Categorie archief: Geen categorie

Grote tenen en snotneuzen

Door een reactie van mijn dochter op een Facebookpost over ‘Dingen die je ouders vroeger zeiden’ heb ik vreselijk zitten lachen.  Het was zo herkenbaar, al die dingen die je tegen je kinderen zegt in de opvoeding. Ook die waarvan je tevoren had gedacht: dat ga ik later nooit zeggen. Maar toch doen hè. 

Want blijkbaar is dat van alle tijden.
‘Kijken met je oogjes, niet met je handjes’  zeiden mijn ouders vroeger tegen mij, ik zei het tegen mijn kinderen en ik hoor het nu ook nog ouders tegen hun kind zeggen. Dat valt nog wel mee.
Maar sommige dingen heb ik werkelijk nooit begrepen. Bijvoorbeeld waarom ik niet mocht vragen wat we die avond zouden eten. Want dan kreeg ik als antwoord: ‘Hutskulle met knikkers’, of ‘Husse met je neus ertussen’.  Ik weet niet wat er geheimzinnig was aan het menu, kan hooguit bedenken dat ze daarmee gezeur over ‘dat vind ik niet lekker’  voorkwamen. 

Vroeger dreigden ouders ook met de vreselijkste straffen, die uiteraard nooit uitgevoerd werden, maar die zo over de top waren dat het lachwekkend was.
Als mijn vader kwaad was riep hij: ‘Ik sla je kop d’r af!’
Mijn oom brulde tegen zijn kinderen: ‘Ik slinger je het raam uit!’ en de vader van mijn vriendinnetje schreeuwde : ‘Ik sla jullie met de koppen tegen elkaar!’ 
Echt hilarisch en nu niet meer voor te stellen dat vaders dat zeggen, je hebt gelijk de jeugdzorg aan de deur. Maar toen had iedere vader wel zo’n krachtterm die door niemand echt serieus genomen werd, het gaf alleen aan dat pa nu echt heel kwaad was.

Moeders waren vaak iets genuanceerder, zij betrokken hetgeen wij ze aandeden meer op hun eigen persoon: ‘Jullie halen me het bloed onder de nagels vandaan’ en ‘Ik bega nog eens een ongeluk aan jullie’. Ik was daar zelf meer van onder de indruk dan van de loze dreigementen van de vaders. 

Kinderen moesten ook hun plaats weten in de wereld van de volwassen, in de jaren ’60 en ’70.
‘Als grote mensen praten moeten snotneuzen hun mond houden.’  
Of: ‘Bemoei je er niet mee, je hebt de kringen van de pot nog in je kont staan.’ 
Of gewoon heel kort:  ‘Snotaap!’ 

En ook zulke rare dingen! Iedereen kent wel, als je een gek gezicht trok: ‘Als de klok slaat blijft je gezicht voor altijd zo staan’.  Maar ook:  ‘Als je je ouders slaat, groeit je handje boven je graf.’ Hoezo zeg je dat, waar slaat dat op!

En natuurlijk de clichés waarvan sommigen echt tijdloos zijn. De top 10 uit mijn eigen jeugd: 

10. Dan ga je maar met je grote teen spelen’ als je je verveelde.
9. ‘Je bent niet van suiker’ als je door de regen moest.
8. ‘Ben je in de kerk geboren?’ als je de deur open liet staan
7. ‘Dan maak je maar zin’  als je ergens echt geen zin in had
6 ‘Je rust toch uit’  als je niet kon slapen maar niet uit bed mocht komen
5. ‘Kindertjes in Afrika snakken ernaar’ als je je bord niet leeg wilde eten
4. ‘Praat ik soms Chinees?’ als je niet luisterde of wilde luisteren
3. ‘Zit je hoofd er nog op? ‘ als je huilde omdat je gevallen was (of ‘Kom maar hier dan zal ik je oprapen’)
2. ‘Kinderen hebben niks te willen’ als je een zin begon met ‘ik wil’

En met stip op nummer 1:
‘Omdat ik het zeg!’ 


En ja ik moet bekennen dat ik zelf ook wel een aantal van die clichés heb gebruikt als moeder. Ook al had ik me voorgenomen dat nooit, maar dan ook nooit te doen, omdat ik me er als kind kapot aan ergerde.
Maar als oma ga ik dat natuurlijk gewoon ècht nooit doen hè? Dat snappen jullie wel.

Vlot

Vandaag begint volgens de kalender de herfst. Het weer is net als mensen die nu al pepernoten kopen: niet kunnen wachten tot het zover is en alvast maar beginnen. Dus afgelopen weekend en maandag was het een en al regen, storm en kou.
Maar vandaag is het heerlijk! Zon schijnt, prettige temperatuur, bijna geen wind.
Ik verkeer nog steeds in de gelukkige positie dat ik de tijd aan mezelf heb en ter plekke kan uitmaken waar ik zin in heb. En ik had zin in een lange wandeling, Lenny heeft altijd zin in een lange wandeling, dus we gingen gewoon.
De ochtendzon scheen door de nevels boven het land, dat er inmiddels weer anders uitziet als een paar weken geleden. Uien en aardappels zijn gerooid, dat land is zwart en leeg. De rode kool staat nog in grote rijen op het land, evenals de maisplanten, die hoog en vergeeld boven de grond uitsteken.  
De paarden en koeien staan nog in de weiden, er is nog genoeg gras.
Oké, tot zover het agrarisch bulletin van vandaag. 

Het stuk wat ik wilde lopen duurt ongeveer anderhalf uur en halverwege steek je een kanaaltje over. Ik heb hier al eens eerder over geschreven in Open,  maar vandaag was het niet zo spiritueel als toen. Integendeel.
De brug is vervangen, dat was ook wel nodig want ik verwachtte echt een keer door het dek heen in het kanaal te storten. En ik ben natuurlijk niet de enige die van die brug gebruik maakt. Het was een erg steile brug waarbij je zo ongeveer Alpineskills nodig had om die te beklimmen en weer af te dalen, maar de nieuwe brug is langer en daardoor minder steil. Prettig! 

Ik hoorde van een afstand al gebrom, er stond vandaag een apparaat op de brug. Netjes aan de kant, we zouden er makkelijk langs kunnen. Op het water, vlak naast de brug, waren twee mannen bezig met slangen en pompen om het kanaal te schonen of zoiets, en die slangen waren aangesloten op het apparaat. Dat ding maakte een flink kabaal, wat nog versterkt werd door de houten brug, die als een klankkast werkte. En ik voelde het al aankomen: daar gaat Lenny nooit langs.
Maar ik liep resoluut verder, ik dacht: als ik doe of er niks aan de hand is, loopt hij misschien wel mee.
Natuurlijk niet, hij ging vol in de ankers. Hij dook in elkaar en keek me met zielige oogjes aan, die zeiden: ‘Mens toch, je weet toch wel dat dit teveel gevraagd is?’
Ja dat wist ik ook wel. Al van pup af aan is hij bang voor van alles in de grote boze mensenwereld. En dan raakt hij de kluts kwijt en gaat zitten.
Een aantal dingen hebben we hem kunnen leren:  langs een container lopen (zie je wel, die doet niks!), langs wapperend afzetlint of verkeers-pionnen lopen (zie je wel, die doen ook niks) en dat soort dingen.  
Maar dit, een groot ronkend apparaat op de smalle brug met een nog smaller paadje om erlangs te kunnen, dat was toch echt teveel voor hem. Ik stond nog even te vleien met lieve woordjes, maar hij stond inmiddels te bibberen met zijn staart zover tussen de poten dat die er zowat aan de voorkant weer uitkwam. 
‘Kan u er niet langs?’ riep een van de mannen van beneden.
Ik keek over de reling.  ‘Jawel, maar mijn hond durft niet,’ schetterde ik boven het lawaai uit. 
‘Zullen we hem even afzetten?’ brulde de man. 
‘O dat zou heel fijn zijn!’ schreeuwde ik terug. Zo aardig hè, die kerels.
Ik dacht dat er eentje op de kant zou stappen, de brug op zou lopen en het apparaat uitschakelen. Maar dat ging zomaar niet!

