Klaas Vaak wel maar Soms niet

Om kwart over twee vannacht word ik wakker om te plassen. En daarna denkt mijn hoofd: PIENG. Ik sta aan, we gaan niet meer slapen hoor!
Verdorie. Oké, niet boos worden want dan gaat het helemaal niet meer lukken, gewoon lekker rustig gaan liggen en ontspannen.
Het liggen lukt, het ontspannen niet. Ik maal over dingen die toch echt niet op dit tijdstip van de nacht om een oplossing vroegen. Waarom nou, ga daar morgen of voor mijn part volgende week over nadenken maar stop ermee. Slapen nu.
Nope. Waar is Klaas Vaak als je hem nodig hebt? Hij zal wel denken: je hebt al een man met een grijze baard naast je liggen, ik ben hier niet vereist.


Dan maar een hulplijn in de vorm van rustgevend geluid in mijn oren.
In het donker, om die man met die grijze baard die wel lekker ligt te knoeren, niet wakker te maken, grabbel ik naar mijn telefoon en mijn oortjes. Ik probeer de stekker in het juiste openingetje te klikken, de onvermijdelijk in de knoop geraakte draadjes te ontwarren en uiteindelijk kan ik dan gaan luisteren. Wat zal ik eens opzetten? 

Vogelgezang, daar word ik altijd blij en rustig van. Dus op zoek naar zo’n muzieklijstje op Spotify, die immers van alle markten thuis is.
10 uur non stop Vogelklanken, dat lijkt me wel wat. O heerlijk, dat gekwinkeleer om maar eens een ouderwets woord te gebruiken. Een duif koert en er tjilpt en kirt van alles.


Alleen is dat nonstop wel erg letterlijk. In een soort ‘loop’ hoor ik voortdurend hetzelfde riedeltje, inclusief het scherpe piepje van een onbekende vogel, die me eerst licht en daarna zwaar begint te irriteren. Dus ik ben weer klaarwakker. Andere lijst dan maar proberen?

Birds in the Forest. Ook 10 uur lang, maar wel met verschillende geluidsbestandjes.
Het begint met Spring Birds en daarna Happy Birds, ik voel me steeds meer ontspannen en begin zachtjes weg te zakken. Tot het ineens begint te onweren in mijn oren!

En als ik iets niet ontspannen vind, is het wel onweer. Ik ben er mijn hele leven al een beetje bang voor. Nature Therapy, jawel! Mijn pa zou het vast prachtig hebben gevonden maar ik ben, alweer, klaar wakker. 

Sjonge jonge, zo is het wel een lange nacht. Hoe laat is  het inmiddels? Bijna half 5. Nog steeds niet echt geslapen. 

Een muzieklijst dan, zo’n ambient relaxing go to sleep ding? Werkt niet, want ik heb de afwijking dat ik, als ik de muziek niet echt ken, bij ieder nieuw nummer weer wakker word, om te luisteren wat het is en of ik het wel mooi vind.
Dan mijn laatste toevlucht: mijn altijd trouwe vrienden (al weten ze van mijn bestaan niet af) Roger en Brian Eno met hun album Mixing Colours. Mijn inmiddels overbekende en daardoor ultieme muziek om tot rust te komen. 


Vaak val ik ergens tijdens het 1 uur en 3 kwartier durende album in slaap. Deze keer niet, ik hoor het helemaal uit en zet dan met moed der wanhoop nog maar een bekend album van Hammock op. Als dat bijna uit is klinkt de wekker er doorheen. ‘Lekker geslapen, liefje?’ vraagt mijn man.
‘Nee,’ zeg ik, maar ik ben er in tegenstelling tot vroeger niet eens chagrijnig van. Het zij zo, komende nacht gaat het vast beter.

Ik ga onder de douche en terwijl ik mijn favoriete doucheschuim gebruik, denk ik aan de reclame hiervoor: ‘Creëer je eigen  Welnessritueel thuis.’ Prachtig. Een gouden regendouche, een jonge vrouw met een gladde huid en opgestoken donker haar streelt met gesloten ogen de doucheschuim traag  over haar schouders, terwijl ze in een bevallige houding staat.
Die regendouche heb ik ook! Alleen niet van goud maar van gunmetal, wat ik zelf erg mooi vind. Deze vrouw is niet zo jong, haar huid is niet glad en haar korte grijze haar is kletsnat omdat ze gewoon lekker onder de douche staat. Zonder bevallige houding en zonder trage bewegingen. Met open ogen, die zien dat de badkamer echt nog even een schoonmaakbeurt nodig heeft, voordat de kinderen dit weekend komen.
Doorwaakte nacht of niet, ik fris lekker op, daar heb ik geen welnessritueel voor nodig. Dat zou toch ook wel een goede reclame voor die doucheschuim zijn, toch?
Klaar voor de dag! Kijken of mijn hoofd overdag ook aan wil blijven staan nu.
En dan vannacht een herkansing op lekker slapen.

