Categorie archief: Geen categorie

Op Fietse

Waar ik woon, fiets ik niet vaak. Ik ben gewoon geen fietser.
Ik heb een mooie bakfiets, waar ik mee heen en weer naar school fiets en waarmee ik de boodschappen doe. En dat is het op fietsgebied wel zo’n beetje. Want het waait bij ons àltijd. En eigenlijk heb je nooit wind mee. Dan ben ik bij voorbaat al chagrijnig.
Maar we zijn nu op vakantie en dan doe je andere dingen. Zoals fietsen.

Wij vertoeven momenteel in Huis ter Heide, vlak bij Zeist en Soesterberg. Er staan hier 2 prima fietsen in de schuur, dus we besloten tot een fietstocht, want vandaag eindelijk mooi weer!
Broodjes en drinken mee, appeltje,hoe kneuterig wil je het hebben. Bert had deze keer zowaar een linker èn een rechtersandaal in zijn koffer gepakt, maar hij koos toch voor schoenen en sokken. En wat voor sokken.


De route van te voren op internet opgezocht en ik voerde die in, in mijn ultra geavanceerde navigatiesysteem.


Daar gingen we! Bij het eerste knooppunt was de weg afgesloten. Typisch. Bij ons gaat nooit iets van een leien dakje. Dus omfietsen, direct al.
Ok, niet klagen maar dragen. Of trappen in dit geval.
Ik hoopte op een ontspannen fietstocht in een rustige omgeving. Maar mens, je zit in het midden van Nederland, daar is het niet rustig. Nergens.
We fietsten keurig op de paadjes in het bos en langs buitenplaatsen. Samen met:

  • Groepen wielrenners die luid kakelend aan kwamen racen, en ondanks dat het toch nodig vonden om veelvuldig hun TING TING belletjes te gebruiken. Die zoveel mogelijk met 3 naast elkaar bleven rijden, over het stuur gebogen, neus naar de grond om vooral maar niks van de omgeving te zien
  • Bevriende stellen bejaarde e-bikers, mannen voorop, vrouwen daarachter, stug naast elkaar blijven rijdend, ook bij het passeren of wanneer ze ons inhaalden op hun zoemende fiets waar ze nauwelijks een trapbeweging op maakten
  • Families op fietsvakantie, ingebouwd in fietstassen, moeders met een kleuter op zo’n aanhangfiets en vaders met een fietskarretje met peuter die nauwelijks boven nog weer extra bagage kon uitkijken. Of hond
  • Een groep jonge mensen die e-cruisers (een soort moderne solexen) gehuurd hadden, ons met veel gedoe passeerden en vervolgens een heel kruispunt blokkeerden omdat ze moesten overleggen waar ze heen moesten
  • Het sportieve oudere stel wat waarschijnlijk met de camper op vakantie was en nu een tochtje maakte op de elektrische vouwfietsjes, natuurlijk ook weer op volle snelheid, langs ons. Gelukkig wel in stijl in dezelfde vrijetijdskleding.
  • De vader met 2 kinderen in een tweewier- bakfiets, die de zaterdag een beetje leuk wou besteden (die vader, niet de bakfiets) en voor de grap flink ging slingeren
  • Een man en een vrouw in strakke sportkleding op bizare stepdingen, kruising tussen segway, step en spacescooter, die ook moesten inhalen.
  • Een hele groep kampgangers met veiligheidshesjes, waarvan alle 30 deelnemers stuk voor stuk de waarschuwing van de groepsleider “TEGENLIGGERS” herhaalden, op flink volume om nog boven de muziek uit te komen die ook mee was
  • De mountainbikers die helemaal niet waarschuwden maar ineens zowel links als rechts me passeerden, mij in een walm van een zweetcocktail achterlatend
  • De meisjes met bontkraagjes, ondanks het zomerweer, op hun elektrische scootertjes die ook liever mij van het pad reden dan zelf even achter elkaar te gaan rijden
  • De mevrouw die langzaam fietste omdat haar vriendin achtergebleven was, met een rugzak aan het stuur waarvan een losse band gevaarlijk bij het wiel wapperde. Ik waarschuwde haar even omdat pas geleden een van mijn kinderen een rotklap had gemaakt doordat de band in het wiel verstrikt raakte. “O dank u”, zei ze en ze stopte. Een moment later passeerde ze me weer, rugzak met 1 band op 1 opgetrokken schouder, het zag er erg oncomfortabel uit. Ik dacht nog: het voordeel van een rugzak is dat je die op je rug kunt dragen….. Maar als zij scheef op de fiets wilde gaan zitten met opgetrokken schouder zodat die tas niet afgleed….. Ze mocht het uitzoeken van mij.
  • Het mannetje op de snorfiets met zijn vrouw achterop, ze leken zo zijn weggereden uit een komische film