De mannen stonden op vlotten. Ze overlegden even, en eentje koppelde de slangen waar hij mee bezig was af en ging met een paal aan het bomen. Zijn vlot kwam in beweging en dreef traag onder de brug door. Toen gleed hij langzaam naar de oever en probeerde hij aan te leggen aan de kant. Dat lukte niet, ik zag niet precies wat er was, maar volgens mij kreeg hij geen grip op de bodem met zijn boompaal. Dus hij ploeterde nog een stukje verder. Ondertussen voelde ik me hoe langer hoe meer bezwaard. Als ik geweten had hoe lastig het voor die man was om het apparaat uit te zetten, had ik wel geprobeerd Lenny op te tillen en langs het apparaat te sjouwen. Maar nu was hij al zolang bezig, dat ik niet meer durfde te zeggen: ‘Laat maar, ik draag hem wel.’
Ik aaide Lenny over zijn kop, het enige stukje hond wat niet bibberde en probeerde hem zo wat gerust te stellen.
Uiteindelijk vond de boom blijkbaar vaste grond en kon de man het vlot vastzetten. Hij stapte als meneer Wijdbeens op de kant, ik was blij dat hij niet tussen wal en schip terecht kwam. 

Hij kwam de brug op en drukte op een knop. Dat was alles, een weldadige stilte viel.
Lenny kwam overeind en wilde nu wel meelopen. Ik bedankte de man een keer of honderd dat hij al die moeite wilde doen voor ons, hij was bijna een kwartier aan het ploeteren geweest. En zometeen moest hij ook weer terug.
‘Och, zei hij, terwijl hij naar Lenny keek. ‘Het is ook allemaal nieuw en erg spannend voor zo’n jonge hond.’
Ik knikte glimlachend en had het hart niet om te zeggen dat Lenny al 8 jaar is.
We renden zo’n beetje de brug af terwijl ik nog een keer ‘Bedankt!’ riep, voordat het apparaat weer begon te ronken. 
De pauze bij het steigertje hebben we maar even overgeslagen nu, we hadden al pauze gehad op de brug. 

De moraal van dit verhaal: 
Deze mannen deden moeite om Lenny en mij te helpen, gewoon uit goedhartigheid.Ze bestaan nog, zulke mensen. En dat maakt mijn hele dag goed.


Daar gaan we weer!

‘Als we de metingen van nu vergelijken met die van 5 jaar geleden, kunnen we zien dat uw longfunctie flink verbeterd is. Weet u misschien hoe dat zou kunnen komen?’ 
‘Ik ben 4 jaar geleden begonnen met sporten. Fitness, conditietraining. 2x in de week, consequent. ‘
De doktoren keken elkaar even aan. ‘Het werkt dus ècht he, dit is het bewijs!’ zeiden ze tegen elkaar.
Ik knikte ijverig, ik had zelf ook gemerkt dat, na het moeizame begin (totale desinteresse in sport), mijn slechte conditie enorm verbeterde en ik mezelf daardoor een heel stuk fitter voelde. Dat hield me ook gemotiveerd om die 2x in de week vol te houden.  

Het was destijds namelijk het enige wat ik zelf kon proberen toen het alsmaar achteruit ging. Steeds vaker benauwd, om de haverklap longontsteking, steeds zwaardere medicatie, ik werd er bang van. Een hekel aan sport ja, maar nog veel meer hekel aan de gedachte dat ik over een paar jaar ernstig belemmerd zou zijn in mijn leven, als het zo doorging. Dus ik ging.
En het hielp, dat was overduidelijk. 

Maar nu had ik al een jaar ‘niets’ meer gedaan. Eerst een paar maanden niet kunnen lopen, en in de tussentijd ging de sportschool hier definitief dicht. En ik zat ook niet meer dagelijks op de bakfiets, die geen trapondersteuning heeft, dus die ook goed was voor mijn conditie.
Ik heb van de zomer wel gezwommen, maar daar vond ik echt niet veel aan. Omdat het moest, meer niet. Want anders zou ik weer terugvallen naar het punt waar ik niet meer wilde zijn.

Maar vanmorgen is er een nieuwe periode gestart, eentje van weer consequent twee keer in de week naar de sportschool. In Winsum is een prachtige nieuwe geopend, en ik ga daar met mijn schoonzusje heen. Samen is nog wel zo gezellig!
Alles nieuw daar, maar na mijn sportervaringen hier, toch ook wel vertrouwd. 

We zeiden: ‘We gaan rustig opbouwen.’ En we hadden best een hoge pet op van ons eigen kunnen. Viel dat even tegen! 
We starten op de loopband.  ’20 minuten’ zei C. enthousiast.
Dat konden wij tevoren ook met gemak.  Ik had destijds zelfs intervallen met lopen en hardlopen.
Ja, dat was destijds, haha. 5 km per uur nu, en na 10 minuten dacht ik: Poeh, ik ben wel even klaar geloof ik. Zij dacht hetzelfde. Dat schept een band. 

Daarna kregen we buikspieroefeningen van een begeleidster. Ze legde alles netjes uit, wij probeerden steunend haar na te doen en toen ze wegliep zei ze:  “Deze 4 oefeningen en dan 10x’.
Wij keken elkaar aan. ‘Weet jij ze allemaal nog?’ ‘Nee, jij?’ ‘Moest het nou zo?” ‘Nee, volgens mij moest je daarbij plat liggen.’ ‘Ik weet er nog maar drie, wat was die vierde?’ ‘Ik weet het ook niet meer.’ 
We rommelden wat aan en telden wat tot 10, we puften en steunden en toen vonden we dat we klaar waren. Tijd voor het volgende. 

Roeien! Dat konden we. Splinternieuwe roeibank, 10 standen, begeleidster zette hem op 2. 
Grote genade wat ging dat zwaar! Echt, mijn schouders trilden en ik had vele zweetdruppeltjes op mijn voorhoofd. Ik zette het ding op 1 hoor, dit was niet te doen. 
Ik roeide voorheen met gemak 20 minuten, nu lag ik na 5 minuten haast naast het bankje, het ging echt niet verder.  

‘Willen jullie even buiten iets doen?’ vroeg het meisje. Ik wilde gelijk reageren met ‘ja graag!’ maar had ineens een visioen van bootcamp en zei aarzelend: ‘Eh…’ 
‘Kom maar,’  zei ze. “We hebben hierachter een grasmat. Dan gaan we met ballen gooien en smijten.’ 
Dat klonk leuk en eigenlijk was het dat ook. Sowieso al heerlijk om buiten in de koele wind te staan. Een bal van 3 kg moesten we optillen, omhooggooien en laten vallen, een bal van 6 kg optillen en neersmijten.  Beide 3 sessies van 10 x. 
We deden dit dus gewoon hè, allebei de oefeningen, dus 60 x in totaal. Daar waren we dus wel trots op!


Maar ik was inmiddels al flink moe en had stijve benen. Nog maar even rustig fietsen als afsluiting dan, 10 minuutjes. Maar ook nu dacht ik na 5 minuten:  het…gaat…niet…. meer. 

Klaar dan!

Dat was de eerste sessie en ondanks dat het niet vergelijkbaar was met wat ik vorig jaar nog kon, was ik heel tevreden en voelde het ook echt goed!
Morgen misschien iets minder, ik voel nu al dat ik enorme spierpijn ga krijgen. Maar dan weet ik tenminste dat ik weer wat gedaan heb. 

Donderdag gaan we weer. Dan gaan we Power Yoga doen. Ik ging even googlen wat dat inhoudt. En vond de foto’s die ik tegenkwam nogal intimiderend. 
Waarom zijn het op zulke foto’s altijd superslanke, strakke jonge vrouwen die alles al kunnen? Die de zwaartekracht en de anatomische wetten negeren om in de meest onwaarschijnlijke posities te gaan staan? 
Waarom nooit niet-zo-slanke vrouwen van in de zestig, die nog gaan beginnen?  Dat levert vast veel leukere foto’s op. 

Wie zijn nou de beesten?