Mist

‘Het lijkt wel of jullie in een ander land wonen!’ zei mijn dochter na het lezen van mijn vorige blog Rood.
Het is inderdaad bijzonder dat er in zo’n klein landje als Nederland zulke grote verschillen zijn. Vandaag ook weer. Terwijl ik bij iemand op Facebook  zie dat het AD kopt:
Laat je sjaal en handschoenen thuis en ga naar buiten: het wordt vanmiddag zonnig lenteweer
is hier code geel voor gladheid naadloos ingeruild voor een andere code geel: dichte mist.
Dat zou tot 12 uur zo zijn en dan ging het opklaren.
Om 12 uur: Nee joh, grapje! Er wordt in het noorden helemaal niet opgeklaard, ben je gek! We houden de hele dag mist, in ieder geval tot morgenochtend. En dan nog maar weer zien hoevaak code geel weer verlengd wordt.
Hm. Ik had me voorgenomen om te wandelen, ik  ben de laatste tijd met alle gladheid veel te weinig in beweging geweest. Het plan was om vandaag eitjes te gaan kopen bij de boerderij zo’n 2,5 km verderop , dus een mooi loopje van 5 km in totaal. En dat dan gaan doen in de middag, in dat zonnige lenteweer.
Helaas, ik ga dan toch maar de mist in. Zonnig lenteweer is blijkbaar nog niet voor ons bestemd.
Terwijl ik me inpak, dus wèl met sjaal en wèl met handschoenen, probeer ik niet te mopperen. Maar ik ontkom er niet aan om toch een beetje te brommen in mezelf.
In de afgelopen jaren is Groningen al door de diverse regeringen beschouwd als het afvoerputje van Nederland, een stukje wat er eigenlijk niet helemaal bij hoort. Begint het klimaat daar nu ook al mee? 


Ik doe de oortjes van mijn iPhone in, en zoek een favoriet wandelmuziekje op, de soundtrack van Flow. 


Deze muziek blijkt wonderwel te passen bij het vreemde surrealistische landschap wat ik induik. Ik kan nog geen 50 meter voor mij uit zien, maar ik stap dapper door. 

Als ik naar de sloten naast me kijk, kan ik me in Antartica wanen. 


Ik loop daar helemaal alleen in de mist, het uitzicht verandert niet, maar toch kom ik dichter bij mijn doel.
Opeens doemen er lichten voor me op en als die dichtbij genoeg zijn, ontwaar ik een enorme tractor, die de hele breedte van het pad inneemt.
Er is geen plek om aan de kant van de weg te blijven staan, dus direct stap ik de berm in, op hoop van zegen dat ik niet door de smeltende sneeuw en de door blubber gladde steilte de sloot in zak.
Het gaat goed, ik haal opgelucht adem en vervolg mijn mistige pad naar het onbekende.
(nee dat is natuurlijk niet waar, ik weet precies waar ik naar toe moet maar het is alleen niet te zien)
Uiteindelijk kom ik bij de splitsing waar ik linksaf moet en kan ik wat meer zien, want er staat eerst een andere boerderij, dan een lange lage muur en dan kom ik waar ik wezen moet, bij het eierstalletje. 

Ik koop de eitjes, bijgestaan door de altijd vriendelijke hond die op die boerderij woont en die zich niet laat weerhouden door het weer om bezoekers te verwelkomen.
Ik klets ondertussen tegen haar, ze kijkt me ernstig aan en knikt nog net niet.
‘Dag!’zeg ik uiteindelijk en vang de terugtocht aan. Nu heb ik ineens wind tegen, ik dacht nog wel dat er eindelijk eens geen wind was.
Natuurlijk is er wel wind, je woont in Noord Groningen mens!
Het wordt er allemaal niet makkelijker op als nu ook mijn bril mistig begint te worden. 


Ik heb twee keuzes: door de bril kijken en dan is alles wazig, of over de bril heenkijken en dan is alles wazig. 

Nu is het echt verstand op nul en doorlopen want er is niks meer te zien van welke omgeving dan ook.
Maar ik geniet ondertussen van de muziek, pas mijn looptempo aan het ritme aan en voor ik het weet ben ik bij de fietstunnel beland, zie en hoor ik daar auto’s overheen rijden, kortom: weer bijna thuis.
In het dorp is de mist wat minder dicht, maar mijn bril wil nog niet zo meewerken.
Thuis is het warm, helder en droog. Er is thee en een droogdoek voor mijn bril en ik kan het eierkommetje weer vullen. 

Volgens de KNMI is het morgen ook nog de hele dag grauw hier.
Gelukkig hebben we verse eitjes.  Ik weet al hoe ik ze ga bakken. Sunnyside up! 

 

Rood

Vanmorgen 06.30. ALARM!!!!  
We waren nog in slaap en schoten verschrikt en verward overeind terwijl vanaf twee kanten de sirene van een NL-Alert afging. Verdwaasd grabbelden we allebei naar de plek waar onze telefoons lagen, ik gooide ‘m nog op de grond en we moesten ook onze bril nog zoeken om te kijken waar het om ging.
Code rood voor het weer: 

Uit Berts telefoon klonk ook nog de gesproken versie, de blikkerige computerstem dreunde alles uit de tekst op. ‘Bel alleen een een twee bij levensgevaarlijke situaties ha tee tee pee es schuine streep schuine streep wee wee wee punt ka en em ie schuine streep….. etc tot aan zelfs ‘sterretje sterretje sterretje’ en daarna in het Engels.
Door de schrik en de consternatie kon Bert het geblaat niet zo snel uitkrijgen en het knopje van het bedlampje was onvindbaar, het was, ondanks dat we veilig in ons bed lagen, chaos. Goedemorgen.
Pfff we waren wakker. En wel zo wakker dat het ook geen zin meer had om te proberen nog weer wat te slapen.
Dan maar even kijken waar alle commotie om was. Ja, dat was toch wel serieus. 

