The Empire strikes back

Trouwe lezers weten dat ik wel van tuinieren hou. Niet het spic-en-span gebeuren, maar het in toom houden van al te wilde groeisels en ondertussen me verwonderen over de ontelbare levensvormen en vormpjes in het kleine eco-stelsel van onze tuin.
Door mijn voorkeuren is de grens tussen wild en verwilderd soms wat vaag, maar ik heb toch echt het liefst een tuin waarin veel natuur te zien is, zowel in flora als in fauna. 

Nu ik de kinderopvang niet meer heb, kan ik ook mijn zoon vaker helpen met zijn tuin. Hij woont in een hoekhuis met aan 3 kanten tuin en het is erg veel om in je eentje te onderhouden. Helemaal als je zo in elkaar zit, dat je meer energie verbruikt dan de gemiddelde mens, om je dagelijks leven op orde te houden.

Gister was ik er ook weer en ging in de voortuin aan het werk.
Zoals gezegd, het is een hoekhuis en aan de andere kant van de straat is een grote berm met daarachter weilanden.
Waar een berm ongerept en prachtig is als er grashalmen, boterbloemen en paardenbloemen groeien, zo waardevol voor insecten en vogels, is het bij de tuin die er 10 meter vanaf ligt ineens armoedig en onverzorgd en niet sociaal geaccepteerd.
Wat dat betreft zit de mensheid maar vreemd in elkaar vind ik. Iedereen is het erover eens dat insecten van levensbelang zijn voor de wereld, en gooit vervolgens zijn bestraatte tuin vol met azijn, om op die manier het enige wat er nog kan groeien, ook tegen te gaan.  Dat je daarmee de grond compleet vergiftigd met zuur en dus ook al die van levensbelang zijnde insecten, dat is blijkbaar dan ineens niet erg. Er zijn nauwelijks nog tuinen met bomen of grote struiken, dus ook geen vogeltjes. Die zouden trouwens toch niks te eten hebben want die insecten en zaaddragende plantjes zijn al dood door het azijnzuur. En dan wel een insectenhotel, een nestkastje en een vetbolletje aan de betonnen schutting hangen, want dat staat zo leuk en ecologisch betrokken.
Ok, ik heb mijn punt gemaakt en zal nu stoppen met afdwalen voordat dit blogje net zo zuur wordt als al die azijn.

Want o ja, ik ging in de tuin werken. Wat extra tuingereedschap en mijn knielbankje mee, op naar Drenthe. Meneer Zeikstra was ook mee. Lenny dus. Echt wat kan die hond zaniken. Dan mag hij daar in huis en in de achtertuin lekker rondstruinen, maar nee er moet gejammerd en geweeklaagd worden. Want ik ben in de voortuin en dat maakt hem de eenzaamste en meest verwaarloosde hond van het westelijk halfrond. Hij werd pas stil toen hij ook in de voortuin mocht, het maakt hem dan blijkbaar niet uit dat hij dan aan de lijn moet. Ik snap hem niet.
Die voortuin was overwoekerd door gras. Hetzelfde gras wat in de berm groeit, dat staat daar natuurlijk heerlijk zijn zaden weg te laten waaien en wrijft zich in de halmpjes dat het vermenigvuldigen zo goed lukt.
En nee, zeg nou alsjeblieft niet: het is een kwestie van bijhouden. Want zo ongecompliceerd is het niet.
Die voortuin is qua samenstelling een diepe ellende. Het is een hoekhuis. (dat heb je na 3x vertellen vast wel begrepen) En ik heb het idee dat toen de huizen gebouwd werden, de voortuin van het laatste huis (dit huis dus) is gebruikt als bouwput voor alle rommel die er overbleef. De grond zit namelijk helemaal, maar dan ook helemaal, vol met puin. Een eindeloze hoeveelheid steenresten. Dit is slechts een stukje oppervlak:

Er zijn serieus al een aantal spaden gesneuveld in de afgelopen jaren.
Graswortels zijn dun. En die kruipen tussen die stenen door, maar dat maakt ook dat ze zo ongeveer vastgemetseld zitten in de grond. En ze gaan zo diep! Volgens mij is het Australisch gras, dat zich vasthoudt aan zijn roots.
En het is natuurlijk groeizaam weer nu, alles ‘brult de grond uit’, om met mijn vader te spreken.
Daar kan geen ‘kwestie van bijhouden’ tegenop, echt niet. 