En vrijwel iedereen wilde dus harder dan wij. Waarom? Echt waarom heeft iedereen zo’n haast?
Wij fietsten zo tussen de 13 en 15 km per uur. Dat is normaal dacht ik.
Nee, dat is ouderwets. Dat doen alleen mensen op mechanische fietsen die wat van het bos willen zien en daarbij ook nog een beetje gezond in beweging zijn.
Iedereen moet blijkbaar zo snel mogelijk van A naar B, zelfs als het een tochtje voor ontspanning is.
Ik heb een hekel aan de snelweg, al die drukte van het verkeer om me heen, teveel prikkels. Maar zo krijg ik ook een hekel aan een fietstochtje, zelfs in een mooie omgeving zonder tegenwind.
Teveel drukte van het verkeer, teveel prikkels. Alleen maar bezig om op het paadje te blijven, en geen ongelukken te krijgen. Samen fietsen was er nauwelijks bij, Bert heeft het grootste gedeelte van de ruim 30 km achter mij aan gefietst. Ik merkte op een gegeven moment dat ik verkrampt in het stuur zat te knijpen. Niet zo ontspannend dus.

‘Fietspad’ dekt allang de lading niet meer, behalve auto’s rijdt alles er op.

Ik voel me op deze manier een ouwe taart, die het gewone van vroeger wil behouden en daarvan genieten.
Maar dat klopt ook niet helemaal, want tegenwoordig zitten juist ouwe taarten op e-bikes met de accu op de hoogste stand.
Ik ben gewoon geen fietser, dat blijkt maar weer.

Jan Soldaat

We gaan op vakantie en we nemen mee….. van alles, maar geen jas want die zijn we vergeten. Allebei dus ook hè, toch een soort ANWB-stelletje.
Dat had wel invloed op de plannen van vandaag. We wilden gaan wandelen op Landgoed Boekensteyn, maar het miezerige weer zei: jongens jullie hebben geen jas, ga lekker iets binnen doen.
En dat deden we. Naar het Nationaal Militair Museum.
Ik had het idee dat we naar vliegtuigen en straaljagers en andere voertuigen gingen kijken, Bert zou z’n hart op kunnen halen.
Die dingen waren er inderdaad,maar nog zoveel meer! Ik had het echt zwaar onderschat en had ook niet gedacht dat ik het zelf zó boeiend zou vinden.


Vanaf de ochtendschemering der mensheid zijn volken al met elkaar in oorlog geraakt en helaas tot op de dag van vandaag.
Het museum registreert dat, zonder er een oordeel over uit te spreken.
En dat had ik nou eerlijk gezegd niet verwacht. Het was geen lofrede op het militaire aspect van de geschiedenis, puur een overzicht. En daarom raakte ik er veel meer in geïnteresseerd dan ik van te voren had gedacht.
Wat ik erg mooi vind daar, zijn de ‘kleine’ verhalen. Geen breed uitgemeten verslagen van grote veldslagen, maar individuen aan het woord. En in beeld.
Ik bekeek en beluisterde bijvoorbeeld het onderdeel: ‘Wat zou jij doen?’
Vier soldaten uit vier verschillende tijdperken vertelden iets over hun situatie en vroegen stuk voor stuk: wat moet ik doen, wat zou jij doen? Je kreeg als kijker/luisteraar twee keuzes. Tikte je jouw keuze aan, dan vertelde de soldaat de gevolgen daarvan.
En weet je? Je kon dus eigenlijk nooit de goede keuze maken. Ik werd er zo door aan het denken gezet, het is niet zo simpel als het mij soms lijkt. Ik kan wel roepen dat ik pacifist ben, maar wat doe ik als mijn geliefden bedreigd worden?
Het voert veel te ver om hier een hele verhandeling over te gaan schrijven, maar ik was echt onder de indruk.

Er waren ook foto’s, heel veel foto’s. Van mensen, meest mannen en jongens. Groepen mannen en jongens, die soldaat waren in hun tijd. Talloze gezichten keken in de camera en ik dacht: stel nou eens dat ik mijn vader herken op een foto. Of mijn oom. Of tussen die groep langharige dienstplichtigen mijn broer. Hoe gaaf zou dat zijn! Dit waren immers allemaal vaders en ooms en broers.
Jan Soldaat is die gewone man, die jongen. En dat maakte het meeste van alles indruk op mij.
Ook die Jan Soldaat waar geen foto’s van zijn omdat de camera nog niet bestond. Maar van wie zijn leren harnas is bewaard gebleven. Of zijn maliënkolder.

Er werden ook wat hiaten in mijn geschiedeniskennis opgevuld. Natuurlijk had ik geleerd over de Hollandse Waterlinie en het steeds terugkerende succes daarvan. Toch zijn de Nederlandse strijdkrachten daar op den duur mee opgehouden. Waarom? Omdat er een luchtmacht ontstond. Vliegtuigen laten zich niet tegehouden door water. Zo logisch, maar ik had er nooit echt over nagedacht.
Waarom was de Tweede Wereldoorlog een wereldoorlog als het er vooral om ging dat Duitsland zijn naziregime in Europa manifesteerde? Waarom waren er Jappenkampen, wat had Pearl Harbour ermee te maken? Nu pas heb ik begrepen dat Japan en Duitsland een pact hadden gesloten. Op de een of andere manier heb ik altijd die link gemist.