Gelukkig hoefden we nergens heen, want alles was al afgezegd. Ik zou vanochtend het voorleesuurtje voor peuters in de bibliotheek houden en Bert zou in het Kunstcentrum in Wehe zijn dienst draaien. Maar het was gisteravond al duidelijk dat beiden niet door zouden gaan, vanwege de verwachte code oranje. Die nu dus zelfs opgeschaald was tot rood. 

Zoon woont en werkt in Drenthe, hij is postbezorger en heeft nu ook een onverwachte dag vrij. Hij was ook wakker geschrokken door het alarm. Dus in alle vroegte waren we al aan het appen. 

Inmiddels zijn wij warm aangekleed beneden en hebben de dag voor ons liggen. De hond mocht even in de tuin maar die gleed al bij zo’n beetje iedere stap uit, dus wij gaan niet aan de wandel.
Het raam boven zag er zo uit: 

Maar beneden kunnen we wel naar buiten kijken. Daar was de ijzel blijkbaar iets minder tegenaan gekomen.

Bert heeft het net voor elkaar gekregen om via de voordeur en het gras bij de konijnenren te komen, die beestjes moeten wel eten en drinken hebben. Maar verder wachten we lekker binnen tot het buiten veiliger is.  De eindtijd van code rood schuift steeds op, van 10.00 naar 12.00 en nu inmiddels tot 14.00.
Nou ja wachten, we gaan gewoon iets leuks doen. Ik heb zin om weer eens te tekenen en Bert wil ook met zijn hobby’s bezig.
Laten we er maar gewoon wat gezelligs van maken!

Liedje van verlangen

Nu we al een hele poos iedere dag sneeuw inclusief code geel hebben hier in het Noorden, komt onvermijdelijk onder mensen van mijn generatie de winter van 1979 ter sprake.
‘Toen hadden we pas sneeuw!’ zeggen we dan. Ik heb wel eens het idee dat de verhalen hoe langer hoe sterker worden, maar hoe het ook zij, het was een strenge en bijzondere winter.
Leens, waar ik nu woon, was destijds echt ingesneeuwd, net als dorpen in de omtrek. Mensen konden hun huis niet uit, vanmorgen hoorde ik nog van een jongen dat zijn moeder, destijds nog een meisje natuurlijk, uit het raam op de bovenverdieping het huis uit ging , omdat de deuren niet open konden.
Het leger is zelfs ingezet om met tanks voorzien van sneeuwschuivers de straten vrij te maken.

Ik woonde in 1979 in Hilversum en daar sneeuwden we niet in. Maar het was wel een heel bijzondere winter, waarin we konden schaatsen op de hei en ik eveneens op de schaats over straat naar mijn stageschool ging.
We gingen met de trein naar de verjaardag van een schoolvriendin in Breukelen, maar door de zoveelste sneeuwbui konden we niet meer naar huis omdat de treinen niet meer reden en de hele club meiden bleef slapen daar op zolder. Dat kon allemaal zomaar daar, er werden uit alle hoeken en gaten matrassen, slaapzakken en dekens tevoorschijn gehaald. En ‘s morgens was er een ontbijt met thee en brood en eitjes voor iedereen, het was me een gekakel daar in de keuken.  Mooie herinneringen.
Als ik verder over die winter nadenk: ik maakte er totaal geen probleem van, dat het een winter was waarin dingen niet doorgingen, je eindeloos dezelfde dikke truien droeg en nooit normale schoenen meer aanhad. Het had iets speciaals, iets gezelligs bijna en het zorgde voor een hoop saamhorigheid. 
Wat ben ik dan een zeurkous geworden, denk ik nu weleens. Ik ben dit weer spuugzat, ik ben voortdurend ongerust over iedereen die de weg opmoet, als ik ‘s morgen zie dat het alwéér code geel of erger, oranje is. Ik wil de zon zo graag weer eens zien, ik wil weer mooie wandelingen kunnen maken zonder dat ik bang ben te vallen en dan geheid weer wat te breken. Ik wil dat die eeuwige gure noordoostenwind eindelijk eens gaat liggen, ik wil…Ja ,ik kan wel van alles willen maar daar wordt niet naar gevraagd. Misschien moet ik het gewoon eens wat makkelijker ondergaan.
Het is januari, het is winter ja. En hier is het al de hele maand code geel ja.
Maar de winkels hebben genoeg in de schappen en ik kan er nog steeds komen, thuis brandt de haard en is de douche warm. Ik heb een dikke winterjas en laarzen met zonodig spikes eronder, ik heb warme truien en een behaaglijke sjaal. Ik heb mooie zelfgehaakte dekens extra op bed en een warmwaterkruik aan mijn voeten.
Er is geen noodsituatie, er zijn geen corona maatregelen, we kunnen het ons gewoon comfortabel maken.
Januari is al bijna voorbij. Het wordt ‘s middags weer langer licht, heel af en toe hoor ik alweer een koolmeesje. Die zeurt niet, die zingt gewoon zijn eenvoudige liedje omdat hij weet dat het voorjaar er aan zal komen.
Misschien moet ik daar maar eens een voorbeeld aan nemen. Ik ga alvast een liedje bedenken. 

