Paspoort

Het was tijd voor een nieuw paspoort. Allang tijd, want hij was al een jaar verlopen. Dus eindelijk maar eens een nieuwe aanvragen.
Sinds de gemeentelijke herindeling hebben we een mega-grote gemeente. Wat voorheen De Marne was, is opgegaan in Het Hogeland. Een en ander heeft tot gevolg dat we in ons dorp geen gemeentehuis meer hebben. Als er iets geregeld moet worden kan het online, of op het gemeentehuis in Winsum of Uithuizen. 

Ik begon moedig online. Ja, hartstikke leuk, maar je moet wel je aanvraag op een fysiek gemeentehuis afronden. En dan je oude paspoort en een nieuwe pasfoto meenemen. Betalen kon dan weer wel.
Oké, gaan we doen!
Eerst een afspraak maken, dat kon nog wel online. 

Vervolgens kreeg ik drie mailtjes om die afspraak te bevestigen. Van de gemeente, van het gemeentelijk klantcontactcentrum en nog een van de gemeente.
Blijkbaar hadden ze mijn leeftijd gezien en waren ze erg bang dat het niet duidelijk was, of dat ik het zelfs zou vergeten.
Daarna volgde er nog een sms. Ja ambtenaren, nou weet ik het wel hoor! 

Op tijd naar onze drogist, om pasfoto’s te laten maken. Verteld dat het voor een paspoort was, daarom maakte de medewerkster er drie met en drie zonder bril. Voor het geval dat.
Ik was trots op mezelf dat ik alles tot in de puntjes had voorbereid.
Met mijn oude paspoort en mijn nieuwe pasfoto’s stapte ik gister in de bus naar Winsum, waar ik om 10.15 u. een afspraak had op het gemeentehuis.
Keurig op tijd was ik daar en sloot aan in de rij voor ‘eerst melden bij de receptie.’
Het was erg warm en ik dacht: oh ja, er is op zulke dagen altijd een ernstig tekort aan deodorant. Vooral bij oude mannen die zelfs met deze temperaturen nog een trui over een bloes aan hebben. En daar stonden er meerdere van in mijn rij, helaas.
Bij de receptie werden ook de paspoorten en rijbewijzen die al klaar waren uitgegeven, dus ik stond best een poos in die stinkrij.
Maar toen was het toch mijn beurt, ik werd aangemeld en op een stoel geparkeerd. Drie minuten na de aanvangstijd van mijn afspraak werd ik opgeroepen. ‘t Kon minder.
‘Ah, u heeft uw aanvraag al online voorbereid. Dat is handig. Heeft u een nieuwe foto bij u?’
Ik overhandigde direct maar de brilloze,  mevrouw keek naar de foto, fronste, keek naar mij, fronste, keek nogmaals naar de foto en zei: ‘Ik ben bang dat ik deze foto moet afkeuren. Heeft u nog een andere?’  Ik gaf haar het hele mapje maar, kon ze kiezen.
‘Nee sorry, dit kan echt niet.’ Ik probeerde niet beledigd te zijn, wie ziet er nu leuk uit op een pasfoto?
‘Er zit een lokje haar langs uw oog,’ hernam ze. Ze wees op het sliertje wat net langs mijn ooghoek ging. Want om nou te zeggen dat ik een weelderige haardos heb….
‘U moet nieuwe foto’s laten maken en dan terugkomen. Ik geef u een formulier mee met de voorschriften. Geen bril, voorhoofd en oren vrij.’
Ik wees op de foto in mijn oude paspoort. Lang haar over mijn oren, een pony en een bril op mijn neus.
‘Onbegrijpelijk dat die goedgekeurd was,’ zei ze en het leek me niet zinvol om in discussie te gaan. Na een nieuwe afspraak voor vandaag te hebben gemaakt, droop ik af. Letterlijk want het was bloedheet. Gelukkig werkt mijn deo wèl heel goed.
Ik besloot een paar haltes voorbij mijn huis weer uit de bus te stappen, dan kon ik gelijk even bij de drogist aan voor nieuwe foto’s. Daar liet ik het formulier en de afgekeurde foto’s zien en de medewerkster zei: ‘U krijgt gratis nieuwe. Mag ik deze hier houden om aan mijn collega te laten zien waar op gelet moet worden?’
Ik vond het allemaal best, was echt niet van plan geweest om de foto’s op canvas te laten afdrukken voor op de slaapkamer. 

Wederom nam ik plaats op de kruk, streek mijn haar van mijn voorhoofd, bedacht dat ik (alweer) een lelijke blauwe plek onder mijn haar had (iets met een bbq-rooster dat van een plank op mijn knar viel, maar dat is een ander verhaal) en probeerde de plek wat te camoufleren. Anders zit ik daar 10 jaar aan vast en moet ik mijn man verdedigen dat hij er echt de hand niet in gehad heeft.
Ik streek de rest van mijn haar achter mijn oren, deed mijn bril af en lachte niet. Alles volgens voorschrift. Het is dan ook een schitterende foto geworden die van geen kant laat zien hoe ik er echt uitzie. Vast niet verbazend dat ik deze foto hier niet plaats. 

Bij de toonbank liet ik de foto in mijn oude paspoort nog even zien. ‘Toen mocht dit gewoon’, zei ik.
‘Maar die is niet hier gemaakt denk ik,’ zei ze.
‘Jawel hoor,’ zei ik, ‘Ook bij jullie.’
Ze keek naar het jaartal en zei: ‘O ja, toen waren we net begonnen.’
Het lag op het puntje mijn tong om te reageren met:  ‘Ja toen maakten jullie pas foto’s’ , maar ik vond dat zo flauw dat ik het nu alleen tegen jullie zeg.

