Categorie archief: Algemeen

Dus

Nou nou, wat een drukte op social media. Omdat een klein (echt klein!) groepje mensen geklaagd heeft over stereotiepen bij de Efteling.
Weet je waar ik over wil klagen? Over het feit dat dit onbenullige feit zo enorm opgeblazen wordt dat iedereen het erover heeft, er iets van wil vinden , of een zo grappig mogelijke respons wil geven.
En zo heeft het kleine groepje precies bereikt wat het wil:  Landelijke aandacht.
Nog even en de Verenigde Naties gaan zich ermee bemoeien.
Ik moet toch voor mezelf de link leggen naar zeurende kindertjes. Als het goed is ga je die ook geen extra aandacht geven. Ongewenst gedrag belonen zodat het wat oplevert? Dacht het niet, toch?
Ja, dat gebeurt nu dus wel.
En we zijn allemaal verontwaardigd, en hebben allemaal een mening en spelen zo het groepje actievoerders in de kaart.
Ik kan er, afgezien van dit blogje, geen energie in steken hoor.
Het gaat immers nergens over.
Net als dit verhaaltje, dus.
(en ik doe er dus ook geen plaatje bij)

Oma

De laatste tijd denk ik veel aan mijn oma. De moeder van mijn moeder, ze was al 72 toen ik geboren werd.
Dus in mijn ogen was mijn oma altijd al “heel oud”
Oma heette Antje. Ik ook, ik ben naar haar vernoemd.  Antje betekent ‘de lieflijke’ en dat gaf op sommige momenten in haar , en ook in mijn, leven de nodige hilariteit.  Oma was iemand die wist wat ze wou, en wat ze niet wou, en dat maakte ze kenbaar ook. En uiteraard niet altijd lieflijk, net zomin als ik dat doe. En als iemand dan ook nog eens op het verkeerde moment de nadruk legt op de betekenis van onze naam…. Vult u verder zelf maar in, haha.
Mijn opa overleed toen ik 2 jaar was, helaas heb ik geen herinneringen aan hem. Hij heette Laurens, ik ben ook naar hem vernoemd, Laurence.  Mijn zus is naar mijn andere oma vernoemd, mijn broer naar mijn andere opa, de ouders van mijn vader.  Dat ik de namen van beide ouders van mijn moeder kreeg, impliceerde al dat ik het laatste kind in ons gezin zou zijn, bedacht ik veel later.
In mijn herinneringen was in Leiderdorp dus alleen oma.  Ze woonde in een klein huisje, in de Dr van Rhijnstraat.  Het geboortehuis van mijn moeder, in een klein doodlopend  straatje, en alles was oud.
Een voorkamertje dat alleen gebruikt werd als ‘mooie kamer’,  een achterkamer met een tafel met stoelen eromheen.Een pluchen kleed op tafel, een kachel met een schouw waarop een tikkende pendule stond,  een houten kast met een kaststel erbovenop,  Perzische kleedjes op de houten vloer en een lamp boven de tafel.
Daarachter een keukentje, met een gasstel, een granieten aanrecht met een zwart/wit betegelde gootsteen, met daarboven een kraantje met een rubberen slangetje eraan. Er was alleen koud water, oma had geen geiser.  En het was tevens de enige kraan in het hele huis. Als er warm water nodig was, werd dat gekookt.
Ik ben vandaag nog in het openluchtmuseum in Warffum geweest, waar ik vergelijkbare kamertjes en keukentjes gezien heb.
Bij oma was, achter de keuken , nog een klein hokje met een toilet, die had wel een stortbak. Dat was ook werkelijk de enige luxe in het hele huisje.
Oma had geen koelkast, ze bewaarde haar spullen in de kelder en in de keukenkast.  Om de melk goed te houden kookte ze die keer op keer, zodat het op het laatst een gelige vloeistof was waarop een soort oogjes dreven, en door het koken verschenen er dikke vellen op.  Daar griezelde ik van. Maar verder vond ik het heel leuk dat alles zo ouderwets was.  De koffiemolen met de slinger, het tarwebrood  wat uit een doek gewikkeld werd als oma er zelf boterhammen van sneed, de klopper waar ik , op verjaardagen, slagroom mee mocht kloppen. Het duurde eindeloos om dat met de hand te doen, maar ik vond het leuk.