Het grote materieel staat en hangt inderdaad ook in het museum. Vliegtuigen, bommenwerpers, straaljagers. En allerlei rollend materieel. Als laatste gingen we dat ook bekijken.


“Kijk” zei Bert “Mijn vader had ook zo’n tank”.
Je verwacht het niet. “Jouw vader had ook zo’n tank”, herhaalde ik.
Maar Bert was bloedserieus. Hij legde uit dat er na de oorlog allerlei materieel van de Amerikanen en Canadezen was achtergebleven. Dat werd van wapens ontdaan en weer verhandeld.
Dus het is echt waar, mijn schoonvader had vroeger een tank. Gekocht bij de Fa. Van der Stoel in Usquert.
Er kwam een kraan met grijper op om suikerbieten te laden. En pa de Vries had een loonbedrijf, dus die crosste met zijn little tank over het Grunneger laand.
Bij aankoop waren de versnellingen geblokkeerd om de snelheid te beperken, maar pa haalde die blokkade er weer af en jakkerde op rupsbanden met 80 km per uur van akker naar akker.

Zoiets als dat verhandelen van achtergebleven materieel, daar had ik ook werkelijk nog nooit over nagedacht. We leren altijd de grote lijnen van de geschiedenis. Maar vaak is dat heel afstandelijk, terwijl we er zelf toch ook een onderdeel van zijn.
Wie weet bijvoorbeeld wat het vergeten van onze jas later nog blijkt te hebben betekend.
Meer hierover in een later blog. Dan vertel ik ook over de helikopter van mijn moeder.
O nee, dat is niet waar. Ik ben gewoon een beetje jaloers denk ik.


Commentaarrrrr

Jaren geleden schreef ik in een blog dat ik liever Olav Mol hoorde dan Allard Kalff (Racen )
Jongens, ik kom daar op terug.
Hij becommentarieert tegenwoordig iedere F1- wedstrijd en ik trek nogal eens mijn wenkbrauwen op.

Niet dat ik de wedstrijd helemaal aan het volgen ben, maar Bert kijkt natuurlijk en ik krijg er veel van mee. (Wat op zich ook wel weer leuk is want de jongetjes die hier komen die fan van F1 en vooral natuurlijk van Max Verstappen zijn, vinden het best leuk als ik met ze mee kan praten als ze ‘smaandags hier komen, maar dat terzijde)
Verder geloof ik het allemaal wel, ik zit dan heerlijk iets voor mezelf te doen ondertussen. Maar Olav wauwelt zo doordringend dat ik ofwel geïrriteerd ofwel geamuseerd raak, dat ligt aan mijn stemming. De man is werkelijk niet te stoppen. Hij lult maar door en dan vooral met heel veel langerekte keel-rrrrrrr’s. Het is een soort tic misschien maar ik vind dat echt superrrrrrrrr irritant.
Ok, het zij zo, ik moet het ermee doen. Ik heb er al eens over gedacht om een bingo-kaart samen stellen, de Olav Mol Bingo.
Wat er in ieder geval op moet is dan die rrrrr, maar ook de uitdrukking: “Met twee vingers in de neus”.
Wat bedoelt hij daar nou mee! Dat het gemakkelijk gaat ofzo? Mij lijkt het knap lastig om met een snelheid van ruim 300 km per uur in de F1- auto, met je integraalhelm op, twee vingers in je neus te steken. En ook nog eens volkomen overbodig. Riskant zelfs! Maar echt, iedere zondag komt het minstens 1x voorrrrrrrrbij.
Hij geeft ook zo veel informatie! “Dit is misschien wel een gevolg van de oorzaak”, zei hij zojuist. Ik was perplex. Dit verklaarde alles wat ik me had afgevraagd.
“Hij gaat uitaccelereren” moet ook op de bingokaart. Volgens mij moet je gewoon accelereren. Dit klinkt als kantoortaal, maar dan in de sport.
Ondertussen zat ik te haken, ik volg een telpatroon. En raakte in de war van Olav: “Het is 1.09, 1.09, 1.09, 1.09, 1.09!” Ja we snappen het Olav, het is 1.09. Ik was allang blij dat er geen rrrrrr in het woord zat.
“Tik ze maar af bovenaan jongens!” riep hij. Werkelijk geen flauw idee wat hij bedoelde dus ik heb niks getikt.
“Oooo, kijk! Wat u niet wilt dat u gebeurt, doe dat ook een ander niet!”
“Geschiedt” zei ik hardop. “Huh, wat?” vroeg Bert.
“Wat u niet wilt dat u geschiedt! Anders rijmt het niet”, legde ik uit. Alsof Olav dat kon horen.

