel in de lengte! Omdat we te netjes waren om dat van de wand af te trekken vroeg Irene het aan de meneer (die vast bij de mevrouw hoorde) of er nog een was. De goede man begon prompt de hele stapel lapjes uit te vouwen, maar hij vond er een!
Toch gelukt dus, leuk! 

Moeder ging ook wat kopen. Een blouse. Dus. Kraaaaaaamen vol garen, lapjes, innovatieve handwerktechnieken, nee hoor mams koopt kleding. Ik denk dat ze de volgende shopsessie met een haakpatroon thuis komt.

Ik heb ook werkelijk geen idee waarom er een kledingkraam op een handwerkbeurs stond, maar wat maakt het uit, ik heb die blouse! En hey, hij is van stof gemaakt, of niet dan!

We hebben ons verder keurig gedragen, er is niks raars gebeurd. Denk ik. Of ik heb het verdrongen. 

Ja, je hebt het verdrongen blijkbaar, dat ik met het hengsel van mijn tas gezellig een mevrouw op een scootmobiel meetrok. Mevrouw bood mij nog een plekje op haar schoot aan, maar ik heb dat vriendelijk afgeslagen, terwijl ik ondertussen haar stuur weer uit mijn tas probeerde te bevrijden.
En dat ik nog een andere mevrouw opving die per ongeluk haar evenwicht verloor en die heel blij was toen wij haar verzekerden dat wij haar steun en toeverlaat wilden zijn. 

Ik heb nog wel een enorme quest naar theezakjes gedaan. Serieus, je weet dat je een beurs hebt met 237846283 vrouwen, zorg dan dat de thee voorraad compleet is! Maar het mocht de pret niet drukken, het lukte.

Die thee, die hoorde bij de lunch. Want Irene zei rond 12 uur heel degelijk: “We moeten zometeen brood eten”.
Echt ik verzin dit niet, zo zei ze het. Huismoeder hè, dan krijg je dat. Maar stiekem kreeg ze wel gelijk, want wat wij aten kan je geen broodje noemen. Wij aten brood. 

Daarna gingen we weer kraampjes bezoeken, kleurtjes kijken, ideeën bediscussiëren en stiekem overal aanzitten.

Op een gegeven moment waren we wel verzadigd van de beurs en besloten we weer huiswaarts te gaan.
Maar we gingen niet ,want iedere keer moesten we toch nog iets bekijken, boekje doorbladeren, piepen over haakpakketjes en uiteindelijk toch nog een kopje thee nemen. 

We dronken de thee bij een statafeltje tegenover de stand van Brother Naaimachines. Er was een gecomputeriseerde (is dat een woord?) borduurmachine aan het werk, er werd een Minnie Mouse gepleegd.
Aanbieding, nu voor slechts €13.999,- stond erbij. Wat??? Ik ging even dichterbij kijken of ik niet een 9 teveel had gelezen. Wat nog heel veel geld was overigens.
Er stonden een paar vrouwen bij en eentje zei: “Zouden mensen dat echt kopen? “
“Waarom niet?” vroeg de Brothermevrouw, het klonk achteloos.
“Voor een bedrijf dan toch zeker?” vroeg een van de dames.
“Welnee”,zei Sister. “Het is net als met een auto hoor, mensen willen het nieuwste model”
Ik ergerde me aan het superieure toontje en de arrogante houding. Wat mij betreft kon ze beter op een heel chique beurs voor snobs gaan staan.
Waar niet een bekertje thee ,maar een glas champagne in de prijsklasse van mijn hele budget voor de handwerkbeurs geserveerd wordt.
De thee was op, de voeten moe, de inkopen gedaan, we gingen nu echt naar huis!

Mams liep zo’n beetje mee naar het station, maar de auto stond op een uithoek van de parkeerplaats geparkeerd. Tsja waarom ook niet.

Nou, scroll even terug dan, naar de aankomst, dan weet je waarom dat was.

Verder ging de terugreis heel voorspoedig. Er waren geen rare dingen, ik hoefde niet te rennen, het was eigenlijk best heel normaal. En, het was super en ontzettend gezellig om weer eens met z’n tweetjes samen iets te doen!

Daar ben ik het helemaal mee eens! En ik verheug me al op het sauna-arrangement wat we over twee weken met ons tweetjes gaan doen. EINDELIJK weer! 