Goed, vandaag weer in de bus, Winsumwaarts. Het was minder warm, de rij in het gemeentehuis was minder lang en het stonk niet. Positief begin.
Er kwamen twee dames binnen, ze hoorden niet bij elkaar, maar ze wilden beiden niet in de rij staan.
‘Ik heb een afspraak om 13.00 u. ‘ zei een van hen tegen mij. ‘Staat u ook in de rij?’
Ik wees op het bordje ‘bezoekers eerst melden bij de receptie’ maar ze vond dat ze het recht had om voor te gaan, dus ze liep naar een andere baliemedewerker.
‘Ik kom mijn paspoort ophalen, ik heb een afspraak.’ begon ze luid en duidelijk.
De baliemedewerker verwees haar vriendelijk doch vastbesloten naar mijn rij en ik probeerde niet te grijnzen.
Daarna  deed de andere vrouw ook een poging, wat een hardnekkigheid! Maar zij kwam een rijbewijs halen, blijkbaar vond ze dat anders.
Onverbiddelijk werd ze ook teruggestuurd, maar de ambtenaar zei nog: ‘ Dit is alleen voor aanvragen.’
‘Ik kom voor een aanvraag’, zei ik brutaal vanaf mijn plek en hij wenkte direct. ‘Mevrouw van Bloois?’
10 minuten voor mijn afspraak was ik al aan de beurt, het moet niet gekker worden.

Nog voor dat de beide voordringende dames aan de beurt waren, wandelde ik het gemeentehuis alweer uit, met een goedgekeurde aanvraag en een afspraak voor volgende week ophalen.
Omdat ik vroeger klaar was, kon ik een eerdere bus terug nog halen, als ik hard doorliep. En dat deed ik, anders moest ik een half uur wachten.
Hijgend kwam ik tegelijk met de bus bij de halte aan, kon nog iets van goedemiddag uitbrengen tegen de chauffeur en plofte op een lege plaats. Wat zat het allemaal mee vandaag! 

 Ik stapte uit in Wehe den Hoorn, waar Bert vandaag in het Kunstcentrum vrijwilligde. Daar moest ik namelijk nodig eens gaan kijken!
Ik kreeg thee, en kon nog even zien hoe Bert cappuccino’s maakte en gebak serveerde.
Zo leuk, had ik vroeger echt nooit gedacht hoor.
Toen zijn dienst erop zat, leidde hij me rond in het centrum en bleef ik eindeloos hangen bij een prachtig schilderij van de Grote Markt in Groningen tijdens een regenachtige winternamiddag, geschilderd door Cees Muller. Dat vind ik zelf echt het topstuk van de expositie. 


Toen ik alles gezien had, gingen we ook nog maar even gezellig een Eggens Weizen drinken in Berts brasserie.
En zo had ik zomaar een fijn uitje vanmiddag, terwijl ik gister zo mopperde dat ik vandaag alwéér naar het gemeentehuis moest. 
Volgende week kan ik mijn paspoort ophalen. Ik heb alweer drie mailtjes gekregen en de sms zal ook nog wel komen.
Helaas rijdt Bert die dag als chauffeur op de Buurtbus, dus dan zal ik het toch thuis weer met een beker thee moeten doen.
Ook wel weer prima eigenlijk. Hoef ik tenminste niet die foto te laten zien.

Blog

Tijdens mijn wandeling vanmorgen was ik lekker aan het mijmeren en dingen overdenken. Bij een bepaald onderwerp dacht ik: dat is mooi om er een blog over te schrijven.
Nou ben ik al ruim 15 jaar blogs aan het schrijven, dus ik ging maar eens even in mijn archief kijken of ik dat onderwerp al niet eerder bij de hand had gehad. En jawel, in 2020 had ik er al over geschreven. Omdat ik niet in herhaling wil vallen, is dit onderwerp voor nu van de baan.

Dit is blog 455.  Geen wonder dat ik al heel veel onderwerpen de revue heb laten passeren.
Het is ook goed dat ik een archief heb (jij kan dat ook lezen trouwens, staat gewoon op de site ) want dan is het gevaar van stokpaardjes toch wat kleiner. Of dezelfde grappige situaties. 

Ik zie dat mijn schrijfstijl niet echt veranderd is, in al die jaren. Wel verbeterd, omdat ik veel heb geleerd van schrijfopdrachten met feedback en natuurlijk de redactie-rondes op mijn boeken. Maar mijn eigen manier van vertellen is er nog steeds. 

Het grappige is, vind ik zelf tenminste, dat ik, als ik ga typen, gewoon maar doorrammel. Ik hoef bijna nooit naar woorden te zoeken, de zinnen vormen zich vanzelf.
Zou je met mij een gesprek voeren, dan is dat anders. Dan maak ik andere zinnen, gebruik ik stopwoorden, vallen er stiltes omdat ik na moet denken.
Ga ik fysiek een verhaal vertellen, dan bedenk ik tevoren wat ik allemaal ga zeggen, oefen ik een keertje hardop en ben ik me erg bewust van hoe het overkomt.
Als ik schrijf totaal niet. Het vloeit me gewoon uit de pen, als ik een pen zou gebruiken.
Het vloeit me eigenlijk gewoon uit de laptop maar dat klinkt niet. 