Laatste ronde.
“En daar komt Max Verstap… BENG! KEDENG!” Ik keek verschrikt op. Was hij nou toch nog op de valreep gecrasht? O nee, hij had juist gewonnen. Het was een vreugde uiting. Ok, dat kan.
Tuurlijk vind ik het leuk als Max wint en voorrrrrrral ook voor het orrrrrrranje publiek daar op de tribune, wat speciaal naar Oostenrijk is gekomen. Er bestaat tenslotte nog meer dan voetbal.
Er kwam nog een interviewtje met Mex Versteppen, gelukkig even door iemand anders dan Olav.
Maar die was ondertussen onvermoeibaar aan het doorblaten en presteerde het om te zeggen dat het nu tijd was voor de “ceremoniatiële dingen op het podium die erbij horen” .
De spellingscontrole heeft het moeilijk hoor, nu ik dat woord typ.
Ik kreeg het bekende trieste gevoel toen ik de inhoud van 3 magnumflessen champagne zag verstuiven, na het geschud van de heren op het podium.
Nog steeds niet vervangen door spuitwater. Jammerrrrrrrrr

Foto: motorsport.com



Simpel

Zelfkennis: ik ben best intelligent maar mijn gevoel voor humor is bedroevend simpel.
Wil je me aan het lachen maken, struikel dan of verspreek je, succes verzekerd.
Ik ben zo iemand die het mopje “ Het is groen en het zit op een hekje….. Verf” vreselijk grappig vindt en helaas iedere keer opnieuw ook nog.


Vroeger kwam ik al niet meer bij om Doc, een van de 7 dwergen van Sneeuwwitje, die alle woorden door elkaar haalde. “Welkom Hoge Uwheid, Stajemeit!” etcetera. En met de loop der jaren is wel de ouderdom maar niet de wijsheid gekomen want ik ben nog net zo simpel.

Het is soms een beetje genant als ik moet lachen, want dan kan ik niet meer stoppen. Mijn kinderen fluisterden in de bioscoop wel eens dringend “Maham!” als ik in scene 7 nog steeds zat te gieren om een grapje in scène 2.
Of iemand doet iets geks of verspreekt zich en ik kan nooit meer ophouden met lachen.

Dat ik inmiddels al 17 jaar met Bert samen ben is niet mijn verdienste. Op de eerste date notabene, moest ik wel zo hard en vooral veel te lang lachen omdat hij in zijn ijswafel beet, die omklapte en als een masker zijn halve gezicht bedekte (nu zouden we zeggen: een soort mondkapje van koek) dat ik dacht dat hij ontzettend op mij zou afknappen. En ik had het hem niet eens kwalijk kunnen nemen.
Het is echt erg, onderweg in de auto naar huis zat ik er weer om te gieren en thuis vertellen ging al helemaal niet.

Versprekingen vind ik ook erg leuk. Dochter vertelde van de week dat ze in het pannenkoekenhuis ging bestellen, ze had een appel-spek pannenkoek gekozen.
“En ik wil graag een spekkel” zei ze tegen de serveerster. Goed dat ik er niet bij was, want ik had onder tafel gelegen.
Het hoogtepunt der versprekingen is voor mij wel eentje die al 40 (!) jaar geleden gemaakt werd. Ik zat met een paar anderen in de feest/activiteiten-commissie van ons muziekkorps en we zouden een fietspuzzeltocht uitzetten. Ik maakte de vragen en R. de route. Ik vroeg: “Gaat er nog een stukje door het bos? “
“Trajie drel”, antwoordde R. Ik verslikte me in mijn koffie en had minstens een half uur nodig voordat ik kon vragen wat hij bedoelde. En zelfs die vraag kon ik alleen nog maar piepend uitbrengen. Ik moest bijna gereanimeerd worden.
“Traject drie wel” had het moeten zijn. Nu ik dit vertel heb ik alweer lachtranen in mijn ogen. De arme R. voelde zich nogal ongemakkelijk door mijn buitenproportionele lachbui maar ik kan het niet helpen, zo gaat dat bij mij.
Maar zelf verspreek ik me ook hoor. En daar moet ik net zo dom om lachen als om die van een ander. Toen ik wilde vertellen dat ik naar The Planets Funniest Animals ging kijken, maar het had over The Funniest Planimals vond ik dat nog leuker dan het hele programma.
Het helpt ook wel eens als ik geïrriteerd of kwaad ben. Een verspreking relativeert het ineens en dan is het niet zo zwaar meer.
“Hou nou eens op!” riep ik zojuist naar de hond, die de halve ochtend al knoertvervelend liep te doen in de tuin, terwijl ik zo lekker op mijn stoeltje wilde handwerken. “Ik wil meer dan drie haken kunnen steken voordat ik weer achter jou aan moet!” Het effect van mijn bozigheid ging direct helemaal verloren , ik schoot zelf in de lach en hond was blij.