Op goede voet

Die voetbreuk van mij had nogal wat voeten in de aarde.

Ik had er een hard hoofd in dat het op een natuurlijke manier zou genezen, de dokters hielden voet bij stuk dat het moest kunnen. Maar ik zat ermee en had een tenenkrommend lange tijd geduld. Uiteindelijk werden er spijkers met koppen geslagen. In mijn voet. Want die moest toch een handje geholpen worden. Hals over kop, op de dag voor kerst. 

De orthopedisch chirurg stak de handen uit de mouwen en haalde zo bij mij een wit voetje. Want daarna nam de genezing hand over hand toe. Schoorvoetend kon ik mijn eerste stapjes zetten. En nu maak ik me gewoon weer uit de voeten! Ik neem de benen! Ik loop bijna weer stad en land af. 

Vandaag richtte ik mijn schreden naar het ziekenhuis voor de laatste controle.De radiologe was duidelijk met het verkeerde been uit bed gestapt. Hardhandig werd ik in de juiste positie gedrukt en ik durfde geen vin meer te verroeren. Ik trok de stoute schoenen aan en maakte een grapje maar daar kon ze niet mee uit de voeten. Lange tenen.
Met de orthopeed stond ik wel op goede voet.
Ik voelde me dankbaar tot in de puntjes van mijn tenen. Bedankte hem dan ook hartgrondig maar mocht hem nog geen hand geven. Dus stak ik mijn duim maar op.
Ik sta weer sterk ik mijn schoenen!

De blog die je wist dat zou komen

Het plan is om morgenochtend oranjetompoucen te maken. ‘s Morgens even een poosje televisiekijken naar de koningin en dan ondertussen een kersvers oranjegebakje eten. Sorry Willem, of het nou je oma of je moeder was, of nu je vrouw, het is belangrijker hoe zij eruit ziet dan jij. Toch nog een restje van het sprookjesachtige wat om een koningshuis heen hangt.
Want ik ben totaal niet koningsgezind en zal zelf ook geen oranje toestanden aantrekken of opzetten. Alleen opeten. Want een nationale feestdag vraagt om wat lekkers.


Ik zal nu geen pleidooi gaan houden over het wel of niet aanhouden van de monarchie, hoor.
Dat koningshuis is gewoon altijd op de achtergrond geweest zolang ik me kan herinneren. En die vrije dag, eerst op 30 april, nu op de 27e, is een gezellig en welkom punt in de jaarkalender.
Of ik nou als kleuter een feesthoedje en een toeter kreeg, of als puber een briefje van 25 gulden toegestopt door mijn vader om er ‘iets leuks mee te doen vandaag’ ,of het fietsje van mijn kleine dochtertje versierde, het voelde feestelijk.
Dat tv kijken is altijd alleen onder de koffie, daarna heb ik het wel weer gezien. Het is toch gewoon de sinterklaasintocht in het voorjaar. Alhoewel, bij de koning(in) loopt alles natuurlijk helemaal volgens plan, en bij sinterklaas is er altijd een enorme stress van te voren.
En van sinterklaas weet je altijd al welke jurk hij aanheeft. 

Ik had vroeger tantes die enorm Oranjegezind waren. Ze lazen tijdschriften als “Vorsten” en “Ons Koningshuis” en volgden het wel en wee van de Oranjes op de voet.
Toen ik nog maar kort in Zeewolde woonde, zou koningin Beatrix op werkbezoek komen en mijn moeder (ik ben er nooit echt achter gekomen wat haar mening was over de monarchie) vroeg of ze met die tantes op bezoek kon komen, dan konden we gezamenlijk de koningin gaan toewuiven. 
Natuurlijk, kom maar gezellig, daar gaan we de tantes een enorm plezier mee doen! Werkbezoek is trouwens een wat groot woord, Beatrix was in Flevoland en zou ook een bliksembezoek aan Zeewolde brengen.
Het was 14 juni 1988, het was ongelooflijk mooi en warm zomerweer en ik was hoogzwanger, toen we in de winkelstraat een plekje opzochten om Beatrix langs te zien rennen. Mijn tantes waren erg klein van stuk en ik had een heel dikke buik, dat leverde ons nogal wat goodwill op van het andere publiek voor wat betreft het kiezen van de beste plek.
Maar goeiendag wat was het warm, ik moest echt even zitten. We stonden voor de bloemenwinkel, er stond een metalen bak buiten, die zou me wel houden. Mijn tantes waren te volwassen en te goedgemanierd om van enthousiasme op en neer te springen, maar ik weet zeker dat ze dat inwendig wel deden, ze hadden geen aandacht meer voor mij. Ze merkten dus ook niet dat ik helaas in een bak met waterplanten was gaan zitten en er niet meer uit kon komen.  Mijn moeder zag het wel en die moest zo lachen dat ik bang was dat ze ook een natte broek zou krijgen. Ze heeft me er, met een aardige mevrouw, met vereende krachten uit weten te hijsen en ik stond dus nogal de druipen toen Beatrix met haar gevolg voorbij schoot. Dat komt er nou van, als je niet de juiste instelling hebt. 