Schrijven is ook eigenlijk het enige waarin ik mezelf echt ‘laat gaan’
Ik teken graag, ik maak muziek, ik handwerk, ik bak.  Doe ik allemaal met veel plezier maar altijd ook met een zeer kritische blik. Het is vaak net niet goed genoeg naar mijn zin. Foutjes vallen me op en die storen me dan ook. Ik ben wel bezig om dat te veranderen, mijn vioollerares hamerde daar erg op: ‘je doet het niet voor het resultaat, je doet het voor het gevoel dat je hebt wanneer je iets aan het maken bent’. Daarom lukt het me toch steeds vaker om wel tevreden te zijn als iets af is, of zelfs een beetje trots.
Het is misschien ook wel waar we, mijn generatie, mee grootgebracht zijn. ‘Wees nou maar bescheiden en schep niet zo op’. Het was niet gewoon om complimenten te ontvangen, het kon immers altijd beter.

Ik schep ook niet op over mijn schrijverij. Ik geniet er alleen maar van. Het is een heerlijk gevoel dat de letters, woorden en zinnen uit mijn 10 vingers komen in een oneindige stroom. Het gevoel dat ik dit kan, zonder dat het schuurt omdat het niet goed genoeg is.
Dat ik een hele blog schrijf, terwijl ik eerst dacht dat ik geen blog hoefde te schrijven.
Happy!


Antieke baby

Al bijna 22 jaar loop ik rond op Landgoed Verhildersum, elk seizoen en bijna iedere dag.
Het is er mooi, historisch en sfeervol.
Er is een dierenweide, de Borg met het Koetshuis ernaast, een beeldentuin, Restaurant ‘t Schathoes, een ouderwetse boomgaard, een arbeidershuisje en een museumboerderij.
Het landgoed zelf is vrij toegankelijk, en het is heerlijk om er te wandelen.
Voor de gebouwen wordt er wel een entreeprijs gevraagd, maar met je museumkaart mag je er ook in.

Een poosje terug ben ik dan eindelijk vrijwilliger geworden bij Verhildersum.  Als baliemedewerker in de museumboerderij. Bezoekers ontvangen, informatie geven, en de bescheiden horeca runnen. Ik vind het ontzettend leuk om te doen. Tussen de bedrijven door zorg ik dat het netjes blijft, poets eens de raampjes van de deur, geef de bloempjes op de tafels water, er is altijd wel wat te doen. En ik heb het mooiste uitzicht van de wereld daar! 

In de entree staat een antieke kinderwagen, met een babypop erin en een paspop ernaast met  kleding uit ca. 1900.
Gister heb ik die wagen uitgebreid gestoft en voorzichtig gepoetst, de baby was ook een beetje groezelig zag ik, dus die moest ook aan een natte washand geloven. Het kindje bleef lachen, de blauwe oogjes bleven stralen, ook al poetste ik stevig de mollige handjes en voetjes en peuterde ik in het neusje en de ooghoekjes. Ik praatte zelfs tegen de pop, ik was zo in mijn element. Altijd een poppenkind geweest en nu eigenlijk nog steeds. Heerlijk dit. 

Het is ruim een halve eeuw geleden dat ik echt met poppen speelde. Maar het is zelfs al bijna ànderhalve eeuw geleden dat er een echte baby in deze wagen gelegen heeft!
De wagen is prachtig bewaard gebleven, dat getuigt van zorgvuldig onderhoud en een liefdevolle behandeling.
Wie was die baby die er in rondgereden werd? Een meisje of een jongetje? Aan de kleertjes kon je het toen niet zien want alle baby’s droegen jurkjes. Wel zo handig met verschonen natuurlijk. En zo’n prachtig mutsje op het bolletje.
Werd de kinderwagen geduwd door de moeder? Een trotse oma? Of waren ze zo rijk dat er een kindermeisje was? De vader heeft er vast niet achter gelopen, dat deden mannen niet.
Ze mochten niet bij de bevalling zijn, en hadden ook geen deel aan de verzorging.
Toch vraag ik me weleens af hoe sommige mannen dat in de beslotenheid van hun eigen huis deden. Zou er nou nooit eens eentje een luier verschoond hebben of een flesje gegeven? Ik kan me zo voorstellen dat sommige vaders dat best wilden.
We kunnen het niet meer vragen. We weten alleen de algemene dingen uit het leven van toen en weinig persoonlijke zaken. 

De kinderwagen is een bezienswaardigheid. De bak en de kap zijn van leer, het onderstel is van smeedijzer, de vering bestaat uit brede leren riemen en de handvatten aan de kap en de duwstang zijn van porselein. Echt een prachtig koetsje. Het kindje zal er comfortabel in gelegen en later gezeten hebben. De bak is zo ruim dat er makkelijk een dreumes en zelfs peuter in kon zitten met een kussentje in de rug.
En nu leven de eerste eigenaars van de wagen en het toenmalige kindje allang niet meer. Ook de vakman of -mannen die dit degelijk stuk werk gemaakt hebben zijn er niet meer.
Wat blijft is het stoffelijke, in de vorm van deze kinderwagen. Veel duurzamer dan de moderne wagens, zo blijkt. Kunststof verpulvert, textiel wordt gaar, metaal roest. Ik was enorm zuinig op mijn poppenwagen maar hij heeft nog niet eens 25 jaar overleefd.
Deze wagen is er al bijna 150 jaar.
Tentoongesteld in een museum, waar hij ook weer zorgvuldig wordt onderhouden en liefdevol verzorgd. Zo doen we de eerste eigenaars eer aan.