Vakantiegevoel

Er zijn mensen die een half jaar gaan backpacken in Australië.
Er zijn mensen die drie, vier weken rondreizen door Indonesië of Vietnam
En er zijn mensen die van een bezoekje aan een Jumbo in een andere plaats een vakantiegevoel krijgen.
Ik behoor tot de laatstgenoemde categorie.
Snel tevreden? Misschien, het is maar hoe je het bekijkt. 

Backpacken in Australië, ik zou en zal het van mijn levensdagen niet doen.
Ik moet niks hebben van kamperen, en niks van ‘we zien wel waar we terecht komen’.
En een half jaar? Ik moet er niet aan denken, ik kan niet langer dan twee weken van huis, want heimwee.

Een verre reis naar Indonesië of Vietnam is ook al niks voor mij. Ik voel me ontheemd en onzeker, en daardoor gespannen. En drie, vier weken? Nee, zoals ik al zei: heimwee.

Dus het is prima dat ik een vakantiegevoel krijg van ergens anders boodschappen doen. De Jumbo waar ik vandaag was deed me denken aan die in Limburg waar we deze zomer waren. Heerlijk toch.
Ik ga heus wel van huis, en heus wel naar het buitenland. Maar niet lang.
Niet kamperen. Nooit. Een eenvoudig huisje is prima, maar ik wil perse een eigen douche, toilet en een normaal bed. Dus eigenlijk ben ik misschien wel een zeikerd. 


Toch heb ik inmiddels wel een stukje van de wereld gezien. Als ik het opsom, ben ik in Oostenrijk, België, Duitsland, Frankrijk, Wales, Cornwall, Schotland, Denemarken, Zweden, Noorwegen, Polen,Tsjechië, Joegoslavië, Griekenland, Turkije en Tunesië geweest. En stedentripjes naar Rome, Londen, Parijs, en Dublin.
Dus niet altijd vlak bij huis. Maar toch ben ik diep van binnen geen reizer en ik heb me ook niet altijd helemaal happy gevoeld als ik ver weg was. Hoe mooi de omgeving ook was, hoe aardig sommige mensen, want daar lag het niet aan.
Waar het dan wel aan lag is moeilijk onder woorden te brengen. Een sfeer, een echo van een roerige geschiedenis, een soort drukkend gevoel op mijn stemming, een ‘ik ben hier niet op mijn plaats’ gevoel.
Er zijn plekken waar ik graag nog weleens  naar terug zou gaan, maar ook waar ik niet meer heen wil. 

Heimwee is trouwens iets vervelends, waar ik mijn leven lang al last van heb. Ik herinner me dat ik als kleuter met ons gezin in een vakantiehuisje was, iedereen was gewoon bij me. En toch had ik heimwee naar huis.
Zestig jaar later heb ik dat nog steeds. Ik wil dus ook niet langer dan twee weken van huis en neem altijd iets vertrouwds mee, zoals mijn lievelingsboek (dat ik zo’n beetje uit mijn hoofd ken) en mijn eigen geurtje doucheschuim.
Misschien zie je het als een beperking voor mij, dat ik dus kansen mis om meer plekken van de wereld te zien, meer indrukken op te doen, meer te genieten.
Maar zo voel ik het zelf niet. Ik geniet volop.
Anders werd ik niet zo blij van een Jumbo die me doet denken aan die in Limburg, waar we deze zomer op vakantie waren. 

Over en uit

Zojuist heb ik mijn Instagram account verwijderd. Lekker belangrijk, denk je nu misschien. Maar voor mij is dat toch wel zo.
In ieder geval was ik de laatste tijd al te vaak en teveel aan het scrollen. Het werd een soort ‘wanhopig’ zoeken naar iets interessants of leuks of moois. En ik vond vrijwel niets.
Het algoritme werkt daar hard aan mee. 


Ik kijk één keer naar een kritisch item over Trump, daarna wordt mijn tijdlijn voor 90 % gevuld met kritische, maar ook kinderachtig afzeikende filmpjes over Trump.
En ook al heb ik helemaal niks op met Trump, ik hoef dat soort shitzooi niet te zien, het is van een niveau waar ik me niet toe wil verlagen.
Ik kijk een item over Stranger Things en vervolgens is alles ineens over Stranger Things, volkomen inhoudsloos, over wat Millie Bobby Brown een keer tegen een fotograaf zei en allerlei AI filmpjes over hoe de hoofdrolspelers door de jaren heen volwassen geworden zijn. O werkelijk? Wat een bijzonder gegeven dat een twaalfjarige tien jaar later volwassen is geworden. 