Toen Beatrix de scepter overdroeg aan Willem Alexander was het natuurlijk allemaal wat specialer en heb ik wel langer naar de tv gekeken.
Eigenlijk zou ik alleen zijn, omdat man en zoon op de motor rondreden in Italië, maar ik had een van ‘mijn ‘kindjes in huis. De ouders moesten allebei werken en het meisje kwam hier graag, dus we maakten er een gezellig dagje van.
Samen een oranjegebakje eten, naar de prinsesjes en de nieuwe koningin op televisie kijken en natuurlijk ook spelen.  Er werd een waar koningsmaal bereid.

‘s Middags nog even naar het dorp om een hele euro uit te geven op de vrijmarkt (ze mocht iets kiezen maar maakte er geen misbruik van) en zo was het een eigenlijk heel bijzondere Koninginnedag, wij met ons tweetjes. Echt een dierbare herinnering.
‘s Avonds thuis was ik wel alleen en keek ik naar het feestprogramma, en kromde met de rest van Nederland mijn tenen, omdat het Koningslied toch echt uitgevoerd werd.
Werkelijk, ik snap niet hoe een tekst die zo slecht is, toch voor zo’n officiële en unieke gebeurtenis gekozen wordt. Of de tekstdichter zat zich stiekem thuis tranen te lachen dat niemand in de gaten had dat dit zijn passief verzet was tegen het hele gebeuren.

Plannen voor morgen? Behalve die oranjetompoucen maken en eten, geen. En het is natuurlijk nog maar de vraag of het banketgebeuren  me gaat lukken. Daarom schrijf ik alvast vandaag de blog maar. Dan hoef ik nog geen foto erbij te doen van het resultaat!

Fijne Koningsdag iedereen!

Muziekspeeldoosjes

Vanmiddag moest het maar weer eens: de afstofsessie van mijn muziekdoosjes. Ik noem het zelf eigenlijks speeldoosjes maar dat werd door sommige dirty- minds dubbelzinnig gevonden, dus ik hou het hier maar bij muziekdoosjes.


Ik heb er 21. Eentje heb ik in gebruik als sieradendoosje. Als je het deksel opendoet, draait een piepkleine ballerina pirouettes voor een spiegeltje, op muziek van Frère Jacques. Of misschien Vader Jacob of Fra Jacopino, ik weet niet uit welk land het doosje komt.
De overige 20 staan op de kastjes naast ons bed.

Al 100x hebben we het over een vitrinekast gehad, maar eveneens 100x hebben we geen plek kunnen bedenken waar dat ding dan moet staan. Dus de muziekdoosjes staan nog steeds op een kastje veel meer stof te vergaren dan zou moeten. Het afstoffen is nog niet zo makkelijk, want de meeste speeldoosjes (o nou zeg ik het toch) zijn zowel gedetailleerd als fragiel.

Waarom vind ik speeldoosjes zo leuk? Ik hou van de tere, haast ijle muziek, die gaat spelen als je het mechaniek met een sleuteltje hebt opgedraaid. De originele vormen, soms heel oud, soms nostalgisch, soms modern. Niet alle speeldoosjes hebben bewegende onderdelen, maar hebben ze die wel, dan maakt dat het extra mooi. 

Het kan heel simpel zijn, een tafereeltje dat gewoon rond draait. Maar ook veel ingenieuzer: schaatsende poppetjes of dansende koeien.
Overigens heb ik ook 2 doosjes waarbij ik zelf aan een slingertje moet draaien, daar zit geen opwindmechaniekje in. 