De babypop in de wagen heeft een jakje aan wat niet helemaal past en het lakentje is stiekem een creatief gevouwen valletje (kort gordijntje) Het begon enorm te kriebelen met opborrelende ideetjes toen ik dat gister zag. Ik heb gevraagd of ik een jurkje en passend beddengoed mag maken en zojuist hoorde ik dat ik aan de slag mag gaan!
Zo leuk! Het zal wel even wat tijd in beslag gaan nemen, maar als het klaar is zal ik een nieuwe foto maken.

Koning te rijk

Toen ik 6 jaar was gingen schoolkinderen op Koninginnedag een Aubade brengen. Maar wel in hun eigen woonplaats. Nou hield (en houd) ik van zingen, maar ik vond dat wel een beetje raar. We zongen voor de koningin maar die was nergens te bekennen. Waarom moest dat dan? Ik vind dat kleine Anneliesje gelijk had, het was zeker raar. 

Nu mijn kleinzoon 6 jaar is, gaat het heel anders. De laatste vrijdag voor Koningsdag zijn de Koningsspelen op bijna alle scholen in Nederland. Dat vind ik echt een veel leuker initiatief!
Willem heeft daar een mooie nieuwe traditie mee gemaakt naar mijn mening.
Alle kinderen, klein en groot, zijn actief bezig en het is een feestelijke dag. Gister heb ik dat van zeer dichtbij meegemaakt. 

In vol ornaat gingen we naar school, Finn en ik. Oma mocht namelijk meehelpen, hoe leuk is dat! 
De onderbouw was in drie groepen verdeeld, leeftijden door elkaar, en op drie locaties konden ze heerlijk spelen en actief zijn. Wat was dit mooi, deze opzet, dat de kinderen konden kiezen wat ze leuk vonden. Wil je voetballen? Dan ga je dat doen. Hou je daar niet van? Dan ga  je lekker stoepkrijten, of een parcourtje lopen, klimmen, kloslopen of hinkelen of… Alles wat je maar kan bedenken om buiten te spelen, allebei de schoolpleinen plus het zijpad waren beschikbaar. Finn en alle andere kinderen uit de groep waar ik bij ingedeeld was, waren heerlijk bezig en heel blij. 


Na drie kwartier even fruitpauze, en daarna ging onze groep naar het bos. De school ligt aan de bosrand, dus we hoefden alleen maar het hek door.

In het bos konden ze klimmen en hutten bouwen. Ook hier weer geen enkele wanklank en geen kind dat zei: ‘ik weet niet wat ik moet doen.’ 

Na weer drie kwartier gingen we terug naar school en was het binnen onderdeel aan de beurt: kiezen tussen gezelschapsspellen, spelen in de huishoek of klimmen en klauteren in het gymzaaltje. Uiteraard koos Finn de gymzaal, het kind heeft de hele ochtend niets anders gedaan dan rennen, klimmen en springen. Hoe heerlijk is dat. 

Natuurlijk lette ik niet alleen op Finn. Het was zo leuk om naar de kinderen te kijken, hoe ze waren en hoe ze zich uiten. Ik heb in mijn leven honderden kinderen gezien en onder mijn hoede gehad, maar het blijft geweldig om te zien hoe uniek ieder kind is.
Dan heb je daar het verlegen meisje, wat een beetje om me heen draait, dan plotseling speelt dat ze een gevaarlijke slang is en me na een hoop sisgeluiden ineens keihard in mijn tenen bijt! Ik roep echt keihard ‘AU’ want het doet echt zeer. Zoiets zie je niet aankomen toch, dat je op de school van je kleinzoon in je tenen gebeten wordt door een klein stil meisje uit groep 2.
Het net iets te dikke jongetje wat me de hele tijd claimt met overdreven aandacht vragen zodat het me begint te irriteren, maar die niet reageert op mijn subtiele signalen, waardoor ik uiteindelijk ronduit zeg: ‘Zo, en nu wil ik je niet meer bij me zien.’ Vast niet pedagogisch maar wel effectief.
De mooie actie van een meisje uit groep 3 die een ukje uit groep 1 helpt om op de glijbaan te klimmen en daarbij de voordringers blokkeert.
En sowieso al die verschillende kindertjes uit verschillende culturen en milieus. Allemaal bij elkaar, en met elkaar, in het oranje. Ik heb al wel vaker gezegd dat ik niks heb met het koningshuis en dat ik ook niet patriottisch ben, maar dit is zo mooi om te zien hoe alle onbelangrijke verschillen, die soms door volwassen zo groot gemaakt worden, wegvallen.
Alleen maar blije kinderen die met de Koningsspelen bezig zijn.
Ik steek eens een duim op, geef eens een applausje, grijp eens in als het net niet helemaal goed gaat, en ben helemaal in mijn element.
Lieve Finn, wat fijn dat ik vandaag met je mee mag! 