De AI filmpjes vind ik sowieso een plaag op Instagram. Dieren doen de meest bijzondere dingen, er worden ineens allemaal nieuwe spectaculaire ontdekkingen gedaan en mensen komen in bizarre situaties terecht.
Voorbeeld: een konijn zoogt een kitten tussen haar eigen kleintjes, zogenaamd gefilmd met een nachtcamera in een hol. Direct zie ik al dat het onecht is, want een konijnenmoeder gaat over haar kleintjes, die op hun rugjes liggen, heen staan om ze te zogen. En ze ligt niet als een kat of hond op haar zij. In de reacties een heleboel ochs en achs en hartjes en ‘cuteness overload’ en ‘hoe is het mogelijk’ en ‘dieren zijn beter dan mensen’. Ook een ‘Dit is AI’.  Reacties daarop: ‘O, nou ja. Wat maakt dat nou uit, het is toch schattig?’
Nou, ik vind het dus wèl uitmaken. Volgens mij is het gevaarlijk als je niet kan onderscheiden of iets wel of niet echt is.

Maar dat brengt me op de grootste reden dat ik Instagram verwijderd heb. De reacties. De ongelooflijke negativiteit naar elkaar. Het schelden, het afmaken van een ander omdat hij/zij een andere mening heeft. Dan is zelfs een profielfoto een middel om iemand de grond in te trappen, als er maar flink en smerig gescholden kan worden.
Vanmorgen een nieuwsitem over de vondst van 400 cobra’s in een schuur van een 17-jarige. De reacties daarop hebben me het laatste zetje gegeven om te stoppen met Instagram.
Want de haat die daar gespuid werd, was verschrikkelijk.
Blijkbaar mag je iemand verbaal schoppen en slaan als die een andere mening heeft dan jij.
Meningen hierbij samengevat waren:
-De ouders letten niet op
-Het is de schuld van de overheid met het vuurwerkverbod
-Kinderen hebben teveel geld en hoeven nergens moeite voor te doen
-Nederland is een zielig land met teveel regeltjes.
Oké, mensen mogen van mening verschillen. Maar welke mening een reageerder ook had, de anderen moesten verrot gescholden worden.
Het is niet nieuw, maar het lijkt mij dat het steeds erger wordt. En ik wil er geen getuige meer van zijn.
Sterker nog, ik wil me ervan distantiëren. Haat en nijd, afgewisseld met onechte filmpjes, waarom zou ik blijven? 


Voor mijn eigen account hoef ik het niet te doen, ik ben niet ‘actief’ genoeg. Ik weet niet wat ik moet plaatsen, als ik 3x mijn boek gepromoot heb ben ik er wel klaar mee. Daar zit toch ook niemand op te wachten verder? Ikzelf zou ook denken: jaha, dat weten we nu wel.
Ik reageer nergens op, want ik ben er niet van gediend om de volle laag te krijgen van mensen die ik niet ken en die mij niet kennen. Mijn wereld is de echte wereld, waar konijnen op de natuurlijke manier melk krijgen van hun mama en waarin mensen normaal met elkaar praten, ook al verschillen ze van mening.
Ik had geen goede voornemens voor het nieuwe jaar. Toch is er zomaar eentje opgepopt vanmorgen en die heb ik gelijk ten uitvoer gebracht.
Voelt goed!

Zo gepiept

‘Ja ja,’ zeg ik hardop als de magnetron piept. ‘Ik kom er zo aan.’
‘Piep!’
‘Ik kom er zo aan, zeg ik toch!’ Alsof de magnetron daar ook maar iets mee zou doen. 

Het is een gepiep van jewelste in het huishouden tegenwoordig, iedereen wil aandacht. En ik geef die ook. Herkenbaar? Dat je tegen je vaatwasser zegt, als hij klaar is: ‘Piep niet zo, ik heb nu geen zin meer. Morgen ben je de eerste.’
De kookplaat piept. Als je hem aandoet, als je een kookpunt aanzet, als je de warmte verhoogt of verlaagt, als je perongeluk een deksel op de aan en uit knop die geen knop is legt, als je op dezelfde manier perongeluk het kinderslot activeert of de timer… bij alles is het ‘Piep,’ met regelmatig mijn vraag: ‘Wat nou weer? ’ Maar het antwoord is ook altijd ‘Piep’, dus dat schiet niet op.
De wasmachine is een nieuwe, die heeft piepjes voor de programma’s  en als hij klaar is zelfs een heel liedje. Ook gepiept. Inmiddels ken ik het uit mijn hoofd dus zing ik uit volle borst mee: PiepeDiepediepeDiepediepeDiepeDiéééé’ En herhalen, want hij doet het nog een keer.
De geluidsinstallatie piept als je hem aandoet. En uitdoet. De oven piept. De sfeerhaard piept.
ALLES PIEPT!
En het stomme is dat ik àltijd iets terugzeg. Vaak gewoon ook ‘Piep!’
Alsof er nog niet genoeg gepiept wordt in huis.
Misschien zijn er al wel andere apparaten op de markt hoor, die iets meer te melden hebben dan Piep. Maar daar moet ik eigenlijk ook weer niet aan denken. Dat ik lekker op de bank zit ‘s avonds, met een film of serie aan en dat er dan vanuit de keuken klinkt: ‘Annelies! Ik heb het volledige eco-programma afgewerkt, je vuile vaat is weer blinkend schoon! Behalve de ingebakken rand van de ovenschaal, ik heb er even extra mijn best op gedaan, maar dat lukte niet helemaal. Kom je kijken?’
Of:
“Hallo, welk liedje wil je straks horen als ik klaar ben? En weet je zeker dat deze was op een kort programma moet? Mijn geurdectector…. ‘ etc.  Niet te doen toch.
Of:
‘Nee ik heb geen zin om te wachten, ik moet altìjd wachten! Jij stelt mij in op 30 seconden, dus dan maak ik in die tijd je melk warm. Ga dan éérst het koffieapparaat bijvullen en zet mij pas daarna aan het werk!’
Of: 
‘Weet je nou nog niet hoe je het kinderslot van me af moet halen? Altijd weer dat boekje erbij. Leg dan ook niet altijd iets op mijn sensoren!’
Of:
‘Gezellg hè, mijn nepvuurtje. Ik dacht ik laat het even weten. Je ziet natuurlijk wel dat ik aanga, maar ik vertel het ook nog voor de zekerheid.’ 