Er was eens een jong konijntje. Een schattig bolletje pluis, hangende oortjes, kortom een echte knuffel. Die moest dus maar gekocht worden voor het kind, zulk leuk speelgoed. Maar hij  was helemaal geen knuffeltje, hij was een sterk en intelligent dier. Het kind vond er niks aan en keek niet meer naar hem om. Daar zat hij, dag in dag uit, helemaal alleen in een hokje achter het huis.
Niemand gaf om hem of deed iets om het konijn, wat ze toch zèlf aangeschaft hadden, te geven wat hij nodig had. Geen gezelschap, geen ruimte, geen liefde. En toen het gezin op vakantie ging, hadden ze ook geen zin om iemand te regelen die het konijn kon verzorgen.
Dus ze dumpten hem. 
Ze haalden hem uit z’n hok, zetten hem op de grond en gingen weg. 

Het konijn had nu wel vrijheid, maar hij had niet geleerd hoe hij voor zichzelf moest zorgen. Want hij was nog een peutertje toen hij in dat hokje gezet werd en hij was er nooit uit geweest.
Zijn eigenaren woonden in een buitengebied, en nadat hij een poosje gelopen en gezocht had kwam hij in een tuin. Die was van zijn buren maar dat wist hij niet, hij had nooit iets anders dan zijn hokje gezien. 

En toen ineens bleek dat hij al die tijd een buurmeisje had gehad! Een lief blij konijnenvrouwtje, die goed verzorgd werd, ruimte en liefde kreeg en niet alsmaar eenzaam in een hokje hoefde te zitten, maar fijn mocht rennen en spelen in de tuin.
Nou, liefde wilde hij haar ook wel geven!
Voordat de buren het in de gaten hadden, was hun konijntje zwanger van 5 bunnies. 
Ze baalden daar ontzettend van, temeer omdat de eigenaren van het vaderkonijn deden of ze van niks wisten. 
Het moederkonijn bracht haar kindjes groot en haar eigenaars hielpen haar, door zoveel mogelijk zorg te geven. Maar ze konden onmogelijk al die bunnies houden. 

Dus ze deden een oproep op internet. 
Twee jonge konijntjes waren al verhuisd, eentje mocht bij moeder blijven, maar voor twee zusjes werd nog een goed huis gezocht.

Een huis, voor twee jonge konijntjes? Dat kunnen wij bieden, we hebben ruimte en liefde te over, zeker nu wel zelf nog maar twee konijntjes hebben.
Ik ging er vanmiddag heen, om ze op te halen.
Vaderkonijn liep er ook nog steeds rond. De vorige eigenaren keken niet meer naar hem om, maar hij kon ook niet blijven waar hij nu was. Dus hij zou naar een asiel gaan. Of zou ik…. De lieve jonge vrouw bij wie ik de jonge konijntjes op haalde durfde het bijna niet te vragen. 

Maar ik was al aan het puzzelen. Want nu ik dit hele verhaal eenmaal wist, kon ik onmogelijk die twee lieve kleintjes meenemen en hun vader aan z’n lot overlaten. 
Dus hij ging ook mee.
De jonge vrouw was echt opgelucht, dat dit kereltje nu ook een leuk huis zou krijgen en niet hoefde te wachten in een asiel. 

Dus ik kwam met drie konijnen thuis. Een volwassen hangoor en twee jongen. 

Uiteraard gaan we die niet zomaar ‘in de groep gooien’  
Konijnen hebben hun eigen karakter en moeten elkaar leren kennen.
Om ze rustig aan elkaar te laten wennen hadden we al bedacht de bench in de grote ren te zetten, en daar de kleintjes eerst in te doen. Stro erin, schuilhokje, eten en drinken. Zo kunnen ze wel kennismaken met Kira en Toby maar wel in alle veiligheid. 

Ze hebben de namen Susan en Eliza gekregen, naar twee D&D characters uit het verhaal wat ik momenteel met ‘mijn ‘party speel. 
Maar ja, pa konijn was er ineens ook en daar moest ik dus een naam voor uit mijn mouw schudden.  Het werd Jarvis, dat is mijn persoonlijke D&D character, om maar even in het thema te blijven.
Hij moet maar zolang even bij de kippen logeren. Hij kan dan ook de anderen zien en ruiken, maar geen heisa maken. En zeker onze Kira niet overstelpen met zijn liefde, met alle gevolgen van dien. 
Morgen de dierenarts bellen, hij moet onherroepelijk een jeweetwel konijn worden. 

Hij vond het hier allemaal wel best, maar de kippen waren hevig verontwaardigd. Ze maakten met z’n tweetjes een kabaal alsof we dertig kippen hebben en uiteindelijk zijn ze bovenop hun hok gaan zitten om met elkaar de situatie te bespreken. Tuthola’s. Ze nemen de asielzoeker maar mooi op hoor. 

Ik ben blij met mijn lieve kleine konijnen, ik hoop dat ze een fijn en lang leven zullen hebben hier. En blij dat de mensen bij wie ze vandaan komen het beste met ze voor hadden, ook al waren de bunnies volkomen ongepland verschenen.

Maar wat voel ik me verdrietig, dat er ook nog stééds mensen zijn die geen gevoel hebben. Die onverschillig en wreed zijn en hun konijn, wat een groepsdier is, eenzaam in een klein hokje stoppen en er daarna niet meer naar omkijken. Die een konijn zien als speelgoed voor een kind en geen respect hebben voor zijn levensbehoeften. 

Die te beroerd zijn om ook maar iets te regelen als ze zelf op vakantie gaan. Het gebeurt nog vaak, veel te vaak. Zelfs te beroerd om het beestje naar een opvang te brengen en er afstand van te doen, zoda het konijn na een ellendig leven op deze manier ook nog ellendig aan z’n eind komt. 

Verhongerd en verdorst, of gedumpt zonder dat ze voor zichzelf kunnen zorgen omdat ze dat nooit hebben kunnen leren. Een prooi voor katten, honden, auto’s, of bedenk zelf maar wat voor akeligheden nog meer. 

Lieve Susan, Eliza en Jarvis, we zullen heel goed voor jullie zorgen. 

En in nagedachtenis van mijn allerliefste Rhosgobel kan ik zeggen dat jullie meer dan welkom zijn. 

Verdriet

Kunnen dieren rouwen? Ik denk van wel.
Toen een van onze twee honden was overleden, heeft de ander een half jaar lang gerouwd. Ze was niet haar vrolijke zelf, ze was lief en ze deed haar ding, maar alles ging zonder enig enthousiasme. Ook na een paar maanden nog. 
Ze lag veel met haar kop op de poten voor zich uit te kijken en was niet die boevige schooier die we kenden. Ze was mat en stil.
Ik weet zeker dat ze haar maatje verschrikkelijk miste. Ze wilde ook geen andere, dat hebben we nog geprobeerd, maar dat ging niet goed.
Uiteindelijk wende ze eraan dat ze enig hondje was en kreeg ze weer plezier in het leven.
Maar ze had tijd nodig gehad, tijd om te rouwen.

Toen bijna een jaar geleden ons oudste konijntje Sunny overleed, zaten de andere drie dicht tegen elkaar aan, letterlijk de koppen bij elkaar gestoken. Ook de schuwe Kira. Er was echt een lege plek in de ren, Sunny werd gemist. 

En nu is de ren nog veel leger. Onze grote lieverd Rhos (eigenlijk Rhosgobel, vernoemd naar de grote Rhosgobel Rabbits uit the Hobbit) is er niet meer. Hij was al oud, zeker voor een konijn van zijn formaat, ruim 7 jaar. Hij werd de laatste tijd wat traag, kreeg ook moeite om de ‘loopgraven’ , die Kira altijd maakt,  over te steken, maar hij genoot nog van het leven.
Als ik ’s avonds in de ren kwam met wat lekkers, was hij de eerste die letterlijk naar me toe huppelde en als het hem lukte ging hij op zijn achterpoten staan alsof hij vroeg: ‘Wat heb je vandaag mee?’ Alltijd een fijn momentje, even bij Rhos zitten en hem uit mijn hand laten eten, en uit mijn ooghoeken naar Toby en Kira kijken die zich wel bij het eten wagen, maar zodra ik een beweging maak weer zijn vertrokken. Het zijn allebei halfwildjes, (moeder een tam konijn, vader een wild konijn) en dat gaat er nooit uit. 
Rhos was mijn lieve grote lobbes, een goedmoedig en stabiel konijn, en echt een houvast  voor die twee anderen. 