Om kwart over 12 zit het erop, groep 1 gaat naar huis, en groep 2 en 3 gaan picknicken in een dichtbijgelegen park.
Netjes in de rij , iedere groep 3-er moet een kleiner kind bij de hand houden.
Uiteraard vallen er gaten in de rij omdat niet iedereen doorloopt.
‘Geef maar een hand’ zeg ik tegen een meisje, ‘Dan lopen we samen door.’ Ik krijg een zweterig knuistje en honderd verhalen over wat ze allemaal gedaan heeft vanochtend.
We komen bij het park, waar een klimtoestel en een paar schommels staan.
‘Oooh! roept ze, “EEN SPEELTUIN”  Alsof we nu voor het eerst gaan spelen vandaag. Ik moet zo lachen.
Maar eerst moet er gegeten  worden en wie kan tonen dat zowel broodtrommeltje als beker leeg zijn mag gaan spelen. Daar zwermen ze al weer uit, als een stel oranje mieren over het veld. 

‘Hoi oma!’ hoor ik en zie een stralende Finn voorbij rennen, samen met z’n vriendjes.
Het is prachtig weer en ik zoek een plekje in de zon waar ik alles goed kan overzien.
Hoe is het mogelijk dat die kinderen nog weer aan het rennen en vliegen zijn, ze hebben dat de hele ochtend al gedaan. Onvermoeibaar.
Dan is het toch tijd om terug te gaan, de school gaat uit. Onderweg krijg ik weer hetzelfde knuistje in mijn hand. 
‘Wat gaan we nu doen?’
‘Terug naar school.’
‘En dan, wat gaan we daar doen?’
‘Niks meer, het is tijd om naar huis te gaan.’
‘Echt waar? Maar het was zo leuk!’
Ik lach tegen haar. ‘Wat fijn dat je het zo leuk vond! Maar nu is het vakantie, dat is ook leuk.’

Volgens mij hebben alle kinderen een fantastische dag gehad. Heerlijk zonder stramien, maar wel heel goed georganiseerd. Ik vond het geweldig om erbij te zijn.
Ik fiets met Finn samen weer naar huis. Verwacht wel dat hij thuis wat wil uitrusten.
Nee, natuurlijk niet oma! Hij drinkt een groot glas water, schuift een oranje-met- rood/wit/blauwe-spikkels-donut naar binnen en is alweer vertrokken. Buiten spelen! 

Circus

Hooggeëerd publiek! Welkom in Circus Vurenlaan.
Met vandaag als speciale attractie: De katten, de muis en de halfnaakte vrouw.
In deze speciale ochtendvoorstelling mogen geen beelden gemaakt worden, alleen in uw hoofd. 

Momenteel ben ik in het huis van mijn zoon, om voor de katten te zorgen en een beetje vakantie te houden. Maar je voelt het na dit intro al aankomen: de ochtendrust was even ver te zoeken op deze normaal zo heerlijk stille plek.

Het was al wel licht maar nog veel te vroeg om wakker te worden, ik hoorde vogeltjes zingen en was helemaal tevreden. Er was een vogeltje wel heel dicht bij, ik vermoedde een pimpelmeesje of zoiets, want het was een hoog gekwetter. Zat wel weinig melodie in trouwens. Maar ach, elk vogeltje zingt zoals het gebekt is… ik sukkelde weer in slaap.
Werd af en toe half wakker omdat ik wat gerommel hoorde van de katten, die blijkbaar aan het spelen waren. Gezellig. Ik  dommelde heerlijk verder. 

Tot ik ineens echt wakker werd, want het was een heisa in de slaapkamer. Het pimpelmeesje klonk wel heel dichtbij nu en allebei de katten, ook de ene die vrij schuw is, waren naast mijn bed aan het rotzooien.
Wacht, dit klopte niet. Dit was natuurlijk helemaal geen pimpelmees, dit moest een muisje zijn.
Katten de kamer uitgebonjourd, tenminste eentje want de ander schoot onder het bed.
Lampje van mijn telefoon aan en in het hoekje gekeken waar die pimpelmuis dan waarschijnlijk zat.
Och ja, een klein grijs bolletje, hoofdje weggestopt om die vreselijke leeuwen maar niet te hoeven zien.
En daar was de poes ook weer, de aantrekkingskracht van de muis was sterker dan de schroom voor mij. Nu kon ik haar ook de slaapkamer uitwerken.
Hoe ging ik dit nou aanpakken. Of oppakken. Stel dat die muis uit angst ging bijten. En waar moest ik er mee heen, naar buiten?
Maar ik had bijna niks aan, want ik lag nog in bed toen de voorstelling begon. Als ik zo naar buiten zou lopen, dan kreeg de rest van Valthermond ook een voorstelling en was de goede naam van mijn zoon ernstig in het geding.
Ik trok snel een shirt aan, spiedde bij de slaapkamerdeur of ik veilig naar buiten kon zonder dat poes weer naar binnen schoot en haalde een doek uit de keukenla.
Weer de slaapkamer in, gauw gauw gauw de deur dicht.
Muis, alsjeblieft, ik ga je redden, dus flik het me nu niet om weg te schieten onder het bed of tussen de muur en de kast of naar andere onbereikbare plekjes. Poes is nog steeds op jacht, dus ik waarschuw je!
Ach, die arme kleine muis was volledig uitgeput en liet zich zonder gedoe oppakken met de doek. Ik voelde wel wat gewriemel, het beestje leefde gelukkig nog dus.
Met het muispakketje liep ik snel naar de voordeur, in polonaise met de katten. Dus eerst zorgen dat de kamerdeur dicht was voordat ik de buitendeur open deed.
Toegegeven: alleen een onderbroek en een shirt is ook niet echt goed gekleed om naar buiten te gaan, maar ik had nu echt geen tijd om eerst toilet te maken, hier stond een leven op het spel.
Naast het huis is een parkje, met een grasveld. Daar liet ik muisje los, die verdwaasd omviel en weer overeind krabbelde. Dag, kleine pimpelmuis. 