Gillend gek zou ik worden. Nog gekker dan ik nu al ben met tegen alles ‘Piep’ terugzeggen.
Tot nu toe hebben we de spraakgestuurde en app -gestuurde apparatuur nog weten te vermijden. Ik zou ook niet weten wat het toevoegt om mijn koelkast met een app te bedienen.
Hé mijn koelkast! Die piept niet! Dat is een unicum.
Komt vast omdat het een retro model is. Heerlijk.



Lunch

Na een afspraak in Groningen gingen we nog even naar het overdekt winkelcentrum aan de rand van de stad. Gewoon voor de gezelligheid, wij wonen in zo’n klein dorpje dat het al een heel uitje is om daar heen te gaan. We hadden niet echt iets nodig, behalve de pootjes van mijn bril te laten verstellen bij de opticien daar, maar een beetje rondneuzen in de winkels is voor een keer best leuk. En omdat het rond lunchtijd was, ook lekker om even een visje te eten daar.
Ik zat met uitzicht op het winkelend publiek en ik heb net zoveel telefoons gezien als mensen. Mensen alleen, mensen in groepjes, stelletjes, moeders achter kinderwagens, vrijwel iedereen liep met voorovergebogen hoofd op het schermpje te kijken. Om mij heen aan de tafeltjes zo’n beetje hetzelfde. Wat een gezelligheid.
Achter mij was de telefoon blijkbaar niet in gebruik, want daar zaten drie, aan hun stemmen te horen jonge, mensen met elkaar te praten. Een vrouw en twee mannen.
We zaten dan wel in Groningen maar ze praatten nog Gooiser dan ik zelf ooit gedaan heb, ook al ben ik er geboren en getogen. Pure kak om het zo maar eens te zeggen.
Ik had heel veel zin om me om te draaien, gewoon om te zien hoe ze eruit zagen. Want de gesprekken die luid en geaffecteerd gevoerd werden, wekten mijn lachlust op. Uiteraard zat ik ook gezellig met Bert te kletsen, maar ik ving steeds flarden op van achter mij. Er waren veel OMG’s maar ook:
‘En ik was toen met haar een stelletje, maar ik ging ook met anderen uit, want mijn libido was echt skyhigh!’  Ik verslikte me nog net niet in mijn thee. Om even in hun eigen stijl te blijven: too much information.
Vervolgens ging het over twee mannelijke kennissen die volgens de vrouw in november hun báárd hadden laten staan! ‘Soooo gross!’  
Ik keek met een schuin oog naar mijn man met zijn baard en grinnikte. Wat er goor is aan een baard laten staan is mij een raadsel.
En die en die was in het bedrijf gekomen als stagiair en gedefinieerd met: ‘hij is een (ben vergeten welk engels woord) deskundige en hij heeft een snór!’
Kennelijk was gezichtsbeharing voor deze vrouw een heel belangrijk punt in het beoordelen van mannen.
Ik loop blijkbaar al weer hopeloos achter, want ik veronderstelde nog steeds dat baarden en snorren hip zijn.
Al is het woord hip nu heel wat anders als toen ik hip was. Maar onderschat mij niet, want ik zat wel aan de  ‘loaded kibbeling truffel.’ Ik ga dus verder heus wel met mijn tijd mee, hoor!


Wij hadden ons visje op en ik stond op om het gebruikte dienblad in het rek te zetten. Nu kon ik ongehinderd een blik werpen op het stel. Goeie genade, wat waren ze nog jong! Mijn vader zou vroeger gezegd hebben: ‘ze hebben de kringen van de pot nog in hun kont staan.’
Maar dat is nu wel ècht iets wat aan mij ligt, dat ik ze zo jong vind. 
Toen ik zelf 19 was had ik al een hele klas kleuters onder mijn hoede. Nu vind ik iemand van 19 nog een kind.
De artsen in het ziekenhuis, de diëtist, de fysiotherapeut, ze zijn allemaal nog zo jong! Vaak jonger dan mijn eigen kinderen joh!
Ben ik dan echt zo’n ouwe taart geworden? Ik ben bang van wel.
Nou ja, het zij zo. Hopelijk maak ik het nog mee dat de artsen en fysio’s de leeftijd hebben van mijn kleinkinderen. Ben benieuwd wat er dan weer in de mode is qua taalgebruik en gezichtsbeharing. Misschien kan ik dan mijn eigen snor wel gewoon laten staan, wie zal het zeggen.