Speeldoosmuziek heeft iets liefs, iets rustgevends, met die tingelende nootjes. 
En toch kunnen muziekdoosjes ook ronduit griezelig zijn. Soms gebeurt het dat er eentje spontaan begint te spelen. Doodeng, vooral als dat in de nacht gebeurt. 
Misschien heeft een veer in het binnenste nog gespannen gestaan, zodat het doosje door een trilling (niet ongewoon hier) begint te spelen. Iets dergelijks moet het wel zijn, maar het heeft iets spookachtigs.
Of de kam (waar de toontjes uitkomen) is niet helemaal goed gestemd, zodat het lieve liedje een onprettig vals tintje krijgt. Ik heb er daar 1 van, die speel ik dus ook nooit af. Ik krijg er een unheimisch gevoel van.
Met afstoffen komen al die doosjes in beweging natuurlijk, dus dan hoor ik soms wat muziekjes door elkaar. En dat klinkt serieus als iets uit een horrorfilm.
Het intrigeert me dat met deze klanken de scheiding tussen lief en eng zo ragdun is. 

Overigens is het niet zo dat ik 21 verschillende liedjes heb. De heel speciale (lees: dure) doosjes hebben een uniek muziekje. De wat goedkopere  doosjes spelen ‘Für Elise’ en ‘Love Story’, ik heb er meerdere van.
En ik heb een hele ris Kerst-speeldoosjes, waarvan het gros ‘O Denneboom’ speelt en de rest ‘We wish you a merry Christmas’.  In de aanloop naar Kerstmis zijn er trouwens ineens veel meer speeldoosjes te koop, de rest van het jaar moet ik er echt toevallig tegenaan lopen. 

Als we op vakantie zijn zoek ik ook altijd in de winkels naar leuke muziekdoosjes. Maar meestal valt dat nogal tegen.
Toen ik kind was zag ik wel bij vriendinnetjes van die mooie Zwitserse speeldoosjes. In de vorm van een chalet, en als je het dak openzette kwam er muziek. Bij de allermooiste gingen er dan ook nog poppetjes naar buiten en weer naar binnen.  Dat vond ik toch zo prachtig!
Wij gingen niet naar het buitenland op vakantie, dus ik heb er nooit eentje gekocht of gekregen.  Niet dat ik wat tekort gekomen ben overigens, hoor!
Maar nu ik wel naar het buitenland ga, kan ik nooit meer zo’n mooi muziekdoosje vinden. Het is niet meer in de mode. Zo gaat dat.
Toch zou ik het geweldig vinden om er ooit nog eentje in mijn bezit te krijgen.
Een donker houten chaletje met bloembakjes voor de ramen, met een dak wat open kan om de muziek te laten klinken.
Heb je er een die je kwijt wil, of weet je er een? Laat het me weten!

Weet je dat ik niet eens kan zeggen welk muziekdoosje uit mijn verzameling ik nu het allermooiste vind? Ze hebben namelijk allemaal iets: een herinnering, een connectie met een hobby, een sfeer of een combinatie van die dingen.
Een paar sterren dan? Ok, ik hoop dat ik ze nu niet alle 21 ga opnoemen. 

Het roodhouten speelgoedkistje met bewegende blokken, wat Bert voor me meegenomen heeft uit Italië.  De grote bewegende kerst-speeldoos die ik van Tim voor Sinterklaas kreeg, omdat hij weet dat ik zo vreselijk van speeldoosjes hou.
De mini-replica van een polyphon, de voorloper van de grammofoonplaat, die mijn eerste echte aankoop was. Een porseleinen theatertje met balletdansers die de Notenkrakersuite uitvoeren, gekocht in een speciaal winkeltje,  toen ik met Tim in België was voor de bijzondere Tim Burton Tentoonstelling.
Een viool die zo kitcherig is dat het weer mooi is, omdat ik zelf viool speel. Een mini Singer naaimachientje, de naald gaat op en neer, evenals het trapplateau, gewoon mezelf cadeau gedaan omdat ik het zo leuk vond.
Een porseleinen caroussel met paardjes, gekocht toen ik met Bert  en Irene op een kerstmarkt in Duitsland was.
Een houten doosje met draaiende koetjes wat mijn kleinzoon zo prachtig vind.
Ok, ik stop. Dit zijn er al 8. En ik kan dus echt over alle 21 iets extra’s vertellen, zelfs over die ene die ik voor 3 euro op een rommelmarkt gekocht heb. 
De kastjes staan vol. Te vol eigenlijk om ze nog mooi tot hun recht te laten komen, laat staan dat er nog wat bij kan.
Toch maar voor de 101e x over een vitrinekast nadenken.