Zo, veldmuis weer in het veld, vrouw weer binnen, katten nog steeds op zoek. Ze doen maar. De voorstelling is afgelopen.
Koffie! 

Ei

Even wat halen bij Aldi en dan uiteraard met wat extra’s thuiskomen.
Nou ja, uiteraard, als het niks is, wat er in die bakken ligt waar ik zo graag in rondstruin, dan neem ik het niet mee.
Vandaag wel. Een extra brede spatel om een gebakken eitje heel uit de koekenpan te krijgen, zodat niet alsnog je zo zorgvuldig heelgehouden dooier over je brood of je nasi druipt. Ideaal en dat voor € 2,-
Eenmaal thuis pakte ik het ding uit en zag de blik van het eitje op de steel.
Och. Dit ziet er redelijk zielig uit, die verdrietige oogjes als je hiermee een mede-ei uit de pan haalt. En dat pruillipje! Het is notabene een snaveltje en toch pruilt ie. Ook wel weer knap als je als designer dat voor elkaar krijgt. 

Ik moest aan het liedje ‘Het ei’ van Jaap Fischer denken. Een liedje waar mijn zwager Joos me bijna 50 jaar geleden op attendeerde, hij kon het helemaal meezingen notabene. 

Jongens, wat een drama.  Die zin over de verkrampte handjes, en dat ie dan terug in de boter glijdt…. Je zou per direct nooit meer een ei eten. 

Ik kijk nog eens naar mijn spatel en roep mezelf tot de orde.  Het is een plastic ei! Echte eieren hebben geen oogjes en ook geen snavel, pruilend of niet. Dit is niet eens een ei, het is een platte ovale vorm. Het.Is.Nep.
Sjongejonge. Er is een grens hoor. Ik eet geen vlees, maar wel ei. En als dat eieren zijn van kippen die lekker door de wei rondkrabben en scharrelen, smaken ze me prima. 


Ik denk nog even aan de bak bij Aldi.  Er lagen ook mesjes om wortels mee te schillen. Ja, je voelt hem al aankomen, met een worteltje met een gezichtje erop. Ik had het niet nodig, dus heb niet echt opgelet of het een blij of verdrietig gezichtje was. Maar allebei is natuurlijk flauwekul.
Soms denk ik dat ik nooit helemaal uit de magische fase gekomen ben. Die fase in je vroege jeugd, waarin je alles wat je ziet een ziel toedicht. Nou ja, het zij zo.
Ik heb niet voor niets een heel fotoalbum ‘Accidental Facebook’  (openbaar, via mijn eigen fb pagina) waarin momenteel 361 (het wordt steeds aangevuld) foto’s staan van dingen met gezichtjes. Waaronder een aantal groenten en aardappelen. Een compilatie:  


Geweldig toch, die chagrijnige tomaat, de blije aardappel, de schaterende bosuitjes en de verschrikte paprika.
Daar kan geen designer van Aldi tegenop! 

Kneus

Ik weet niet of ik in een tweede puberteit beland ben, maar qua onhandigheid en stunteligheid zou je het wel zeggen. Werkelijk, ik weet niet wat me bezielt de laatste tijd.
Ik zit onder de blauwe plekken die ik geheel aan mijzelf te wijten heb. Ik struikel overal over, blijf hangen, loop tegen dingen aan en loop van alles omver.
Het lijkt wel slapstick. 

Op bezoek bij het gezin van mijn dochter dit weekend, was ik ook lekker bezig.
Ik schoof aan tafel om samen met kleinzoon een rebus op te lossen en knalde met mijn knie tegen de tafelpoot. En het is echt niet zo dat die tafel er pas net staat. Je knieschijf stoten is net zo heerlijk als je elleboog, dus oma hapte even naar adem voor ze met een verbeten glimlach ging zitten puzzelen. ‘Gaat het?’ vroeg schoonzoon bezorgd. Jawel, het ging.
Ik stond op en bleef met mijn voet in de hengsels van mijn tas hangen, zodat ik die al struikelend door de kamer sleepte.
Schopte een lego-autootje voor me uit zodat die tegen de muur knalde.
Bleef na het voorlezen voor het slapengaan in het snoer van de babyfoon hangen en trok daarmee de stekker eruit zodat de ouders beneden dachten dat hun ontvanger opgeladen moest worden.
Ging naar boven om ons koffertje naar zolder te brengen om straks de slapende jongetjes niet te storen en bonkte met mijn voet zo hard tegen het schot van de traptree aan dat men beneden dacht dat ik deze keer echt neergestort was. Goed dat ik nu alvast gegaan was, dacht ik maar. De kleine mannetjes hadden anders stijf rechtop in bed gezeten van de schrik.
Ik gooide wat in de groene container buiten en liet de voordeur openstaan. Ik draaide me om en wilde weer naar binnen stappen maar zag niet dat de voordeur inmiddels bijna dichtgedraaid was, zodat ik met een knal waarvan mijn tanden klapperden met mijn voorhoofd tegen de rand van de deur sloeg. Er zit inmiddels een plek die doet vermoeden dat ik Harry Potter wil evenaren. Sjongejonge.