Op rolletjes

Voor wat betreft inparkeren of achteruit rijden ben ik het cliché van een vrouw. Ik vind het erg moeilijk om in te schatten waar ik ‘zit’ met de auto.
Sowieso ben ik niet dol op autorijden. Ik was ook altijd wel een beetje bangig voor stadsrijden, rijden in slecht weer, onbekende routes rijden of in het buitenland rijden. 

Dat soort dingen zijn wel een stuk verbeterd in vergelijk met vroeger.
De eerste zet daarvoor was dat ik alleen kwam te staan en dan moet je wel, anders kom je nergens. Dat was nog in de tijd voor de navigatie, dus ik had het ANWB stratenboek in de auto liggen. En wegenkaarten. Moest ik daar gebruik van maken, dan zette ik de auto aan de kant, want om zo’n pil van een boek door te bladeren en de juiste coördinaten op de kaart te vinden, of om een wegenkaart op de goede manier uit te vouwen, daar had je twee handen en twee ogen en met de kaart ook nog veel ruimte voor nodig.
Na een poosje ging het rijden me makkelijker af, ik crosste het hele land door, om zoon naar jeugdkamp te brengen en te halen, om met z’n drietjes op vakantie te gaan en om dochter aan te moedigen als ze een optreden met de percussieband had waar dan ook in Nederland.
Maar autorijden werd nooit mijn hobby en toen ik weer een relatie kreeg, sloop het er makkelijk in dat ik steeds vaker weer op de bijrijdersstoel zat. 

Het nadeel hiervan was dat ik steeds meer op ging zien tegen het wèl zelf rijden. Drukte. Slecht weer. Niet weten hoe ik ergens moest komen. Zenuwachtig vanwege ander verkeer.
Hoe minder ik achter het stuur zat, hoe meer gespannen ik was, als ik een keer wel weer de chauffeur was.
Totdat dat echt in één klap afgelopen was. drie jaar geleden. We zouden op vakantie naar Oost Duitsland en Bert kreeg drie of vier dagen tevoren een extreem pijnlijke ontsteking in zijn schouder. Hij werd door de arts zwaar onder de medicijnen gezet, anders was het niet te doen. Dat betekende onder andere: niet autorijden. Ten eerste zou hij de bewegingen niet kunnen maken maar ten tweede waren de pijnstillers zo sterk dat het levensgevaarlijk zou zijn als hij achter het stuur zou gaan. Moesten we nu wel of niet op vakantie gaan? We besloten wel te gaan, we hadden een huisje gehuurd en daar kon hij het zich ook comfortabel maken en hopelijk zou het de komende dagen wat beter met hem gaan.
Maar, ik moest dus rijden. Het vreemde was, dat ik er toen ineens niet meer tegenop zag. We gingen gewoon, ik kon dat. Bert heeft zich onderweg en in de rest van de vakantie regelmatig afgevraagd wie er in ‘the Annelies-suit’ zat. Ik reed alsof ik nooit anders gedaan had over autobahnen, door grote steden, ik sorteerde voor, voegde in, deed inhaalmanoeuvres, zocht mijn weg door kleine dorpjes, niks was te moeilijk. Eén keer was ik een beetje zenuwachtig omdat we in een oude binnenstad reden en er tramrails lagen. Daar hou ik dus echt niet van, maar ook dat ging gewoon goed. We zochten natuurgebieden op, we reden over landelijke weggetjes, bezochten musea, een hooggelegen kasteel, een dierentuin en bij alles reed ik. Ik. Ja, dat herhaal ik nog maar even. 
Dat was toch een lekker gevoel, dat ik dat gewoon wèl kon! Goed voor mijn zelfvertrouwen en vooral voor ontspanning.
Maar, zoals de eerste zin van dit verhaal al zei: voor wat betreft inparkeren en achteruitrijden ben ik het cliché van een vrouw. Dat is niet veranderd en dat zal ook niet gebeuren. Ik klungel en zal blijven klungelen.


