Maandelijks archief: april 2022

De blog die je wist dat zou komen

Het plan is om morgenochtend oranjetompoucen te maken. ‘s Morgens even een poosje televisiekijken naar de koningin en dan ondertussen een kersvers oranjegebakje eten. Sorry Willem, of het nou je oma of je moeder was, of nu je vrouw, het is belangrijker hoe zij eruit ziet dan jij. Toch nog een restje van het sprookjesachtige wat om een koningshuis heen hangt.
Want ik ben totaal niet koningsgezind en zal zelf ook geen oranje toestanden aantrekken of opzetten. Alleen opeten. Want een nationale feestdag vraagt om wat lekkers.


Ik zal nu geen pleidooi gaan houden over het wel of niet aanhouden van de monarchie, hoor.
Dat koningshuis is gewoon altijd op de achtergrond geweest zolang ik me kan herinneren. En die vrije dag, eerst op 30 april, nu op de 27e, is een gezellig en welkom punt in de jaarkalender.
Of ik nou als kleuter een feesthoedje en een toeter kreeg, of als puber een briefje van 25 gulden toegestopt door mijn vader om er ‘iets leuks mee te doen vandaag’ ,of het fietsje van mijn kleine dochtertje versierde, het voelde feestelijk.
Dat tv kijken is altijd alleen onder de koffie, daarna heb ik het wel weer gezien. Het is toch gewoon de sinterklaasintocht in het voorjaar. Alhoewel, bij de koning(in) loopt alles natuurlijk helemaal volgens plan, en bij sinterklaas is er altijd een enorme stress van te voren.
En van sinterklaas weet je altijd al welke jurk hij aanheeft. 

Ik had vroeger tantes die enorm Oranjegezind waren. Ze lazen tijdschriften als “Vorsten” en “Ons Koningshuis” en volgden het wel en wee van de Oranjes op de voet.
Toen ik nog maar kort in Zeewolde woonde, zou koningin Beatrix op werkbezoek komen en mijn moeder (ik ben er nooit echt achter gekomen wat haar mening was over de monarchie) vroeg of ze met die tantes op bezoek kon komen, dan konden we gezamenlijk de koningin gaan toewuiven. 
Natuurlijk, kom maar gezellig, daar gaan we de tantes een enorm plezier mee doen! Werkbezoek is trouwens een wat groot woord, Beatrix was in Flevoland en zou ook een bliksembezoek aan Zeewolde brengen.
Het was 14 juni 1988, het was ongelooflijk mooi en warm zomerweer en ik was hoogzwanger, toen we in de winkelstraat een plekje opzochten om Beatrix langs te zien rennen. Mijn tantes waren erg klein van stuk en ik had een heel dikke buik, dat leverde ons nogal wat goodwill op van het andere publiek voor wat betreft het kiezen van de beste plek.
Maar goeiendag wat was het warm, ik moest echt even zitten. We stonden voor de bloemenwinkel, er stond een metalen bak buiten, die zou me wel houden. Mijn tantes waren te volwassen en te goedgemanierd om van enthousiasme op en neer te springen, maar ik weet zeker dat ze dat inwendig wel deden, ze hadden geen aandacht meer voor mij. Ze merkten dus ook niet dat ik helaas in een bak met waterplanten was gaan zitten en er niet meer uit kon komen.  Mijn moeder zag het wel en die moest zo lachen dat ik bang was dat ze ook een natte broek zou krijgen. Ze heeft me er, met een aardige mevrouw, met vereende krachten uit weten te hijsen en ik stond dus nogal de druipen toen Beatrix met haar gevolg voorbij schoot. Dat komt er nou van, als je niet de juiste instelling hebt. 

Toen Beatrix de scepter overdroeg aan Willem Alexander was het natuurlijk allemaal wat specialer en heb ik wel langer naar de tv gekeken.
Eigenlijk zou ik alleen zijn, omdat man en zoon op de motor rondreden in Italië, maar ik had een van ‘mijn ‘kindjes in huis. De ouders moesten allebei werken en het meisje kwam hier graag, dus we maakten er een gezellig dagje van.
Samen een oranjegebakje eten, naar de prinsesjes en de nieuwe koningin op televisie kijken en natuurlijk ook spelen.  Er werd een waar koningsmaal bereid.