Ze moeten het nu zonder hem doen, evenals ik. Gisterochtend vroeg is Rhos rustig gaan liggen en is het leven uit hem weggegleden. 
En ik loop nu al twee dagen steeds te huilen, omdat ik echt verdriet heb dat ik hem moet missen.
Maar Toby en Kira rouwen ook. 

Nadat ik gisterochtend Rhos zijn lichaam weggehaald had, ging Toby voortdurend nog weer op die plek kijken. 
Ik heb lekkers gebracht, gister en vandaag. Sla en paardenbloemblaadjes, vers geplukt gras, dingen die ze normaal echt niet kunnen weerstaan.
Maar het ligt er nog. Ze kwamen allebei even kijken, namen een hapje maar het smaakte blijkbaar niet.
Ze zitten de hele dag tegen elkaar aan in hun holletje onder het nachthok. 
Ik hoop dat het niet te lang duurt voordat ze hun draai weer een beetje vinden. Gelukkig hebben ze elkaar nog, maar ze missen hun vriend.

Misschien dat we over een poosje eens kunnen kijken of we de groep weer wat kunnen uitbreiden. Maar eerst moeten ze de tijd hebben samen om eraan te wennen dat Rhos er niet meer is. 

Kunnen dieren rouwen?  Ik denk van wel.

Zes bestemmingen in vijf dagen (5 en 6)

Even een poosje uitrusten werkte goed, daarna ging ik ook naar het terrasje. Bert had inmiddels zowat zijn biertje op en had nog wel zin om naar het Maritiem Museum te gaan, wat op een steenworp afstand van het hotel lag. 
Voor mij was dat toch echt teveel van het goede. Bovendien is hij veel meer geïnteresseerd in de scheepvaart dan ik, dus ik wenste hem heel veel plezier en zei dat ik me wel zou redden.
Dat lukte ternauwernood:

Maar ja, je doet het voor je man, hè. 

Na het avondeten (deze keer bij het hotel) wilde ik nog wel eventjes naar de Maaskade, waar ik de vorige dag ook had gezeten. Het was nog zo’n mooie zomeravond, dus in een rustig tempo liepen we er nog eens heen. Deze keer gingen we samen op een muurtje zitten, om te kijken naar de overkant, de boten, de Erasmusbrug en de Willemsbrug.
Het zat daar zo lekker, we bleven er een hele poos. De avondlucht kleurde roze en uiteindelijk werd het donker.

Toen gingen we weer terug naar het hotel en ik was eigenlijk verbaasd dat ik het allemaal zo mooi vond, terwijl ik helemaal niet zo gek ben op moderne architectuur en hoogbouw. Maar op de een of andere manier paste het allemaal zo goed bij elkaar, het oude en nieuwe. Eerlijk gezegd vond ik dat in Londen veel minder, daar staan wat mij betreft ronduit lelijke kolossen van gebouwen die een dissonant zijn in de skyline. 

De volgende dag stond de laatste bestemming op het programma: Brielle.
Ik weet niet of je ‘Het Verhaal van Nederland’ gevolgd heb op tv, wij in ieder geval wel en we vonden het echt mooi. Bij ieder van de tien afleveringen is een wandeling uitgezet, die je kan volgen via een app. Een podwalk noemen ze het.
We hadden er al eentje in Anloo gemaakt, die ging over jagers en boeren in de prehistorie. 
Maar die in Brielle natuurlijk over Den Briel, ten tijde van de tachtigjarige oorlog. 
Op tv was Daan Schuurmans de gids en hij promootte ook de podwalks: ‘Duik in de geschiedenis en ik wandel met je mee.’

Maar we waren eerst nog nèt niet klaar in Rotterdam, dus Daan moest nog heel even wachten. Na het uitchecken bij het hotel reden we eerst nog naar een gebouw wat ik Bert graag wilde laten zien.: de Raad van Arbeid. Wat daar voor mij bijzonder aan was? Ik heb er vaak gelogeerd. Bij mijn oom en tante, en mijn twee neefjes en twee nichtjes die allemaal rond mijn eigen leeftijd waren. 
Mijn oom werkte bij de Raad van Arbeid en huurde de dienstwoning in het gebouw. Voor mij als kind altijd een feest om naar toe te gaan. De indeling van het huis was bijzonder, alle kamers lagen eigenlijk boven elkaar in plaats van op de ene verdieping die ik thuis in onze flat gewend was.
Het was altijd heel gezellig om daar te logeren, zij waren de enigen waar ik geen heimwee bij had en ik mocht iedere zomer weer terugkomen. In het weekend mochten we in de kantine spelen of met mooi weer op het dakterras. 
Ik heb zulke leuke herinneringen aan die logeerpartijen en dat bijzondere huis. 
De Raad van Arbeid bestaat niet meer maar het gebouw gelukkig nog wel. Er zitten nu allemaal kleine wooneenheden in. Maar de entree zag er nog precies zo uit als ik me herinnerde. 

En toen had ik eindelijk alles gezien en laten zien wat ik wilde in Rotterdam en gingen we naar Brielle.
Het was maar een half uurtje rijden en de start van de podwalk was heel duidelijk aangegeven.
Dat ‘ik wandel met je mee’ van Daan Schuurmans moet je wel met een korreltje zout nemen. Jammer, het lijkt me een leuke kerel. Maar het is net zo als met George Clooney, die komt geen koffie voor je maken, dat moet je ook zelf doen.
Daan vertelde wel van alles onderweg, en die stem is beste prettig in je oor(tjes).

En wat is Brielle een mooi stadje! Prachtige historische gevels, een vestingmuur rondom met bastions, oude bruggen en een leuk haventje.

Op de Markt gingen we even pauzeren, koffietijd. 

Nu vind ik stiekem het oer-nederlandse ‘koffie met appelgebak’ een van de meest dorre gewoontes van fietsers, wandelaars en dagjesmensen. Ik heb er altijd een bepaald beeld bij, noem het gerust een vooroordeel. Ik ga het niet uitleggen, wil niemand voor het hoofd stoten. 
Maar ik bestel het echt nooit. Tot deze dag, want appelgebak was het enige wat het restaurant bij de koffie kon serveren. Vooruit dan maar,  ik nam een keer koffie met appelgebak. En ik ben eerlijk genoeg om te zeggen dat het echt superlekker was! Het waaide naar binnen, zou mijn vader zeggen. 
Het was ook een formidabel stuk, dus de lunch konden we overslaan. 

Daarna vervolgden we onze podwalk, maar mijn voet begon nu echt verschrikkelijk te protesteren. Als ze kon praten had ze gezegd: ‘Hou nou maar eens op, sinds oktober heb ik niet meer zoveel hoeven doen als de afgelopen paar dagen. Stad in, stad uit, lopen lopen lopen. Ik hou er mee op en omdat je niet wilt luisteren, laat ik wel een blaar groeien. Dat zal je leren.’
De blaar zat onder het zachte gedeelte van mijn grote teen en had de afmeting van een twee euromunt. En deed zeer, bij iedere stap meer. Ter verhoging van de feestvreugde deed de kleine teen van mijn andere voet ineens gezellig mee, die kweekte een blaar ter grootte van zichzelf, dus had ik aan mijn linkervoet ineens zes tenen. 


Maar die wandeling moest af, ik moest nog zien waar de gevleugelde woorden: ‘In naam van Oranje, doe open de poort!’ waren uitgesproken.  
Tot mijn schrik begon er ook nog een mannenkoor in mijn oor het Wilhelmus te zingen, maar ik kon het niet opbrengen om in de houding te gaan staan. Sowieso heb ik niks met volksliederen maar dat is een ander onderwerp.
Ik bleef dus gestaag doorstappen, al was het inmiddels meer een Podstrompel geworden. 
Daan bleef vriendelijk in mijn oor praten en feliciteerde me uiteindelijk dat ik de wandeling had volbracht. Dat was aardig natuurlijk.
Ik liet me op de autostoel vallen en beloofde mezelf dat ik de komende dagen geen stap meer dan nodig zou verzetten.
Huiswaarts!

Dat was nog ruim 3 uur rijden dus onderweg hebben we lekker gegeten:

en tegen half 8 waren we thuis. 
Eigen dorpje, eigen huisje, eigen plekje. Ook weer fijn.