Mijn moeder vond het allemaal niet zo geweldig, ze gunde het haar moeder allemaal zoveel makkelijker en moderner! Als oma nou maar eens een geiser wilde, een douche, een wasmachine, een koelkast…Maar nee, niets van dat alles was nodig volgens oma, ze had het altijd zo gedaan en er was geen reden om met nieuwerwetse dingen te beginnen.
Als we bleven logeren, sliep ik met mijn zus in het houten ledikant wat mijn opa, die timmerman was, zelf gemaakt had. Er lag een gehaakte sprei op, door oma zelf gemaakt. Er stond zelfs een  porseleinen po onder, maar die gebruikten we niet. ‘sMorgens moesten we ons wassen bij het lampetstel, de waterkan was de avond tevoor al klaargezet. Ook in die tijd was dat al verschrikkelijk ouderwets, maar als kind voelde ik er een bepaalde romantiek bij.
Nu kan ik wel begrijpen dat mijn moeder die romantiek niet voelde, dat die zich ergerde dat we ons zo moesten behelpen.
Oma had grote teilen achter het huis, daar ving ze het regenwater in op. Dat gebruikte ze voor de was, altijd op de manier die ze als jong meisje al geleerd had, met het wasbord en de mangel.
Eigenlijk is het niet te geloven dat zij haar hele leven  vastgehouden heeft aan het leven zoals het in haar jonge jaren was.
Oma is heel lang zelfstandig blijven wonen, ze was al ver in de tachtig toen ze uiteindelijk naar een verzorgingshuis ging. En altijd heeft ze dus op diezelfde manier  geleefd, haar huishouden gedaan. Ik begrijp nu wel dat dat zorgelijk was voor mijn ouders, en voor haar andere kinderen. Maar ze wilde het zo, en ze leefde haar leven zoals zij dat wilde.
Je kan het eigenwijs noemen (en zo werd ze ook vaak genoemd!) , maar eigenlijk heb ik er nu bewondering voor.  Dat je zo jezelf kan zijn, wat je omgeving er ook van vindt, het is bijzonder.
Oma hield ook erg van breien en haken, ze heeft stapels spreien en kleedjes gehaakt in haar leven, en van alles gebreid.
Ik weet nog dat ik, toen ik 12 was, een vest van haar kreeg dat ze zelf gebreid had. En ik was stomverbaasd, want het was een heel leuk en modern vest, wat ik met veel plezier heb gedragen.  Oma en modern…. Dat paste heel niet bij elkaar, maar  ze was voor mij uit haar comfortzone gestapt.
Oma. Mijn oma. Ze was niet iemand die veel knuffelde. Maar wel altijd zo blij als ik kwam. Als ik haar een zoen gaf prikte ze.  Toen ik groot genoeg was om alleen met de trein naar haar toe te gaan, maakte het niet uit in welk jaargetijde ik kwam, ze  zei steevast: “Kind! Dat je helemaal hiernaartoe gekomen bent. En met dit weer!”   Alsof ik een reis naar Siberië  had ondernomen, in plaats van vanuit Hilversum naar Leiden met de trein en dan met de bus naar Leiderdorp.
En dan praatte ze altijd over vroeger, over toen mijn moeder nog klein was.
Oma is 91 geworden. En ze is zonder ziekbed op een nacht rustig heengegaan.
Ik was toen 18 jaar.  Toen ik, met mijn ouders, naar haar kamer ging in het verzorgingshuis, om haar te zien, zag ik een heel oude vrouw die haar leven geleefd had. Tot het einde aan toe. Er lag nog een halve appel omgekeerd  op een schoteltje, voor de volgende dag, er lag nog een breiwerk wat niet af was. Die twee dingen zijn me altijd bijgebleven , die hebben mij enorm ontroerd.
Twee stille kleine details van een leven dat voorbij was.
Ik was verdrietig maar ik had er ook vrede mee. Oma was oud en op een keer komt het afscheid.
Ik was blij dat ik nog zo lang een oma had mogen hebben.
Inmiddels zijn we 36 jaar  verder.  Er is zoveel gebeurd, mijn eigen moeder werd een heel oude oma en is er inmiddels ook niet meer.  En mijn oma werd iemand die vooral in mijn herinnering bestond.  Die wel eens ter sprake kwam bij mijn zus en mij als we het over handwerken hadden, die ik op foto’s zag die ik tegenkwam bij de nalatenschap van mijn moeder,  waar ik wel eens over vertelde tegen mijn eigen kinderen.