‘s Middags nog even naar het dorp om een hele euro uit te geven op de vrijmarkt (ze mocht iets kiezen maar maakte er geen misbruik van) en zo was het een eigenlijk heel bijzondere Koninginnedag, wij met ons tweetjes. Echt een dierbare herinnering.
‘s Avonds thuis was ik wel alleen en keek ik naar het feestprogramma, en kromde met de rest van Nederland mijn tenen, omdat het Koningslied toch echt uitgevoerd werd.
Werkelijk, ik snap niet hoe een tekst die zo slecht is, toch voor zo’n officiële en unieke gebeurtenis gekozen wordt. Of de tekstdichter zat zich stiekem thuis tranen te lachen dat niemand in de gaten had dat dit zijn passief verzet was tegen het hele gebeuren.

Plannen voor morgen? Behalve die oranjetompoucen maken en eten, geen. En het is natuurlijk nog maar de vraag of het banketgebeuren  me gaat lukken. Daarom schrijf ik alvast vandaag de blog maar. Dan hoef ik nog geen foto erbij te doen van het resultaat!

Fijne Koningsdag iedereen!

Muziekspeeldoosjes

Vanmiddag moest het maar weer eens: de afstofsessie van mijn muziekdoosjes. Ik noem het zelf eigenlijks speeldoosjes maar dat werd door sommige dirty- minds dubbelzinnig gevonden, dus ik hou het hier maar bij muziekdoosjes.


Ik heb er 21. Eentje heb ik in gebruik als sieradendoosje. Als je het deksel opendoet, draait een piepkleine ballerina pirouettes voor een spiegeltje, op muziek van Frère Jacques. Of misschien Vader Jacob of Fra Jacopino, ik weet niet uit welk land het doosje komt.
De overige 20 staan op de kastjes naast ons bed.

Al 100x hebben we het over een vitrinekast gehad, maar eveneens 100x hebben we geen plek kunnen bedenken waar dat ding dan moet staan. Dus de muziekdoosjes staan nog steeds op een kastje veel meer stof te vergaren dan zou moeten. Het afstoffen is nog niet zo makkelijk, want de meeste speeldoosjes (o nou zeg ik het toch) zijn zowel gedetailleerd als fragiel.

Waarom vind ik speeldoosjes zo leuk? Ik hou van de tere, haast ijle muziek, die gaat spelen als je het mechaniek met een sleuteltje hebt opgedraaid. De originele vormen, soms heel oud, soms nostalgisch, soms modern. Niet alle speeldoosjes hebben bewegende onderdelen, maar hebben ze die wel, dan maakt dat het extra mooi. 

Het kan heel simpel zijn, een tafereeltje dat gewoon rond draait. Maar ook veel ingenieuzer: schaatsende poppetjes of dansende koeien.
Overigens heb ik ook 2 doosjes waarbij ik zelf aan een slingertje moet draaien, daar zit geen opwindmechaniekje in. 

Speeldoosmuziek heeft iets liefs, iets rustgevends, met die tingelende nootjes. 
En toch kunnen muziekdoosjes ook ronduit griezelig zijn. Soms gebeurt het dat er eentje spontaan begint te spelen. Doodeng, vooral als dat in de nacht gebeurt. 
Misschien heeft een veer in het binnenste nog gespannen gestaan, zodat het doosje door een trilling (niet ongewoon hier) begint te spelen. Iets dergelijks moet het wel zijn, maar het heeft iets spookachtigs.
Of de kam (waar de toontjes uitkomen) is niet helemaal goed gestemd, zodat het lieve liedje een onprettig vals tintje krijgt. Ik heb er daar 1 van, die speel ik dus ook nooit af. Ik krijg er een unheimisch gevoel van.
Met afstoffen komen al die doosjes in beweging natuurlijk, dus dan hoor ik soms wat muziekjes door elkaar. En dat klinkt serieus als iets uit een horrorfilm.
Het intrigeert me dat met deze klanken de scheiding tussen lief en eng zo ragdun is. 