Wat was dit een intensieve, maar mooie vakantie! 
Zoveel gezien, gehoord, gevoeld, gedacht, genoten, gelachen, gegeten, gedronken, geleerd, gewandeld, gestrompeld…. gedaan!

Zes bestemmingen in vijf dagen (5)

Het sliep prima in dat boothotel en het ontbijt bleek eveneens prima. Het leuke van een buffet is dat je kan kiezen.
Ik zat heerlijk te genieten van een minicroissantje met jam, een cracker met fricandeau, een bakje yoghurt met honing en gepofte rijst en een appeltje.
En keek met verbazing naar wat er aan de overkant van de tafel allemaal naar binnen ging. Eerst ook een minicroissantje met jam. Toen een grote maanzaadbol met scrambled eggs en gebakken spek.

En dat was blijkbaar nog niet genoeg, want toen nòg een grote bol met ham en kaas. Waar laat die man het? Ik weet het niet hoor. Ik ben altijd degene die op moet letten dat ik niet teveel aankom en hij schuift allerlei caloriebommen naar binnen en blijft altijd hetzelfde! 
Het enige waarvan we ongeveer dezelfde hoeveelheid nemen is koffie. 

In ieder geval hadden we dus een goede bodem gelegd voor onze stadswandeling van vandaag.
Dat was geen van te voren uitgezette van de VVV of zoiets, maar een heel persoonlijke.
Afgezien van het huis in de Saftlevenstraat, waar ik in Memory Lane al over schreef, wilde ik straten bezoeken die ik alleen uit verhalen kende. Jeugdverhalen van mijn vader. Hij was de oudste van 8 kinderen en heeft voor de Saftlevenstraat nog op drie andere adressen gewoond: hij is geboren in de Blokmakerstraat, opgegroeid op de Mathenesserdijk en in de Dirk Danestraat. De adressen lagen dicht bij elkaar, dat was voor ons wel makkelijk natuurlijk. 

Het was vanaf het hotel best te lopen, eerst door de stad en daarna een groot stuk langs de Delfshavense Schie. Wat mij opviel? Dat er blijkbaar nog niet zoveel veranderd is ten opzichte van de gildekwartieren in de Middeleeuwen. Een hele straat met kappers en barbiers, een andere  met autogarages en bandenbedrijven, je vraagt je af hoe die allemaal naast elkaar kunnen bestaan, maar blijkbaar lukt het. Daar moet je dan denk ik toch voor in de grote stad zijn.

Het geboortehuis van mijn vader was er niet meer. In de oorlog is bij het bombardement de Blokmakerstraat vernield, daar staan nu na-oorlogse flats.
Op de Mathenesserdijk stond ik erg te twijfelen of dit misschien nog wèl het originele huis was, en tot mijn plezier las ik op internet dat dit gebouw uit 1925 stamt.

Dus daar heeft mijn vader ook echt gewoond, van zijn 2e jaar tot zijn 8e jaar. Ik was een beetje aangedaan, dat hij daar zijn peuterstapjes heeft gezet, een schoolkind werd. Een Rotterdams jongetje wat halsbrekende toeren uithaalde, door met zijn fiets over de uiterste rand van de havenkades te rijden. Dat hij nooit in het water gepleurd is (om het maar even op z’n Rotterdams te zeggen) mag een wonder heten.
Toen het gezin groter werd zijn ze dus naar de Dirk Danestraat verhuisd, die daar ook weer vlak bij was.

Ook dat huis heeft de oorlog niet doorstaan, mijn zus wist dat het gezin, omdat de woning zo beschadigd was dat hij op instorten stond, nogmaals is verhuisd. Toen  dus naar de Saftlevenstraat, mijn vader was toen 15. 


Ik vond het echt zó gaaf om daar in die buurt rond te lopen en te kijken, wetende dat hij daar gespeeld had, naar school gegaan was, kortom stadsjongetje geweest was.
Ikzelf heb mijn vader namelijk nooit als stadsmens gekend, hij wilde altijd ruimte en natuur om zich heen. Daarom had hij later ook nooit behoefte om terug te gaan en me die straten te laten zien.
Maar nu deed ik dat dus gewoon zelf! 

Uiteindelijk hadden we alles gezien wat ik wilde en gingen we op zoek naar koffie. Bij een buurtcafeetje aan de Schiedamseweg mengden we ons tussen een stel rasechte Rotterdammers, zo te zien mensen die daar dagelijks hun koffie (of ochtendbiertje) en babbeltje kwamen halen. Echt oergezellig en we werden ook gewoon in de gesprekjes betrokken. 
Ik genoot stiekem van het Rotterdamse accent, ik had zo mee kunnen doen. De Groningse tongval lukt me niet, maar het Westerse Rotterdams en Leids zijn me eigenlijk aangeboren. Niet dat we dat thuis spraken, ben je gek. Ook geen Hilversums, waar ik zelf geboren ben. Dat was plat, dat kon bij ons thuis echt niet. Algemeen beschaafd Nederlands, en anders kreeg je op je kop. Maar ik vond het nu heerlijk om dat zangerige toontje te horen en de ronde o’s.

(even een zijstapje: in de corona tijd was er een liedje van Jopie Parlevliet over mondkapjes en zong hij/zij: Tebbie nou op je muil? en ik lachte me daar echt tranen om https://www.youtube.com/watch?v=eslSLLeGoIM)

Na de koffie liepen we de Schiedamse weg helemaal af en was ik ontzettend verrast om zomaar een oeroud stukje Rotterdam aan te treffen. Ik bedoel: hoe bijzonder is dit?  

En wat ontzettend mooi dat dit gespaard is gebleven in het afschuwelijke oorlogsgeweld. 

Sowieso is het bijzonder vind ik, de mengelmoes van oud en nieuw in Rotterdam. In één straat kan je dat vaak al zien. We hebben ook het beeld van Zadkine gezien, ‘Verwoeste Stad.’ Het verbeeldt zo goed wat er gebeurd is, met het gat in de romp.


In de loop van de middag werd ik wel moe, mijn voet is nog niet 100 % zoals ze voor de breuk was. Ik wilde wel naar het hotel. Maar het was best nog een eindje lopen en ik moest zo nodig plassen. Toch had ik geen zin om daarom nog weer op een terrasje te gaan zitten, ik was ook bang dat ik na rust helemaal niet meer op gang zou komen. Maar ik kon het niet meer volhouden. Juist waren we bij de Kunsthal. Ik pakte mijn museumjaarkaart, kreeg een toegangsticket en ging snel naar de wc. Wat overigens een rare ervaring was, want aan de binnenkant van de deur hing een levensgrote spiegel. Dus zat ik naar mezelf op de plee te kijken! Ik weet niet of dat ook als kunstuiting bedoeld was, maar voor mij hoeft dat echt niet. Maar ik was natuurlijk wel opgelucht dat ik met een lege blaas weer verder kon, dat dan weer wel.

Toen we bij het hotel waren wilde ik even mijn benen laten rusten op bed. Maar juist dat moment was de schoonmaakmeneer bezig op onze kamer. Ik zei: ‘Sorry, ik moet ècht zitten’ en plofte op de gemakkelijke stoel die hij in de deuropening gezet had om te voorkomen dat de deur weer dichtklapte.
Bert ging een biertje drinken op het terras, ik kon werkelijk geen stap meer verzetten.
De kamermeneer maakte het bed netjes op en ging daarna nog in de badkamer aan de gang, ik had toen het hart niet om alvast op dat bed neer te ploffen, dus ik bleef keurig in mijn stoeltje zitten. Er kwam een andere kamermeneer helpen en die had mij eerst niet in de gaten. Werkelijk, de man schoot bijna uit zijn sokken van schrik. Vervolgens kreeg hij de slappe lach en piepte in het Engels dat hij mij niet gezien had omdat mijn jurk zo op de stoelbekleding leek.
En verdomd de man had nog gelijk ook en toen zat ik ook te gieren.
Uiteindelijk waren ze klaar en kon ik eindelijk de beentjes rust gunnen. 

Wordt vervolgd. 