Dat ik moet lachen om struikelpartijen is niet bijzonder, gezien de jarenlange reeks van Lachen om Homevideo’s en aanverwante programma’s. Heel veel mensen vinden dat leuk. Het is natuurlijk helemaal niet grappig als iemand zich pijn doet, het is puur de gekkigheid van de bewegingen. Slapstick.
Maar ook genant. Ik herinner me dat mijn vriendin me vroeger een keer wegsleurde omdat een man op het station zo’n haast had dat hij van de trap afviel, zijn aktentas vrolijk zelfstandig mee de trap afhuppelde en beneden nog een stukje doorschoof. Het was zeer onbeschoft van mij om onbedaarlijk in de lach te schieten maar ik kan het echt niet helpen.
De man stond overigens weer op, het is niet zo dat ik hem had laten liggen als het fout afgelopen was. Ik ben niet ongevoelig. Ik lach ook niemand uit.
Ik lach puur om de situatie.

En om mopjes die eigenlijk te dom zijn voor woorden.

Er springt een kikker van een flat. Kwak.



Niemand

Er was eens een niemand. Hij was de enige in zijn soort, daarom werd hij ook door iedereen gewoon ‘niemand’ genoemd. Geen mens kende hem persoonlijk of wist hoe hij er uit zag en toch speelde hij een rol in ieders leven. En meestal was de situatie waarin hij erbij gehaald werd niet positief.
Zo was er een vrouw, die zich heel eenzaam voelde. Ze zat somber in haar stoel en klaagde, omdat niemand op bezoek kwam.
Een kind had met een bal in de kamer gespeeld en keek bang naar zijn moeder. “Wie heeft mijn mooie, dure vaas gebroken?” vroeg ze. “Niemand”, antwoordde het kind.
Er stonden familieleden rond het sterfbed van een oude man. Ze waren te laat gekomen en ze zeiden tegen elkaar dat niemand hier iets aan had kunnen doen.

Niemand merkte dat hij steeds vaker genoemd werd, in het hele land.
Steeds meer mensen begonnen hun eigen verantwoordelijkheid af te schuiven, ze vonden het gemakkelijker om niemand er voor op te laten draaien.

Bij een dorpje aan de oever van een groot meer werd een fabriek gebouwd. Na een poosje stierven de vissen en begon het water te stinken.
“Jullie lozen vervuild water!”, riepen de inwoners van het dorpje beschuldigend.
“Nee, dat doet niemand”, verdedigden de directeuren van de fabriek zich.
In de laatste stukjes ongebruikte natuur verrezen energiecentrales met nieuwe technieken. Ineens kregen mensen gezondheidsklachten en ze wezen naar de ingenieurs.
“Niemand weet dat”, reageerden die op de vraag of het allemaal wel veilig was.
In de grote stad raakten gezinnen in financiële problemen, omdat er fouten waren gemaakt in het belastingstelsel. De mensen vroegen naar de regels voor uitbetaling en de ambtenaren antwoordden : “Daar houdt niemand zich aan”.
Toen het hele land werd getroffen door een mysterieus virus werd er in aller ijl een medicijn ontwikkeld.
“Niemand heeft er voordeel van”, zeiden de farmaceuten die de torenhoge prijs bepaalden.

Op deze manier ging het niet goed met het land, alleen niemand leek het te zien.
Heel soms kwam er toch een waarschuwing, van een journalist, een dokter, een dominee, maar tevergeefs.
Niemand maakte zich grote zorgen, omdat de mensen niet wilde luisteren. Ze gingen gewoon door met waar ze mee bezig waren.

Op een gegeven moment leek het tij dan toch te keren. Een groep mensen verzamelde zich op een plein in de hoofdstad. Ze hadden spandoeken bij zich en schreeuwden leuzen: “Wij luisteren naar niemand!”
Ze dachten het verschil te gaan maken, maar in plaats daarvan kregen zij onderlinge meningsverschillen. Ze vonden namelijk allemaal op een andere manier dat ze niemand moesten volgen. En zo werd er niets bereikt en de groep viel uit elkaar.

Niemand had er verdriet om dat de inwoners van het land verkeerde beslissingen maakten, de mensen wilden het zelf niet zien. Ze vonden het wel zo prettig om niemand verantwoordelijk te houden voor alles wat niet goed was. En het duurde niet lang of andere landen gingen hun voorbeeld volgen. Ze zeiden dat niemand de regenwouden kapte, niemand schuldig was aan armoede en honger, niemand discrimineerde en niemand wapens verhandelde.
De schuld lag bij niemand, daar was iedereen het over eens. Het ging van kwaad tot erger.

En toen niemand uiteindelijk ingreep was het voor de mensheid inmiddels te laat.
Niemand leefde nog lang en gelukkig.

Slingeraar

Door het voortdurende geblaat van Baudet de afgelopen tijd zit ik steeds met het liedje van ‘Thierry de Slingeraar’ in mijn hoofd. Althans, met de variant daarop die we vroeger zongen.