Dus ik ging werkelijk een gevecht aan. Stukje voor stukje probeerde ik de grond grasvrij te maken.
Er staan een paar leuke struiken: hibiscus, bonte kardinaalsmuts, oleander en brem. Ik prikte en harkte daar keurig omheen, was niet van plan om die planten in mijn strijd te betrekken. Toch voelde de hibiscus zich blijkbaar bedreigd en stak mij venijnig met z’n puntige takken. Ik zei hem daarmee op te houden. Toen ik tot bloedens toe 3x was aangevallen werd ik ook kwaad. Wie niet horen wil moet maar voelen, dus ik knipte onherroepelijk een paar takken af. Eigen schuld. Ik heb hem daarna ook niet meer vernomen.
Behalve gras groeiden er ook een paar planten Ridderzuring. Die hebben, net als paardenbloemen, een penwortel, dus die moet je uitsteken.

Maar goeie genade wat zijn deze penwortels achterlijk lang! Ik bleef maar verder graven en graven en het einde van de wortel kwam maar niet in zicht. Ik zat inmiddels zo diep dat ik verwachtte een veenlijk aan te treffen. Zag de krantenkoppen al voor me. “Vrouw doet belangrijke archeologische vondst en ziet hiermee droom in vervulling gaan” . Wie weet kon ik van het bedrag wat het Drents Museum zou bieden, een hovenier inhuren die de hele puinzooi in de voortuin af zou graven en er goede aarde voor in de plaats storten. 
Het budget hiervoor is namelijk niet aanwezig. Vroeger kon mijn zoon een beroep doen op Buurtsupport, die kwamen met serieus gereedschap in de tuin helpen voor een bescheiden vergoeding. Helaas is dit mooie initiatief, net als vele andere sociale voorzieningen,  wegbezuinigd door onze fantastische regering. Frustratie waar ik nu niks mee kon.
Behalve botvieren op de Ridderzuringpenwortel. Mooi woord voor galgje trouwens.
Ik trof geen veenlijk aan. Zelfs geen potscherven van het Trechterbekervolk. Alleen maar brokjes baksteen en brokjes dakpan en uiteindelijk een toch nog afgebroken wortel van de Ridderzuring. Dus het puntje zit nog steeds in de grond, volgende week zal er wel weer een klein riddertje blij zijn irritante hoofd boven de grond uitsteken. 

Er liep een meneer met een hond voorbij en Lenny vond het nodig om die de stuipen op het lijf te jagen door heel hard te gaan blaffen en vooruit te springen. De hond was echter niet onder de indruk. “Hij is doof”, legde de man uit. Hij begon een heel gesprek over honden en ik ging even netjes staan, vond het onfatsoenlijk om in de grond te blijven graven ondertussen.
Mijn blik dwaalde over de tuin, ik schoot toch al wel op, vond ik. “Nou, ik ga weer” zei de man. “Succes verder, u heeft nog genoeg te doen zie ik”. Altijd fijn als iemand je een hart onder de riem steekt.
Ik ploeterde nog een poosje door, tot zoon thuis kwam van het werk. Hij had een lekker biertje in huis gehaald en dat smaakte briljant na al het harde werken. Toen ik uit het raam keek zag ik wel degelijk een groot verschil met hoe het er ‘s ochtends had uitgezien. The Empire was nog niet helemaal overwonnen maar zijn ongewenste gelederen waren flink uitgedund.

‘s Avonds gingen zoon en ik samen naar de bioscoop, naar The Lost City. Geweldig leuke film.
Over een schrijfster die een belangrijke archeologische vondst doet.
Zie je wel? Dat kan heus wel!

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.