Het onmogelijke uit jezelf halen is onmogelijk

Buiten de lijntjes kleuren, out of the box denken, 200% van jezelf geven… mens wat moeten we toch veel. We moeten ons onderscheiden om niet met de massa mee te doen en doen mee met de massa van de zich onderscheidenden. We mogen niet achter de geraniums zitten, we moeten onszelf blijven ontdekken en uitdagen. We moeten vernieuwen en versnellen, onze grenzen opzoeken en verleggen, onszelf opnieuw uitvinden. En vooral altijd maar gaan, gaan, gaan, snel naar het volgende!

Niet iedereen is in staat om altijd maar te gaan. Ik denk dat veel mensen zich, bewust of onbewust, geweld aandoen door zich voortdurend te laten opjutten. Het lijkt algemeen geaccepteerd dat je moet streven om meer te doen dan je kan. Het onmogelijke uit jezelf halen. Dus: iets wat NIET kan.  En dat moet je doel zijn? Hoe ongezond en frustrerend is dat.
Volgens mij ben je een stuk gelukkiger als je doet wat je wel kan. 

Ik ga ga ga niet meer. Ik blijf stilstaan of zitten. Om een prachtige landschapsbeschrijving te lezen in een boek van Richard Adams. Om tegen een kevertje in het gras te praten. Om te zien waar de wolken heendrijven. Om steeds dezelfde bewegingen met mijn handen te maken als ik een deken haak. Om iets te koken wat niet binnen 10 minuten klaar is. Om een grote beker thee helemaal leeg te drinken zonder tussendoor iets anders te doen. Om muziek te luisteren. Om mijn hond te aaien. Om een film te kijken die ik al veel vaker gezien heb, omdat ik hem zo mooi vind. 

Ja ja, makkelijk praten natuurlijk in mijn positie. Alleen thuis, geen werk, alle tijd voor mezelf.
Dan kan ik je vertellen dat ik me er al veel eerder van bewust was. Dat ik hard werkte, maar niet omdat ik het onmogelijke uit mezelf wilde halen. Dat ik mijn talenten gebruikte om er energie van te krijgen, niet om mijn grenzen te verleggen.
Dat ik de tijd nam om samen met een kindje tegen een kevertje in het gras te praten, een mooi boek voor te lezen, om samen te verzinnen wat we in de wolken zagen. 


Kleine kinderen kunnen het namelijk nog. Ik word er echt verdrietig van als ik zie dat grotere kinderen steeds meer in die positie gedwongen worden van gaan, presteren en opschieten. Gedwongen door de maatschappij, waar we toch allemaal deel van uitmaken.
Alles moet snel, voordat hun aandacht misschien zou verslappen moet het volgende al gestart zijn.
Er is geen tijd voor dromen, aanrommelen, zelfs je vervelen mag niet. Ze moeten bezig blijven en daarom worden ze voortdurend bezig gehouden.

Ik ben allang geen klein kind meer. Maar ik kan het ook nog, sterker nog, ik heb het nodig. Anders word ik ziek, mentaal en fysiek. Ik moet een bepaalde rust hebben, zonder de eeuwige drang en dwang dat ik verder moet. Ik ga verder wanneer ik er aan toe ben.
En dingen die nutteloos lijken, hebben in werkelijkheid een grote waarde, juist omdat ze ervoor zorgen dat ik me goed voel. 

Ik weet zeker dat ik daar niet de enige in ben, dat ik me daarmee niet onderscheid van anderen. Ik wens dan ook dat iedereen die dat ook zo voelt, zichzelf toestaat om dat toe te geven. Het zal je alleen maar goed doen.

En als je wel kickt op doorgaan etcetera? Dan moet je dat vooral doen, ook jij moet immers doen waar je gelukkig van wordt!
Doe echt voor jezelf wat bij je past. Dan komt het wel goed.

(foto: curioctopus)