Thierry la Fronde was een serie over een soort Robin Hood, maar dan in Frankrijk.
De pech was dat het op zondagavond uitgezonden werd en dan werd er bij ons thuis geen tv gekeken. De enige uitzondering hierop is de serie Floris geweest en tot op de dag van vandaag weet ik niet voor 100% zeker waarom Floris die speciale positie had. Ik denk toch eigenlijk omdat mijn vader het stiekem zelf zo’n leuke serie vond. Catweazle en Thierry de Slingeraar waren ook leuk, maar die kwamen niet aan in huize van Bloois.
Dat ik er toch wat van heb gezien komt omdat ik wel eens bij mijn vriendinnetje bleef eten op zondagavond of bij de buren was.
En zo kon ik toch wel eens een beetje meepraten op school ’s maandags. En meeblèren met het liedje:


Ik ben Thierry de Slingeraar,
Ik slinger de hele school in elkaar
Behalve mijn meisje ehehen ikzelf

Deze fraaie tekst is beslist niet de officiële, maar ik denk nu zelfs dat er eigenlijk helemaal geen tekst was! Ik kan echt niks vinden op YouTube en op Internet. Het intro van de serie is instrumentaal en volgens mij hebben we er dus zelf maar een tekst op verzonnen!
Weten jullie dat misschien, lezers van mijn generatie?

Floris was een leuke man om naar te kijken, blond en knap. Ja, ook kleine meisjes kunnen dromen hoor.
Rutger Hauer bleef acteren dus die zag ik, tegelijk met mezelf, steeds ouder worden. En eerlijk gezegd hield ik al heel gauw op met dromen, want ik was al snel niet meer zo van hem gecharmeerd.
Thierry was ook leuk om naar te kijken, donker en knap.

Maar die ben ik gewoon helemaal vergeten. En omdat het liedje maar steeds in mijn hoofd zat, was ik eigenlijk best benieuwd hoe die acteur er nu uit zou zien. Hij heet Jean-Claude Drouot, gelukkig mag ik het typen en hoef ik het niet proberen uit te spreken.
Jeetje die man heeft een karakterkop gekregen!

Dat vind ik nou echt mooi. Iemand die in z’n jonge jaren echt een stuk was (is vast nu een ouderwetse uitdrukking), waar menig meisje een poster van boven haar bed had hangen, en die nu zo’n doorleefd gezicht heeft dat het ook weer heel mooi is.
Ik heb de man totaal niet gevolgd, zoals gezegd: ik was hem helemaal vergeten.
Hij acteert nog steeds, vertelt IMDB, maar er zijn weinig tot geen Franse films en series hier op tv.

Maar toch heeft hij zich voor mij onsterfelijk gemaakt. Met een liedje wat niet eens bestaat.

Koekje van eigen deeg

Volgens mij heb ik hier nog niet verteld dat ik een KitchenAid gekregen heb. Ik was daarvoor aan het sparen maar tot mijn grote verrassing kreeg ik hem pas geleden van mijn man!
Ik was nooit zo’n bakker maar de laatste tijd ging ik het steeds leuker vinden en werden mijn baksels ook steeds beter, vandaar dat ik graag die machine wilde hebben.
Hij staat als hij niet aan het werk is te pronken op het aanrecht en ik ben er superblij mee.
En ik bak vrijdags of zaterdags wat lekkers. Wat was ik trots op wat er steeds uit de oven kwam, ik ging er bijna van naast mijn schoenen lopen.


En dan komt het moment dat je ontzettend de mist in gaat en je je plaats weer weet. Vandaag dus.
Ik ging namelijk sprits bakken! Op de voorkant van mijn bakboek uit 1983 (ik typte per ongeluk eerst 1893 maar zo oud is het nou ook weer niet) staat een mooie glazen stolp met goudgele sprits.
Ik heb dan niet zo’n glazen koekschaal maar die sprits die zou er komen. Het recept was namelijk heel niet moeilijk.


Ik deed precies wat er stond, de KitchenAid mixte een fluwelig deeg, ik deed het over in een spuitzak met een handigheidje zoals ik Rudolph van Veen had zien doen en was enorm in mijn nopjes met mezelf. Het opspuiten van het deeg op de bakplaat was niet geheel gelijkmatig maar ik vond dat ik het best goed gedaan had.


In gedachten zag ik Janny van Heel Holland Bakt al een goedkeurende blik van verstandhouding geven aan Robèrt.
Ik schoof de bakplaat in de oven, zette de kookwekker en ruimde de spullen op. Toen ging ik, net als op tv, voor de oven zitten kijken.

Maar ach, ik deed blijkbaar aan een heel ander programma mee: Heel Holland Kwakt.
“De signatuuropdracht van vandaag heeft het thema ‘film’. De jury denkt dat Annelies heeft gekozen voor een mix tussen ‘Flubber”en ‘the Mummy’, maar het blijkt een poging te zijn voor ‘The Blob’ en het is een niet onverdienstelijk resultaat’


Ik zat op mijn krukje voor de oven te gieren. De 2 rijen deeg kropen steeds verder naar elkaar toe tot ze contact maakten.