Thuis lukt het ook goed, dat stuntelen. Vanmorgen trok ik mijn sokken aan en zag dat ik op mijn enkel een grote blauwe plek heb. Probeerde te bedenken waar die nou weer van was. O ja, ik struikelde op de trap toen ik mijn handen vol had en bonkte met mijn enkel tegen de rand. Au. Nog een geluk dat ik niet van de trap af lazerde. En maar tegen een ander zeggen dat je altijd één hand vrij moet hebben om de trapleuning vast te houden.
Ik heb een vinger verbrand omdat ik die in hete olie doopte tijdens het bakken. Vraag maar niet eens hoe dan, want ik heb er geen antwoord op.
Bij het wat lekkers brengen naar de konijnen keek ik ook weer niet uit en liep recht in de handvatten van de oeroude kruiwagen, die geen rubberen bescherming meer hebben.
Roestvlek op mijn broek, ronde blauwe plek op mijn dij en wederom een geblutst ego, want mijn man zag het.
Ik typ dit op mijn laptop en die moest aan het snoer want geen batterij meer. Bij het opstaan om nog wat drinken te pakken bleef ik ook weer in het snoer hangen en kon nog net mijn laptop behoeden voor een val van de tafel op de leistenen vloer. Gelukkig. 

Er is zo’n mooi ouderwets woord voor mij: ‘stoethaspel’. Het Nederlandsch Woordenboek zegt: (1914) Een stoethaspel, d.i. een onhandig mensch
Zo’n mensch ben ik momenteel.
Ik heb altijd een hekel gehad aan Stoetel, de zevende dwerg van Sneeuwwitje. Gewoon omdat ik het een irritant kereltje vind. Maar ik ga nu toch stiekem wat met hem meevoelen.
Het moet maar weer gauw over zijn, dit gesukkel. Ben er wel klaar mee eigenlijk.

Fossielen

Vannacht droomde ik dat ik een fossiel vond. Het was een prehistorische ezel en helemaal vergroeid in een stokoude boom.
Ik meldde mijn vondst in de bibliotheek (?) en werd bedolven onder de enthousiaste reacties. Amateurs en professionals kwamen er op af en maakten me duidelijk dat dit de archeologische vondst van de eeuw was. Er stond een interview voor het Archeologisch Magazine gepland, maar toen werd ik wakker en vervlogen zowel het fossiel als mijn roem. Ach toch. 

Ik heb mijn leven lang al interesse in fossielen, omdat ik het zo intrigerend vind dat miljarden overblijfselen van het leven gewoon vergaan zijn, maar een aantal bewaard zijn gebleven. De omstandigheden van grond en klimaat waren net even anders op die plaats.
In een eerdere blog heb ik al eens geschreven over hoe ik als kind archeoloogje speelde
( (geen) archeoloog) .
Maar dat kind in mij is er nog steeds en ik zie dan ook vaak van alles. Juist vanmorgen tijdens mijn ochtendwandeling. Twee fossiele hoofden! 

Toch wel bijzonder hè, zo direct na mijn droom. De natuur is gewoon een museum. 

Daarover gesproken, moet ik denken aan een vakantie in de Duitse Eifel, jaren geleden met het gezin.
De vakantie waarin mijn man na eindeloos getwijfel voor de toonbank van de Imbiss dan toch zijn keus gemaakt had en Pommes mit Frites bestelde.
De vakantie waarin we de voordeur dicht trokken en niemand een sleutel had meegenomen en we met z’n vijven vervolgens de hond, die thuisgebleven was, opdracht gaven om de deur open te maken, haar door die dichte deur aanmoedigden als een stelletje idioten met piepstemmen en lieve woordjes, en gezamenlijk in gejuich uitbarstten toen het haar inderdaad lukte om de deur te openen.
De vakantie waarin ik het gezin meetroonde om de bierbrouwerij van Gerolstein te bezoeken, om er ter plaatse achter te komen dat Gerolstein geen bier maar bronwater is.
En de vakantie waarin we besloten om kort voor sluitingstijd nog een museum met fossielen te bezoeken.
Daar aangekomen, kwam er net een groep bejaarden naar buiten, om in de gereedstaande bus te stappen.
‘Ach!’ zei mijn dochter. ‘We zijn te laat. De fossielen gaan al naar huis.’

Narigheid

Er zit mij al een poos iets dwars en daar wil ik toch eens over schrijven.
De neiging van mensen om graag over de narigheid in het leven van anderen te praten. Met visite, op een verjaardag, bij een toevallige ontmoeting. Er komen dan mensen ter sprake die dorpsgenoten zijn, of kennissen van ooit en die hebben iets naars meegemaakt. Nu of vroeger. Ken je Piet nog, die heeft kanker. Mien, die vroeger daar en daar woonde, heeft haar man verloren. Truus, die oud-collega van onze achterbuurman, heeft ooit een ongeluk gehad en zit sindsdien in een scootmobiel.
Dit klinkt nu cynisch, maar dat bedoel ik zeker niet zo. Ik kan alleen niet begrijpen waarom zulke dingen breed uitgemeten moeten worden, en dan het liefst op een moment dat er eigenlijk iets gezelligs is: samen bij elkaar zijn.
Waarom willen mensen dit? 

Iedereen maakt in zijn leven nare dingen mee. Daar mag je medeleven over tonen en belangstelling. Als een naaste vriend of familielid iets overkomt, is het niet meer dan normaal dat je dat deelt en de ander daar belangstelling voor heeft en je steun geeft. 

Maar waarom over mensen die je niet of nauwelijks kent of waarmee je 50 jaar geleden in de klas hebt gezeten?
Ik word kriegel als ik merk dat het gesprek alleen maar over ziekte en ellende gaat, en de mensen daarmee dus ook gedefinieerd worden. Alles wat er verder in hun leven is, daar ga je dan aan voorbij. 