Zes bestemmingen in vijf dagen ( 4 en 5)

Twee keer ontbijt in Oss betekende dat ik de halve pot vijgenjam van mijn zus heb leeggegeten. Ik wil hier ook vijgenjam. 

Op naar Leiden, naar Naturalis. Bestemming 4. 
We hadden een tijdslot moeten reserveren en met de routeplanning hadden we er geen rekening mee gehouden dat we ’s avonds hadden gekeken (wanneer je 130 km mag rijden) en ’s morgens daadwerkelijk gingen (wanneer je 100 km mag rijden)  Dat is ons al vaker gebeurd en het scheelt toch al gauw een kwartier à half uur, afhankelijk waar je heengaat natuurlijk.
Maar gelukkig konden we goed doorrijden en kwamen we net op tijd aan. Alleen was de parkeerplaats vol. Hoe dan, je reserveert toch? 
Miep Stress vloog natuurlijk de auto uit, om bij de kassa te melden dat we er wel waren maar nog niet konden komen. De man bij de kassa reageerde zeer laconiek en Miep Stress voelde zich lichtelijk belachelijk. Eigen schuld, had ze maar Miep Kalm moeten zijn. 

Het duurde gelukkig niet lang voordat de auto alsnog geparkeerd kon worden en we konden naar binnen. We zouden zèlfs nog tijd hebben, voordat de daadwerkelijke T-rexperience begon, om een kopje koffie te nemen. Of thee, want het was al 12 uur geweest en dan moet deze vrouw eigenlijk geen cafeïne meer hebben wil ze ’s nachts nog kunnen slapen. 
Maar man moest eerst nog naar de w.c.  Prima, moet ik ook wel eens.
Maar dat duurde! Ik heb ondertussen de hele inventaris van de museumwinkel bekeken, een praatje aangeknoopt met de ticketcontroleur, gekeken waar we straks even konden gaan zitten met onze koffie en thee. Als we tenminste überhaupt nog konden gaan zitten want de tijd schreed voort. 
Hèhè, daar kwam man eindelijk aan. Ik hoefde verder geen details te weten (en jullie denk ik ook niet) maar sleepte hem zo’n beetje het restaurantje in. 
We hadden onze drankjes op tijd op en konden naar de attractie. Want dat was het eigenlijk. Ik zal niet uitgebreid vertellen wat het precies was, want misschien wil een lezer er ook nog heen. Laat ik volstaan met te zeggen dat het kort, maar hevig was.
Enorm leuk gedaan , ik zat er helemaal in tenminste, ook al wist ik dat het ‘nep’ was.  Je gaat tenslotte niet iedere dag met een tijdcapsule meer dan 65 miljoen jaar terug naar een jurassisch woud. O nou heb ik toch al wat verklapt, sorry. 

Na deze ervaring gingen we nog eventjes wat rondkijken in Naturalis (dinoskeletten!)


en halverwege de middag weer weg, naar Rotterdam. Bestemming 5.

Ik was enorm in mijn nopjes geweest dat ik zo’n vreselijk leuk hotel had gevonden. We hebben namelijk wat verschillende maatstaven, man en ik. Man wil, als we naar een stad gaan, graag een hotelletje in het centrum, liefst authentiek en klein. Ik wil graag een beetje rust en comfort en als het kan zelfs wat luxe.
Dit had het allebei. Het was het H2Otel, dat in de Wijnhaven op pontons dreef en waarvan de kamers op luxe kajuiten leken. Midden in het centrum van Rotterdam, en toch zo rustig als ik me maar wensen kon. En op het water, man is namelijk ook een groot haventjesliefhebber. 
We konden er ook een parkeerplaats bij reserveren, wat in het centrum van Rotterdam natuurlijk ideaal is. 
Het stelde ons ook niet teleur, zo vriendelijk ontvangen, leuke kamer met uitzicht op de Wijnhaven, welkomstdrankje op het terrasje op het water, het was perfect.
Na dat drankje wilden we wel even alvast de stad in. Nog niet op zoek naar de adressen die ik wilde (laten) zien, maar gewoon wat rondkijken. 

Het was prachtig weer, we liepen langs de kades, er klonken allemaal verschillende talen om ons heen van alle andere toeristen, en de vakantiestemming was compleet. 
We kwamen bij de oever van de Maas en dat vond ik zo’n mooi plekje dat ik daar even wilde blijven. Ik ging in mijn eentje op de trap zitten genieten, want man wilde graag langs de kade verder lopen en boten en bruggen kijken.
Ik heb me niet verveeld, integendeel. Het was een plekje met uitzicht op de Erasmusbrug en daar werd gretig gebruik van gemaakt. Door influencers of meisjes die dat graag wilden zijn, vloggers of youtubers of noem het maar. 
Een meisje in een felroze wapperjurk, geflankeerd door twee mannen, nam allemaal gekunsteld spontane poses aan en werd tachtig keer op de foto gezet. Voetje vooruit, teenspitsen op de grond en de hiel geheven, been elegant gebogen door de split van de wijde rok, er werd nog een extra knoopje van het decolleté opengedaan…De ene man nam foto’s terwijl de andere tussendoor om haar heen bleef springen om nog wat te verschikken aan haar lange haar, om… ja weet ik veel wat hij allemaal deed, ik zat op veilige afstand te gieren op mijn traptrede. 
Eindelijk was er genoeg gefotografeerd en liepen ze verder. Ik denk dat Instagram wel wat gezien heeft van die plaatjes.
Ze waren amper weg of de volgende kwamen er aan. Twee meisjes, die zo’n beetje hetzelfde ritueel volgden. Alleen moest het gefotografeerde meisje nu steeds keuren hoe het geworden was, werd het resultaat blijkbaar afgekeurd en moest het hele circus weer opnieuw. Nog even sexy de mouw langs haar schouder naar beneden laten zakken… verdorie, zat haar lange haar daar weer voor, zag je dat nog niet. Vriendin had een eindeloos geduld, ik had zwaar bewondering voor haar. 

Uiteindelijk kwam mijn eigen man weer terug, die hoefde geen fotosessie dus we gingen de stad verder in.
Op een gegeven moment zei hij: ‘Volgens mij heb ik kauwgum onder mijn schoen ofzo.’ Ik zag inderdaad iets rubberachtigs onder zijn zool tevoorschijn komen. Alleen wàs dat zijn zool. Die liet los, grote drellen rubber hingen aan zijn voeten. Ik stikte van het lachen, dit was niet de eerste keer dat hij versleten schoenen bleek te hebben op vakantie. Een aantal jaar geleden waren we op wandelvakantie in de Harz en zei ik, toen ik achter hem liep: ‘Je hak laat los, weet je dat wel? ‘ Binnen een kilometer was de rest ook losgelaten en liep hij als Pipo de Clown op flapschoenen te worstelen om toch nog bij het hotel te komen. Dat werden dus de Harzer Flappen. Nu presteerde hij het om Rotterdamse Flappen te hebben. Alleen waren dit sandalen en gelukkig geen dure wandelschoenen.  
‘Nou zeg,’ zei hij verbolgen. ‘Dit waren echt niet zulke goedkope.’ Ik lachte nog harder en herinnerde hem eraan dat hij ze minstens 12 jaar geleden al gekocht had en er iedere zomer op had gelopen. Gauw maar op zoek naar nieuwe schoenen. We zagen een winkel van Van Haren en renden erheen. Het was 7 minuten voor 6 en we mochten nog naar binnen. We renden naar de herenafdeling, een medewerker rukte een schoenendoos met de juiste maat sandalen tevoorschijn, die pasten en waren vrijwel identiek aan het kapotte paar, dus man was tevreden en rekende om 1 minuut voor 6 af. De flapschoenen mochten ze houden en wij konden even bijkomen van het turbo-winkelen. 

We wilden wel een tentje opzoeken om wat te gaan drinken en daarna te eten. We liepen richting de Markthallen. Daar werd de weg versperd door een grote bergingsauto. Tja, in de stad kan je ook pech krijgen. Maar alweer schoot ik in de lach, want op die grote auto stond heel klein en zielig een scootmobieltje. Het was een beetje als een grote winkelwagen met 1 koetjesreepje er in.  