Misschien kreeg ik zo nog kleine spritsjes? Het zag er allemaal erg onsmakelijk uit en ik moest zo verschrikkelijk lachen dat ik het maar ternauwernood droog hield en zelfs een pufje nodig had (ik ben astmatisch)
Toen de kookwekker ging, haalde ik de bakplaat uit de oven. Het rook wel erg lekker trouwens.


Maar ik vond wel dat mijn boek een langere ondertitel had moeten hebben: “Wat u zelf bakt smaakt het lekkerst, maar ziet er niet uit”
Ik ging even mijn Meesterbakker Irene op de hoogte brengen. Die zei, toen ze uitgelachen was: “Heb je het deeg wel lang genoeg gewreven?” “Eh…..” Ik was even stil. Deeg gewreven? Gewreven? Hoe dan? En waarom?
“Nee, dat staat heel niet in het recept en ik weet niet eens hoe je dat doet”
Ze stuurde me gelijk een link van een ander sprits-recept waarin dus inderdaad staat dat je het deeg moet wrijven. En eerst met de hand moet mengen. Dat je daar dus helemaal geen KitchenAid voor nodig hebt! Daar heb je het al, een heel verkeerde keuze, die spritsen.


Ik sneed mijn koekplaat in stukken en liet ze afkoelen. En toen was het tijd om te proeven.
Janny: “De smaak is goed, de structuur is bros. Maar het uiterlijk valt me wat tegen”
Ja Janny, mij ook. Wrijf het me nog maar even in! Het is gewoon een misbaksel.

Ik mag de tent verlaten.

Vieze woorden

Aan Engelse woorden ontkomen we niet meer. Ik betrap mezelf er op dat ik ze ook vaker gebruik dan vroeger. Zal ongetwijfeld door TV en Internet komen. En ‘taal is beweging’ zeggen ze. (Nee ik ga me er nu niet in verdiepen wie ‘ze’ zijn)

Toch hou ik heel erg van het Nederlands, volgens mij is onze taal nog steeds toereikend genoeg om duidelijk te maken wat je wilt, wat je voelt en om bijvoorbeeld sfeer te beschrijven. En ben ik voor sommigen een irritante taalpurist (al heb ik het opgegeven om me als zodanig te profileren want je kan er donder op zeggen dat je ruzie krijgt, omdat een puur technisch gegeven wordt gezien als persoonlijke aanval) Maar soms vraag ik me wel eens af of Nederlands wel bestaat. Ik bedoel: het is überhaupt al een mix van talen (deze zin dus) en voor bijvoorbeeld leestekens zijn er niet eens Nederlandse namen! Een punt ja. Maar accent-grave en accent-aigu en accent-circonflex? Vertel mij maar wat daar Nederlands aan is. En dat hebben we ook al honderden jaren geaccepteerd dus ik ga me er niet druk over maken.
Toch vind ik het vreemd om op de Facebookpagina van Noorderland te lezen: ‘Check online waar de stinzenplanten bloeien’. Oud Nederlands en nieuw Engels gecombineerd in één zin. (Nu ik dit typ, zie ik trouwens dat Facebookpagina ook al een gecombineerd woord is )


Waar ik echt om moet lachen, zijn reclame- en/of producttermen waarin Engels en Nederlands gecombineerd worden. Het moet trendy (Engels woord!) maar ook Nederlands en dan krijg je bijvoorbeeld dit: De Garden Gourmet Sensational Braadworst!
Ik bedenk het niet zelf, het bestaat!


Weet je wat ik ook erg grappig vind? Nederlandse mensen die Engelse productnamen of programma’s aankondigen. Nederlandse tekst en een paar Engelse woorden met een dik Nederlands accent.
Dus moet ik lachen als er op TV een reclame is voor Elvive No Kut Herkriem of de aankondiging ”Alleen te zien op Diskofferie Plas”
Kinderachtig hè? Stiekem nog om vieze woorden grinniken. Grow up!



Je bent een rund als je met sprookjes stunt

Marketingbureau, vrijdagmiddag 15.53 u. “O ja, Henk, had jij nog aan die opdracht van die supermarktketen gedacht? Om die te kleine appeltjes een beetje leuk te kunnen verkopen?”
Henk roept: “Ja ik ben er mee bezig” en denkt: sh** helemaal vergeten! Maar ik wil wel om 4 uur stoppen, het is vrijdag en ik heb zin in een biertje.
“Maandagochtend 10 uur willen ze het hebben ok?”
“Geen probleem!” Henk denkt koortsachtig na. Wie wil er nou vredesnaam te kleine appeltjes kopen? Ouders! Voor kinderen! Ja dat is het, twee vliegen in één klap, we geven het een gezond imago, dan kan de supermarkt er direct anderhalf keer zoveel geld voor vragen. Wij een succes, zij een succes, win-win situatie.
Bier!