Overigens is het niet zo dat ik 21 verschillende liedjes heb. De heel speciale (lees: dure) doosjes hebben een uniek muziekje. De wat goedkopere  doosjes spelen ‘Für Elise’ en ‘Love Story’, ik heb er meerdere van.
En ik heb een hele ris Kerst-speeldoosjes, waarvan het gros ‘O Denneboom’ speelt en de rest ‘We wish you a merry Christmas’.  In de aanloop naar Kerstmis zijn er trouwens ineens veel meer speeldoosjes te koop, de rest van het jaar moet ik er echt toevallig tegenaan lopen. 

Als we op vakantie zijn zoek ik ook altijd in de winkels naar leuke muziekdoosjes. Maar meestal valt dat nogal tegen.
Toen ik kind was zag ik wel bij vriendinnetjes van die mooie Zwitserse speeldoosjes. In de vorm van een chalet, en als je het dak openzette kwam er muziek. Bij de allermooiste gingen er dan ook nog poppetjes naar buiten en weer naar binnen.  Dat vond ik toch zo prachtig!
Wij gingen niet naar het buitenland op vakantie, dus ik heb er nooit eentje gekocht of gekregen.  Niet dat ik wat tekort gekomen ben overigens, hoor!
Maar nu ik wel naar het buitenland ga, kan ik nooit meer zo’n mooi muziekdoosje vinden. Het is niet meer in de mode. Zo gaat dat.
Toch zou ik het geweldig vinden om er ooit nog eentje in mijn bezit te krijgen.
Een donker houten chaletje met bloembakjes voor de ramen, met een dak wat open kan om de muziek te laten klinken.
Heb je er een die je kwijt wil, of weet je er een? Laat het me weten!

Weet je dat ik niet eens kan zeggen welk muziekdoosje uit mijn verzameling ik nu het allermooiste vind? Ze hebben namelijk allemaal iets: een herinnering, een connectie met een hobby, een sfeer of een combinatie van die dingen.
Een paar sterren dan? Ok, ik hoop dat ik ze nu niet alle 21 ga opnoemen. 

Het roodhouten speelgoedkistje met bewegende blokken, wat Bert voor me meegenomen heeft uit Italië.  De grote bewegende kerst-speeldoos die ik van Tim voor Sinterklaas kreeg, omdat hij weet dat ik zo vreselijk van speeldoosjes hou.
De mini-replica van een polyphon, de voorloper van de grammofoonplaat, die mijn eerste echte aankoop was. Een porseleinen theatertje met balletdansers die de Notenkrakersuite uitvoeren, gekocht in een speciaal winkeltje,  toen ik met Tim in België was voor de bijzondere Tim Burton Tentoonstelling.
Een viool die zo kitcherig is dat het weer mooi is, omdat ik zelf viool speel. Een mini Singer naaimachientje, de naald gaat op en neer, evenals het trapplateau, gewoon mezelf cadeau gedaan omdat ik het zo leuk vond.
Een porseleinen caroussel met paardjes, gekocht toen ik met Bert  en Irene op een kerstmarkt in Duitsland was.
Een houten doosje met draaiende koetjes wat mijn kleinzoon zo prachtig vind.
Ok, ik stop. Dit zijn er al 8. En ik kan dus echt over alle 21 iets extra’s vertellen, zelfs over die ene die ik voor 3 euro op een rommelmarkt gekocht heb. 
De kastjes staan vol. Te vol eigenlijk om ze nog mooi tot hun recht te laten komen, laat staan dat er nog wat bij kan.
Toch maar voor de 101e x over een vitrinekast nadenken.

Het onmogelijke uit jezelf halen is onmogelijk

Buiten de lijntjes kleuren, out of the box denken, 200% van jezelf geven… mens wat moeten we toch veel. We moeten ons onderscheiden om niet met de massa mee te doen en doen mee met de massa van de zich onderscheidenden. We mogen niet achter de geraniums zitten, we moeten onszelf blijven ontdekken en uitdagen. We moeten vernieuwen en versnellen, onze grenzen opzoeken en verleggen, onszelf opnieuw uitvinden. En vooral altijd maar gaan, gaan, gaan, snel naar het volgende!