In de Markthallen was het gigantisch druk en bloedheet. Niks voor mij, eruit!
We vonden verderop een leuk Italiaans restaurant, het terras was flink bezet maar er was nog een tafeltje voor twee vrij.
De ober vertelde  wat de pizza van de maand was:  Een pizza bianco met geitenkaas en vijgen en..’Stop maar, ik weet genoeg,’ Uiteraard koos ik die en ik had echt niet lekkerder kunnen eten. Glaasje Pinot Grigio erbij, perfect! Mijn lieve echtgenoot met zijn nieuwe sandalen koos gegrillde zwaardvis en dat bleek ook heerlijk. 

Zeer tevreden gingen we terug naar onze boot. 

Wordt vervolgd.

Zes bestemmingen in vijf dagen. ( 1,2 en 3)

Je kent die verhalen wel van mensen die in een ander werelddeel wonen en dan in een week heel Europa bezoeken. 
Wij deden dat afgelopen week in het klein. In 5 dagen hebben we 2 dorpen en 4 steden bezocht. 

Niks voor mij eigenlijk, ik word altijd wat nerveus van strakke programma’s. Maar deze keer niet, want alles paste perfect in elkaar. Een belangrijke reden was ook dat we hier vanuit Noord Groningen lang moeten reizen om de plaatsen te bezoeken die we al een poosje op ons verlanglijstje hadden staan. En ik stelde dus alsmaar van alles uit.
Wel hadden we dan èindelijk met zus en zwager afgesproken dat we naar hen toe zouden komen, door corona en andere omstandigheden was dat al veel te lang geleden. Zij wonen in Oss. We konden dan mooi ook met z’n vieren gezellig een dag naar Den Bosch, zus had al heel vaak gezegd dat we een keer moesten gaan varen op de Binnendieze. Daar hadden wij uiteraard geen enkel probleem mee.
Ikzelf had al heel vaak gezegd dat ik graag een keer naar Rotterdam wilde, nog eens kijken naar het huis waar opa en oma woonden en ook eens de straten opzoeken waar mijn vader geboren en opgegroeid was. Bert kwam met het lumineuze idee om dat na het bezoek aan zus en zwager te doen, dan hoefden we niet eerst helemaal naar huis en daarna weer een keer 3 uur rijden naar Rotterdam.

Vervolgens kwam ik erachter dat er een speciale dinosaurustoestand in Naturalis in Leiden was, de T-rexperience. Eigenlijk wilde ik daar ook wel heel graag heen. Dus dat planden we er nog tussen, vanuit Oss eerst naar Leiden en van daaruit naar Rotterdam. Als laatste bedachten we (of eigenlijk weer Bert) dat we dan ook vlak bij Brielle waren, waar we een podwalk van Het Verhaal van Nederland konden gaan maken, als we in Rotterdam klaar waren.

Maar stiekem was dat niet het laatste, want we planden nog iets helemaal vooraan: voordat we naar Oss gingen, reden we eerst nog naar Huis ter Heide om kinders en kleinkind aan ons hart te drukken, we hadden ze nog niet gezien na hun vakantie. 
Nou, en zo geschiedde.  Zondag weg en donderdag weer thuis, alleen voelde het alsof we veel langer weg zouden gaan.  

Uiteraard was het heerlijk om de kinderen weer te zien, kleinzoon te horen kwebbelen, versgebakken Italiaanse taart te eten en even bij te kletsen. Bestemming 1 was bereikt. 
Op naar het volgende.

Bestemming 2 was Oss, waar we hartelijk ontvangen werden met taart, tosti’s, koffie, thee en tot mijn blije verrassing Kilkenny Irish Red. Op de een of andere manier is het Ierse bier in mijn eigen woonomgeving blijkbaar verbannen en het is juist zo lekker.
’s Avonds gingen we naar Ome Toon. Klinkt als een gezellig familielid die we ook hoognodig weer eens moesten bezoeken, maar het is een Burger- en Grill restaurant. Onze gastvrouw en -heer hadden namelijk (ook weer vanwege corona) nog een etentje van ons te goed.
Om de vakantiestemming helemaal compleet te maken begon ik met een Limoncello Spritz.

Het lijkt op de foto of mijn zus niets in haar glas heeft, maar zij had een Aperol Spritz, die dezelfde kleur had als haar jurk! 
Het was ontzettend gezellig samen, het eten was heerlijk, wat wil je nog meer?
Nou, wat we nog meer wilden was dus de volgende dag naar Den Bosch. Bestemming 3.

Ook op maandagmorgen zijn er Bossche bollen verkrijgbaar, maar omdat ik niet zo’n slagroomfan ben en Bert wel, is deze foto van hem. 

We zijn in de St.Jan geweest, prachtig natuurlijk.
Vanaf 12 uur waren de winkels open, ik had het best koud en moest dus echt even een leuk jasje kopen. Wat vervelend nou weer. Maar het was echt fris en het miezerde, dus tja wat doe je dan.
Daarna was het alweer tijd voor lunch, er is wat afgegeten en gedronken deze dagen! 

Om kwart over 2 gingen we varen, op de Binnendieze dus. Inmiddels was de zon volop doorgekomen en was het heerlijk. 

Die Binnendieze stond halverwege de jaren ’60 op de nominatie om gedempt te worden, hij had geen functie meer. Want geloof het of niet, tot dan toe werd hij als riool gebruikt.
Tot mijn starre verbazing hoorde ik dat dit geen uitzondering was. In Amsterdam, Utrecht en nog meer grote steden, was toen ook nog geen goed rioolstelsel en werd alles in de grachten geloosd. Ik wil dus ook nooit meer iets horen over het ‘achtergebleven’ gebied waar ik woon, waarschijnlijk was er hier eerder riolering dan in de beschaafde grote steden! 

Gelukkig waren er twee belangrijke Bosschenaren die de Binnendieze als monument wilden houden en hierin zeer vasthoudend waren, zodat ze uiteindelijk voor elkaar kregen dat de Binnendieze niet alleen behouden werd, maar ook gerestaureerd. Er waren/zijn namelijk veel tunneltjes en doorgangen die onderhoud nodig hadden om te kunnen blijven bestaan. 
Er is, behalve de rondvaarten, geen ander vaarverkeer en dat maakte de rondvaart heel speciaal. 
Op een gegeven moment werd de Binnendieze zelfs even de Buitendieze en voeren we om de stadsmuur heen. Dit is toch prachtig?

Overigens had ik de allerbeste plek. Dat was niet mijn opzet, toen ik in de boot stapte schoof ik zover mogelijk naar achter, zodat de andere passagiers er ook nog bij konden. Alleen bleek dat uiteindelijk juist de voorkant te zijn en zat ik dus pontificaal vooraan.
Soms moesten we even bukken of verder naar het midden buigen omdat de doorgangen zo laag en/of smal waren. De tunneltjes waren gelukkig niet lang genoeg om me echt claustrofobisch te laten worden, maar ik vond het wel spannend!
Het was echt een fantastische middag zo.

Uiteraard moest er daarna nog maar weer eens gegeten en gedronken worden, dit keer werden wij meegenomen, naar een Griek. En dat was ook weer heerlijk!
We hebben stiekem nog even enorm veel plezier gehad. Een man en een vrouw marcheerden achter elkaar aan en bleven op de hoek van de straat stilstaan. Vervolgens keken ze allebei met het hoofd in de nek naar de hoge toren van de St. Jan. Het zag er zo verschrikkelijk komisch uit. Hij was mager, in een korte broek, streepjesshirt en rugzak, zij wat steviger, in een soort safaripak met korte broek en bloes en eveneens een rugzak. Recht achter elkaar, exact dezelfde houding, allebei een wipneus die scherp afgetekend werd tegen de helblauwe lucht… het kon zo een schilderijtje van Marius van Dokkum zijn. Ik vond het niet netjes om een foto te maken maar het plaatje was echt geweldig. Dan maar een foto van de toren waar ze naar keken.

Om een uur of acht gingen we maar weer eens huiswaarts. Alleen bleek de bus naar het Transferium, waar de auto geparkeerd stond, niet meer te rijden. Dan is het lang wachten bij de bushalte.
Maar Google weet altijd raad. Zo hadden we nog een extra stadswandelingetje, naar een andere bushalte. De chauffeuse was zo vriendelijk om ons met het P+R buskaartje wel mee te nemen, ook al was het een lijnbus. Ze zullen wel eens vaker met toeristen te maken krijgen. 