Vanmiddag weer even in praktijk gebracht, ik moest voor een afspraak ergens heen waar ik nog niet eerder geweest was. Beetje in het buitengebied maar ik zou het wel kunnen vinden, Google Maps hielp me wel.
Die hulp was enigszins discutabel, de robotstem zei dat ik rechtsaf naar de (straatnaam) moest. Maar ik reed al op die weg en ik zag geen rechtsaf. Toen begon mevrouw Google te blaten dat ik om moest keren. Ja tuurlijk, op een doorgaande weg, wat denk je zelf. Doorgereden tot de inrit naar een boerderij en daar kon ik keren. Weer bij de zogenaamde afslag gekomen zag ik een smal paadje, dat bedoelde ze blijkbaar. Man wat een slecht wegdek, modder, vol gaten en geen idee waar ik heenging. Ik kwam bij een nieuw gebouwd huis wat nog leegstond. Geen huisnummer. Verderop was een soort loods waar net een man in neonvestje naar buiten kwam. Snel liep ik naar hem toe om te vragen waar nr (..) was en hij wees: ‘Dan moet je daar de oprit in.’ Ik zag helemaal geen oprit, alleen een soort tuinpaadje. ‘Oké bedankt, ik loop er even heen.’
‘U kunt beter uw auto meenemen, u staat nu geparkeerd waar dat niet mag.’ Ik had werkelijk geen flauw idee waarom dat niet mocht, er was helemaal niks wat ik met mijn auto verstoorde. Maar ik wilde uiteraard geen ruzie, dus haalde de auto weer op en probeerde gaten ontwijkend naar het toegangspaadje te rijden. Direct zag ik al dat ik het nooit voor elkaar zou krijgen om de auto daar te keren als ik verder reed, en achteruit rijden zag ik ook niet zitten, dus het laatste stukje ging ik lopen.
Afspraak verliep prima en na een uurtje ging ik weer. Dacht ik. Er stond inmiddels een soort kar overdwars achter mijn auto. Wel een eindje verder, zodat ik nog achteruit het weggetje weer op kon draaien, maar krap was het wel. Op hoop van zegen dan maar. Klein stukje vooruit dat ik meer draairuimte zou hebben en toen achteruit. ‘Loeiiii’, zei mijn auto en ik voelde weerstand. Blijkbaar lag er een steen of een tak of weet ik veel, ik kon niet achteruit. Weer een stukje vooruit en vast wat draaien, zodat ik een andere richting achteruit kon zometeen. ‘Whieieieieie’ jankte mijn auto, de wielen draaien vruchteloos in de modder.
Ik voelde me zo langzamerhand Eddie Carr uit the Lost World die zijn jeep niet wegkreeg. Gelukkig hoefde ik hier geen dinosaurussen te verwachten. Maar stom was het wel. Ik had toch echt geen zin om naar meneer Neonvestje te gaan om de hulpeloze vrouw uit te hangen, dus poging 3.  Weer een klein stukje vooruit, daarbij een ministukje draaiend en toen weer achteruit. Ik had nog het benul om niet teveel gas te geven, stel je voor dat ik achteruit zou schieten, dan knalde ik alsnog tegen die kar aan.
Hèhè, de auto kachelde achteruit en ik kon het kuilen-en-gaten weggetje weer op.
Toen realiseerde ik me dat ik nog steeds rustig was. Niet te geloven! Ik had dit gewoon gedaan zonder te stressen!
Ik ging nog even wat boodschappen halen, bij de winkel waar ik heen wou zijn de parkeerplekken krap. Als je überhaupt al een parkeerplek vindt. Ik reed een rondje over de volle parkeerplaats, zag een auto wegrijden en priemde de mijne op het smalle plekje dat vrijkwam. Doodeng, maar het paste. Hoe ik eruit kwam zag ik straks wel weer. Ja, dat zal je altijd zien, in de tussentijd was er een vrachtwagen overdwars achter me gaan staan, hij moest de winkel bevoorraden. Er werd me ook niet veel bespaard vandaag. Nogmaals riskante manoeuvres om achteruit weg te rijden zonder dat ik ergens tegenaan botste of schraapte. Victorie! Ook dat lukte. Wat kan je dan toch ontzettend met jezelf ingenomen zijn.
Door de regen dan eindelijk naar huis.
‘Ging het goed?’ vroeg Bert.
‘O zeker hoor,’ zei ik. En ik meende het nog ook! 

Herkenbaar?

Ken je dat? 

Een detective op tv kijken en vlak voor de ontknoping in slaap vallen

Een appje naar de verkeerde persoon sturen die er geen bal van snapt. (in het gunstigste geval) 

Crème in je haar smeren in plaats van mousse

Je telefoon kwijt zijn, vragen of iemand je even belt, zo je telefoon vinden en dan denken: Hé, ik ben gebeld!

Je hemd binnenstebuiten aantrekken, weer uittrekken, omdraaien, achterstevoren aantrekken, weer uittrekken, voor de derde keer aantrekken

Herhaal met trui

Nootmuskaat in je yoghurt strooien in plaats van kaneel

Je sleutels kwijt zijn en ze uiteindelijk vinden in het vakje van je tas waar je al vier keer eerder hebt gekeken

Met je sok in de drinkbak van de hond gaan staan

Je bril vanaf je nachtkastje op de grond gooien, hem niet kunnen vinden zonder bril maar ook niet uit bed durven stappen omdat je dan misschien op je bril gaat staan

Een steekproef krijgen bij de zelfscankassa  als je maar 1 boodschapje hebt

Een boodschappenlijst schrijven en hem vervolgens thuis laten liggen. 

In het luchtledige stappen bovenaan een trap omdat je dacht dat er nog een tree was

Ja? Ken je dat?  Dan heb je vast nog aanvullingen.  Ik ben benieuwd!