Niet iedereen is in staat om altijd maar te gaan. Ik denk dat veel mensen zich, bewust of onbewust, geweld aandoen door zich voortdurend te laten opjutten. Het lijkt algemeen geaccepteerd dat je moet streven om meer te doen dan je kan. Het onmogelijke uit jezelf halen. Dus: iets wat NIET kan.  En dat moet je doel zijn? Hoe ongezond en frustrerend is dat.
Volgens mij ben je een stuk gelukkiger als je doet wat je wel kan. 

Ik ga ga ga niet meer. Ik blijf stilstaan of zitten. Om een prachtige landschapsbeschrijving te lezen in een boek van Richard Adams. Om tegen een kevertje in het gras te praten. Om te zien waar de wolken heendrijven. Om steeds dezelfde bewegingen met mijn handen te maken als ik een deken haak. Om iets te koken wat niet binnen 10 minuten klaar is. Om een grote beker thee helemaal leeg te drinken zonder tussendoor iets anders te doen. Om muziek te luisteren. Om mijn hond te aaien. Om een film te kijken die ik al veel vaker gezien heb, omdat ik hem zo mooi vind. 

Ja ja, makkelijk praten natuurlijk in mijn positie. Alleen thuis, geen werk, alle tijd voor mezelf.
Dan kan ik je vertellen dat ik me er al veel eerder van bewust was. Dat ik hard werkte, maar niet omdat ik het onmogelijke uit mezelf wilde halen. Dat ik mijn talenten gebruikte om er energie van te krijgen, niet om mijn grenzen te verleggen.
Dat ik de tijd nam om samen met een kindje tegen een kevertje in het gras te praten, een mooi boek voor te lezen, om samen te verzinnen wat we in de wolken zagen. 


Kleine kinderen kunnen het namelijk nog. Ik word er echt verdrietig van als ik zie dat grotere kinderen steeds meer in die positie gedwongen worden van gaan, presteren en opschieten. Gedwongen door de maatschappij, waar we toch allemaal deel van uitmaken.
Alles moet snel, voordat hun aandacht misschien zou verslappen moet het volgende al gestart zijn.
Er is geen tijd voor dromen, aanrommelen, zelfs je vervelen mag niet. Ze moeten bezig blijven en daarom worden ze voortdurend bezig gehouden.

Ik ben allang geen klein kind meer. Maar ik kan het ook nog, sterker nog, ik heb het nodig. Anders word ik ziek, mentaal en fysiek. Ik moet een bepaalde rust hebben, zonder de eeuwige drang en dwang dat ik verder moet. Ik ga verder wanneer ik er aan toe ben.
En dingen die nutteloos lijken, hebben in werkelijkheid een grote waarde, juist omdat ze ervoor zorgen dat ik me goed voel. 

Ik weet zeker dat ik daar niet de enige in ben, dat ik me daarmee niet onderscheid van anderen. Ik wens dan ook dat iedereen die dat ook zo voelt, zichzelf toestaat om dat toe te geven. Het zal je alleen maar goed doen.

En als je wel kickt op doorgaan etcetera? Dan moet je dat vooral doen, ook jij moet immers doen waar je gelukkig van wordt!
Doe echt voor jezelf wat bij je past. Dan komt het wel goed.

(foto: curioctopus)

Kozen en Hanijnen

Vroeger leerde ik samen met mijn lieve vriendin/schoonzus/collega Nel op de kleuterleidstersopleiding het liedje: 


Hip hip hip
zo hippen alle hazen
Ze hebben het zo druk
want strakjes is het Pasen. 

Nel zou Nel niet zijn als ze er geen eigen variant op verzon dus zongen wij:

Hip hip hip
zo hippen alle hesach
Ze hebben het zo druk
want strakjes is het Pesach

Ik moet er echt ieder jaar weer aandenken. (en zing het dan ook nog even zachtjes) 

Nu lijkt het mij dat er steeds minder hazen en meer konijntjes verschijnen in aanloop naar Pasen. Zou het zo zijn dat de Paashaas opzij moet voor de Easterbunny? 
Uiteraard is het een kolfje naar mijn hand om dat te gaan uitzoeken. Dus, lieve lezer,  ga maar even zitten voor een educatief moment. 