We bleven nog een nachtje slapen in Oss, voordat we de volgende dag naar bestemming 4 en 5 zouden gaan. 

Wordt vervolgd!

Memory Lane

We zijn een paar dagen weggeweest. Ik ga nog schrijven over wat we allemaal gedaan en gezien hebben, maar eerst moet er iets anders. Omdat ik, nu ik thuis ben, overspoeld ben door herinneringen en emoties. Goede herinneringen en goede emoties. Maar wel heel intensief. Het voelt ook wel kwetsbaar, maar ik zit nou eenmaal zo in elkaar dat ik, als iets me raakt, er over wil schrijven. 

Memory Lane, oftewel de Saftlevenstraat in Rotterdam. Op nummer 9b woonden mijn oma, opa en tantes. Een herenhuis waarvan zij de begane grond en het souterrain bewoonden. 
Ikzelf was een heel klein meisje toen ik daar kwam, toen ik echt een schoolkind geworden was, waren mijn oma en opa overleden en de tantes naar de Alexanderpolder verhuisd. 
En toch heb ik er vrij veel en vooral intens goede herinneringen aan.

Toen we er afgelopen woensdag naar toe liepen zag ik eerst al een toren waar ik echt nooit meer aan gedacht had maar die ik direct herkende. Die van de Arminiuskerk, weet ik nu.

Ineens voelde ik kriebeltjes in mijn buik, ik wist dat ik hier vroeger gewandeld had en dat dat leuk was. 
Want voor mij als klein kindje was het altijd fijn om naar oma en opa in Rotterdam te gaan.

We liepen de Saftlevenstraat in en daar zag ik het huis. De gevel was nog precies zoals ik me die herinnerde, alleen was het lang zo groot niet meer.

De 3 granieten treden en de bovenste trede van marmer waren er dus ook nog. Een hele klim voor peuterbeentjes, voordat de voordeur openging en we een halletje instapten waar een prachtig geslepen glazen tochtdeur was. Daarachter een, in mijn herinnering, ontzettend lange gang met aan het einde de keuken. Daar kwam oma ons tegemoet, met haar witte schort voor, een brede glimlach en uitgespreide armen. Er hing een geur van verse koffie, sigarenrook en gezelligheid.

Het huis was smal maar lang , met verscheidene kamers achter elkaar. ‘Boven’ de kamer van opa en oma, een tussenkamer die als rookkamer gebruikt werd en een zitkamer, en aan het eind dus de keuken.
Er was zowel aan de voorkant als aan de achterkant een trap naar het souterrain, waar ook weer een aantal kamers achter elkaar lagen, die werden gebruikt door de tantes. 
Bij beide trappen was een w.c., wat een luxe, twee toiletten! Eentje had een gewone zwarte bril, maar de andere een houten, waar een dikke noest inzat waar ik heel bang voor was. Dus daar wilde ik echt niet op. 

Ik gluurde nu stiekem even door het raampje in de deur, zag wel de gang en de trap, maar de mooie tochtdeur was er niet meer. 

Naast het huis was een poortje, maar dat zat op slot. Jammer, ik had ook graag nog even in de tuin gekeken. Ik zag gelukkig nog wel een boom. De stadstuin was er dus nog wel. 
Ook die herinner ik me nog zo goed. Aan de voorkant was er alleen maar stoep, maar achter een echte tuin die je vanuit het souterrain kon bereiken. Door de kamer van tante Wil, die had tuindeuren. 
Er lag destijds een grindpad in de tuin van grote stenen, veel groter als die we thuis hadden. En er waren bloemen en struiken en bomen. In de deuropening hing oma dan een schommel voor me op. 

Lieve oma. Ik heb haar maar zo kort gehad, ik was een kleuter toen ze overleed. Maar het greep me nu aan hoeveel ze voor me heeft betekend en hoeveel ik nog weet van haar en mij samen. 
Ik was, als ik het goed geteld heb, haar vijfde kleinkind. Maar voor wat betreft haar liefde en aandacht was ik net als haar eerste. 

Oma duwde de schommel en zong daarbij een liedje. Nooit meer vergeten, afgelopen zomer zong ik het zelf nog, toen ik mijn eigen kleinkind op de schommel duwde:

Schommelen, schommelen, heen en weer
Hoger, hoger, telkens weer
Stevig hou ik de touwtjes vast,
Als een matroosje in de mast.

Binnen spelen was ook leuk. Ik kreeg een enorme benen kam en mocht daarmee de franjes van de vloerkleedjes netjes maken. En oma vond dat ik het prachtig deed, de kleedjes hadden er nog nooit zo netjes uitgezien. 

Opa was ook lief. Hij rook altijd naar scheerzeep en sigaren, en soms een beetje naar cognac. 
Hij reageerde weleens expres niet als ik, als peutertje, hem riep, omdat hij het zo grappig vond als ik ongeduldig werd. ‘Opa! Opa! Ooooopaaa!  OOOOOOHOOOOP! Vooral dat laatste vond hij geweldig, heb ik me later laten vertellen.
Hij was wel een beetje teleurgesteld toen hij mij als tweejarige meenam naar Diergaarde Blijdorp en me van alles wilde laten zien, en ik bleek alle dierennamen al te kennen. 
Toen al een betweter.

En de tantes. Tante Nel had haar kamer aan de voorkant in het souterrain. Er was een zwarte kachel en mooie blauwe stoelen, en bij tante Nel mocht je altijd spelen. Met haar sieradendoos, met haar sjaaltjes, op haar hakschoenen lopen. Maar ook haalde ze de viewmaster tevoorschijn met een hele doos schijfjes met mooie plaatjes. Ze had tekenspullen en plakkertjes en van alles wat leuk is voor een klein kind en was altijd heel lief.

Tante Wil had de kamer aan de tuinkant, daar kwamen we alleen als we naar buiten mochten. Eigenlijk was ik soms een klein beetje bang voor tante Wil, ze was ook heus lief maar had niet zoveel geduld als tante Nel en was ook veel strenger.
De kamers er tussen? Ik weet het niet meer, die waren vroeger in gebruik geweest door het grote gezin, maar de twee tantes waren de enige van de 8 kinderen die er nog woonden. 

Maar toen ik er afgelopen woensdag was, zag ik veel meer dan alleen die gevel. Ik zag mijn vroege jeugd en was eigenlijk verbijsterd hoeveel ik van die paar jaar nog weet. Hoeveel impact die bezoeken aan oma, opa en de tantes hebben gehad. 

Ik zag het interieur voor me, het uitzicht vanuit de keuken, de gordijnen aan de hoge ramen. Ik weet zelfs nog hoe de suikerpot eruit zag,  geribbeld rood glas. (of misschien zou het nu kunststof blijken te zijn) 
De gekrulde trapleuningen, de witte douchebak beneden, met een groene slang aan de kraan en een geel douchegordijn. 
Hinkelen op de tegels in het souterrain. Verstoppertje spelen en als de zoeker de ene trap afging zelf gauw de andere trap weer op. 
Taart eten bij oma in de keuken. 

Ik heb nu nog wel een paar recepten trouwens van haar, die ik regelmatig maak. 

Vanavond zou ik gaan koken, maar ik liep maar wat heen en weer, er kwam niets uit mijn handen. 
Er was iets wat me bezig hield, maar waar ik mijn vinger niet op kon leggen.
Tot ik het ineens wist. Zo helder als een filmbeeld kwam een herinnering boven. En niet zomaar een, maar de àllervroegste jeugdherinnering die ik heb. 
Ik was nog zo klein dat ik in een wandelwagentje zat. En oma was er. We waren bij een vijver en oma riep: ‘Eendjes! Kom maar bij Anneliesje, boterhammetjes eten!’ 

Het greep me zo aan! Alsof je zomaar ineens in een tijdmachine zit en bijna 60 jaar terug gaat en ziet waar je toen was en wat je deed en met wie. 
Het was fijn en goed om even terug te zijn, daar in Rotterdam. Het heeft een schatkist met herinneringen opengemaakt. Ik word er erg gelukkig van.