Als iemand zo over mij zou praten dan krijg je: ‘Dat is die vrouw uit Leens. Ze heeft astma, daarom kan ze niet alles. Ze heeft een nare scheiding doorgemaakt en is haar broer verloren aan een vreselijk ongeluk. O en haar huidige man heeft een hartaanval gehad.’
Allemaal waar. Maar dat definieert mij niet.
Ik ben die vrouw uit Leens. Die al 20 jaar gelukkig getrouwd is en heel dankbaar is voor haar kinderen en kleinkinderen. Die houdt van tekenen, muziek, handwerken en schrijven. Die het leuk vindt om vrijwilligerswerk in de bibliotheek te doen. Die vrouw die zielsgelukkig kan zijn omdat de zon schijnt, de natuur zo mooi is en een mereltje zingt.
Dat definieert mij.
Waarom praten we niet zo over mensen, als we het dan toch willen hebben over anderen? 

Zijn er dingen die nu spelen: doe er wat mee. Ga er heen, geef steun, stuur een kaartje, wat dan ook.
Zijn er dingen die in het verleden gebeurd zijn: laat het rusten. De mensen hebben er niets aan als wij op een verjaardag allemaal ellende uit hun leven oprakelen, ze zijn er niet eens bij! Ze worden er niet beter van en wij alleen maar teneergedrukt. Niet nodig.
Het heeft gewoon iets masochistisch. En wie wil dat nou.  

Wat speelt er nou?

Over het algemeen vind ik het leuk om spellen te spelen. Maar soms heb ik er een haat/liefde verhouding mee.
Allereerst heb ik geen competitie mentaliteit. Ik wordt er kriegel van als iemand alles doet om maar te winnen, daarbij medespelers benadeelt omdat het bij het spel hoort.
Ik vind het heus leuk om te winnen, maar ik vind het ook leuk om te zorgen dat anderen niet mijlenver achterliggen. ‘Gezelschap’ in gezelschapsspel staat bij mij in hoog het vaandel. Niet omdat ik nou zo geweldig en sociaal ben, maar omdat ik in het algemeen in het leven een bloedhekel heb aan mensen die over alles en iedereen heenwalsen om zichzelf maar te bevoordelen. En dat werkt blijkbaar door in mijn spelbeleving. 

Teamspellen doe ik dan ook graag, zoals Pandemic, Flashpoint en Het Verboden Eiland.
Je hebt een eigen rol, maar die zet je in om met je hele team de eindstreep te behalen.
En vooral Dungeons & Dragons, waarbij je een combinatie speelt van roleplay en dobbelen.
Daarbij moet je zorgen dat je zelf overeind blijft, maar niet minder belangrijk, zorgen dat je teamgenoten dat ook doen. En zij helpen jou, als het tegenzit. 

Toch speel ik ook spellen waarbij je alleen voor jezelf speelt, tegen een ander. En daar komt die haat/liefde verhouding om de hoek kijken.
Het zijn vaak kleine spellen, die we na het eten even spelen, Bert en ik. Yahtzee, Clever en Keer op Keer.
Alles met dobbelstenen. En wat betreft die dobbelstenen zit ik met een grote vraag waar ik nog geen antwoord op heb kunnen vinden, hoe goed ik ook ‘mijn onderzoek’ doe.
Hoe kan het dat de één (Bert in dit geval) over het algemeen veel beter gooit dan de ander (ik)? Niet incidenteel maar structureel? We gooien met dezelfde dobbelstenen op dezelfde ondergrond. En toch gooit hij vrijwel altijd beter dan ik, soms op het frusterende af. Dan lukt het me van geen kant om de benodigde getallen te gooien en hij vult het een na het ander in, verdient daardoor bonussen en wint glansrijk. Hoe dan. Waarom blijf ik het dan toch spelen? Omdat ik het soms toch nog leuk vind om uit te puzzelen wat ik met mijn resultaten kan. Maar er zijn ook periodes dat ik zeg: ik ben er klaar mee, ik speel het niet meer. En dat doen we dan ook inderdaad een paar weken niet.
Ik hoef echt niet altijd te winnen, maar dan wil ik wel graag dat de resultaten nog een beetje bij elkaar in de buurt liggen. Niet dat de winnaar mijlenver boven de verliezer uitsteekt, omdat de laatste veel minder kansen heeft gekregen. Dat voelt niet eerlijk, kan me niet schelen dat het de regels van het spel zijn.
We hebben trouwens een spel, De Kwakzalvers van Kakelenburg, waarbij dat anders geregeld is. Daar krijgen de achterblijvers een bonus om weer wat bij te trekken en dan is het spel leuker en spannender met elkaar, omdat je niet halverwege al weet dat al je kansen om te winnen al verkeken zijn. Maar goed, die spelen we niet met z’n tweeën,  want die is alleen leuk met meerdere mensen. 


Blijft mijn prangende vraag: hoe kan het dat de één over het algemeen slecht gooit met dobbelen en de ander over het algemeen goed. Als dat toeval is, is het wel een hardnekkig terugkerend toeval, wat te toevallig is naar mijn mening.
Wat is dan het antwoord? Nee, niet het spreekwoord: Ongelukkig in het spel, gelukkig in de liefde. Want als dat waar is, zou het ook voor Bert moeten gelden.
Een echte verklaring. Weet jij het?