Hazen en konijnen. (ik krijg nu de ‘Ik hou mijn spreekbeurt over..” vibe) 

Wat zijn de verschillen? 
Een haas leeft solitair, krijgt 1x per jaar jongen die al helemaal ‘af’ zijn, maakt een ondiep kuiltje in het gras om te slapen, heeft enorme oren met zwarte punten, geelbruine ogen , een bruine vacht en loopt als hij zich rustig voortbeweegt op grote voeten met voetzooltjes.
Hij kan als hij rent een snelheid halen van 75 km per uur.

Een konijn leeft in een groep, krijgt meerdere nestjes jongen per jaar, die kaal en blind en hulpeloos zijn, woont in een hol-en-tunnelstelsel diep onder de grond, heeft flinke oren, zwarte ogen, een grijsbruine vacht en hopt als hij zich rustig voortbeweegt op behaarde voeten zonder zooltjes
Hij kan als hij rent een snelheid halen van 40 km per uur. 

Wat zijn de overeenkomsten?
Ze komen beiden uit de familie van de Leporidae en het zijn géén knaagdieren.
En ze lijken natuurlijk erg veel op elkaar!

Waarom hebben we hier de Paashaas en in Engelstalige landen de Easterbunny?

Zie het maar een beetje als Sinterklaas en Santaclaus. Verschillen genoeg om allebei te bestaan maar overeenkomsten genoeg om vergelijkbaar te zijn. 

“Paashaas” rijmt zo lekker in het Nederlands, blijft beter hangen als Paaskonijn.
“Easterhare” klinkt wat mij betreft niet, Easterbunny wel. Een bunny is trouwens een jong konijn. De Engelsen hebben een liever woordje bedacht dan de Nederlanders.
Hier heet een jong konijn een lamprei.  Rare benaming, gelukkig gebruikt niemand die verder. Maar ik dwaal af. 

De oorsprong van die Paasleporidae is nog niet zo makkelijk te verklaren, het is een mengelmoes van tradities, mythes en verzinsels.
Jongens, hoe meer ik aan het onderzoeken ben, hoe uitgebreider en ingewikkelder het wordt. Het educatief moment dreigt te verworden tot een cursus, dus ik probeer het een beetje samen te vatten.

Wij zeggen “Pasen”, de Engelsen ‘Easter’ en de Duitsers “Oster”
Die laatste twee woorden zijn verwant en een verwijzing naar de godin van de lente ‘Eostra’.
Er zijn verhalen dat ze een gewonde vogel veranderde in een haas om hem te laten overleven en dat ze hem toestond  om 1x per jaar eieren te leggen. Maar er bestaan ook afbeeldingen die Eostra zelf voorstellen in de gedaante van een witte haas of een wit konijn.  Allebei dus!

Het woord Pasen komt van Pesach, het Joodse paasfeest.
Eieren maken deel uit van de Pesach (of seider) maaltijd en traditioneel  wordt er een stuk brood verstopt. Die eieren dan weer niet trouwens.

Eieren zijn, over de hele wereld, symbool van vruchtbaarheid en nieuw leven.
En overal ,in alle tijden, op de hele wereld worden er eieren versierd.
Zowel in het oude Perzië en Egypte als in China en in Nederland.

Hazen, konijnen en eieren zijn dus gecombineerd om rond Pasen hun opwachting te maken.
Gelukkig gaat het voor wat de dieren betreft vooral om decoratie en vind ik het zelf een briljante uitvinding om de paaseieren van chocola te maken.  

Deze zijn toch leuk? Ik heb ze gehaakt, het zijn paashazen maar ze lijken broertjes van Pieter Konijn van Beatrix Potter. 

En die leuke servetten… ik zou niet durven zeggen of er een haasje of een konijntje op staat.
Dus wat maakt het uit! Ik neem lekker nog een chocolade-eitje. Voordat de pepernoten weer in de winkel liggen.