Maandagochtend 9.45 u. . Henk neemt z’n vierde kop koffie en graaft in zijn geheugen naar zijn appeltjesidee. O ja, voor kinderen, dat was het.
Wat vinden kinderen leuk? Disney. Sprookjes. Zie je wel, het is helemaal niet zo moeilijk.
Bestond er niet een sprookje over appels? Even googlen. ‘Sprookje met appel’…Sneeuwwitje! Daar heb ik nog wel een leuk plaatje van, copy, paste, done! 9.59u. : Verstuurd.

Supermarktketenbaas: Och wat leuk en aantrekkelijk zo, goed gedaan!
We plaatsen gelijk een grote order bij de plastic zakken fabriek. Dit gaat verkopen.

Klant loopt door de winkel, ziet de kinderappeltjes. Klant kent haar klassiekers en trekt de wenkbrauwen op.
Heeft dan niemand in deze productielijn het besef gehad dat Sneeuwwitje heel wat ellende heeft beleefd door die appel? Dat ze er aan dood ging en niet zo’n beetje ook? Dat dit dus de grootste anti-reclame is voor appeltjes die je maar kan bedenken?

Deze supermarkt heeft al niet zo’n best imago (wat ik over het algemeen niet terecht vind) maar dit krikt het nou niet echt op, zeg. Wat een dom gedoe.

Hartverwarmend koud

Het weer is veranderd en ineens lijkt alles een beetje leuker.
De zon schijnt, het ziet er buiten mooi uit met sneeuw en ijs, je ziet veel meer mensen en iedereen is vrolijker. Inclusief ikzelf. Ik kan de humor weer van dingen inzien, onze geestdodende sleur is onderbroken.
Zo ga ik de konijnen voeren en grinnik omdat mijn handschoenen direct aan de deur van de ren vastvriezen bij iedere beweging en ik me letterlijk los moet scheuren.
Heb ik plezier omdat die beestjes gezellig buiten zitten te genieten in het zonnetje, in plaats van verscholen voor het slechte en grauwe weer.
Wil ik met brute kracht het steelpannetje waar de kippen uit drinken lostrekken van de grond maar val achterover met alleen het steeltje in mijn handen. Ik lach in mijn eentje om de stompzinnigheid, terwijl 8 zwarte kraaloogjes naar me kijken en ik zachtjes “pòòòk” hoor. Ik stel me zo voor dat de dames strakjes als ik weg ben het eens uitgebreid over me gaan hebben.
Ik breng de voerschepjes weer terug in de schuur, wat niet meevalt want de bijkeuken staat bomvol met kinderwagen, wasmand, en een veel te volle oud-papier doos en daar moet ik eerst langs. En als ik dan zie dat ik een wikkel van haakgaren om mijn voet mee naar binnen stap vind ik dat ook weer grappig. Ringsteken voor beginners.


Bert is gaan schaatsen, eindelijk op natuurijs! Helaas wel gevallen, op zijn ribben. Daarom durft hij, inmiddels weer thuis, niet te niezen en klinken er idiote geluiden naast me, waar ik harteloos om ga zitten lachen.


Lenny heeft een sneeuwklontje tussen zijn voetkussentjes en piept en jankt alsof zijn poot geamputeerd wordt. Tuurlijk doet dat zeer, maar hij is ook wel een dramaqueen. Hij weigert nog een stap te zetten, maar ik mag er ook niet aankomen. En we zijn nog lang niet thuis. Dus hijs ik hem in mijn armen, (het is ook echt zo’n heerlijk formaat hond om te dragen) en sjouw met hem door de straat. Normaal haat hij het om opgepakt te worden, nu word ik overladen met onfrisse hondenkusjes tot op mijn bril aan toe. Ik moet lachen om het idiote van de situatie. Hij kalmeert ervan, ik zet hem neer en mag dan uiteindelijk het boosdoenertje verwijderen. Hij leert er wel van, want in de volgende dagen gebeurt het vaker en dan staat hij stil, tilt de zere voet op en kijkt mij aan. Zo zie ik het liever dan dat hij in de paniek schiet natuurlijk.


Mijn kaboutertje bij de voordeur was ingesneeuwd, er kwam alleen nog een puntmutsje een tevoorschijn boven de sneeuw. Dramatisch, dus ook weer grappig.

Dat ik deze kleine dingetjes grappig vind, geeft me moed. Het hoort bij mij dat ik plezier kan hebben in onbenulligheden en ik ben blij dat ik het terug heb.
En ook weer zin om verder te kijken. Dingen te maken en te verzinnen.
Ik zit in mijn vensterbank te mijmeren. Met thee, in de nieuwe beker die ik als verrassing deze week van mijn kinderen kreeg, met zelfs nog een hoop extra’s erbij. Ook iets om dankbaar en blij voor te zijn.
Ik zit in de zon achter het raam en zie vreemde sporen in de sneeuw onder de tuintafel. Wie zal daar gelopen hebben?

In mijn hoofd vormt zich een verhaaltje over een ijskonijn.
En ik ben blij dat ik mezelf weer word.



.