Een paar weken geleden was ik om een bepaalde reden, die er nu even niet zo toe doet, heel verdrietig.  Ik huilde en omdat er verder niemand in huis was voelde ik me heel erg alleen.
Het was echt ellendig.  En toen gebeurde er iets heel bijzonders.
Ik had echt al heel lang niet meer aan oma gedacht, maar ineens rook ik de eau-de –cologne die mijn oma altijd had.  Ik keek verwonderd op en zei: “oma?”  En op hetzelfde moment voelde ik dat ik niet meer alleen was. En ik voelde me getroost en rustig en hoefde niet meer te huilen.
Ik ben er van overtuigd dat oma even bij me is geweest, omdat ik het nodig had.
Wat een bijzondere ervaring was dat. Ik heb er over getwijfeld of ik dit zou opschrijven, zou vertellen.
Maar ik doe het wel, want het heeft me zo  blij gemaakt. En ieder mag ervan denken wat hij/zij wil, ik weet hoe het voelde.
En nu? Nu ben ik eigenlijk nog veel nieuwsgieriger geworden naar de persoon die mijn oma was.  Wie, wat, hoe ze was, ook voordat ik geboren werd.

Op internet heb ik de huwelijksakte van opa en oma gevonden:huwelijk opa en oma
En misschien kan ik nog meer te weten komen over de vrouw naar wie ik vernoemd ben.
De oma, die van mij hield en mij dat zelfs over de dood heen  heeft laten weten.

Lente (2)

Vorig jaar, eind maart, schreef ik het stukje Lente .
Het was toen koud en het stormde.
Maar blijkbaar kan het nog erger.  Dit jaar, eind april, is het nog veel kouder en we hebben om de haverklap hagelbuien.Om de hagelklap zou ik ook nog kunnen zeggen, want er zijn af en toe ook beste onweersknallen te horen. Vorige week ging het op een middag zo te keer, dat de ramen in de sponningen trilden. Kinderen en hond werden er zo onrustig en gespannen van dat ik ze op mijn meest rustige toon (terwijl ik zelf bang ben van onweer) moest zeggen dat er niks kon gebeuren.
Het heeft ondertussen ook nog gesneeuwd en we lopen nog steeds met truien, winterjassen en sjaals.
De pony’s die ieder voorjaar, hier vlakbij, in de wei lopen, zijn hoogdrachtig en normaal kijk ik uit naar de nieuwe veulentjes. Het is altijd weer een prachtig gezicht als zo’n heel pril diertje, nog maar een paar uur oud,  naast de moeder in het gras staat. Maar nu zeg ik, als ik langs de kudde loop, elke keer in gedachten:  blijf alsjeblieft nog even lekker warm bij mama zitten, kleintjes, word nog maar even niet geboren.
Het zal niet lang meer duren, er zijn pony’s bij die inmiddels even breed als lang zijn, maar ik hou mijn hart vast voor de veulentjes. Stel je toch eens voor dat je geboren wordt en direct wordt neergehageld in een ijzig koude wind……..Welkom in de wereld….

Afgelopen dagen is Irene gezellig hier geweest.
En in plaats van een glas rosé of Sangria in de tuin, hebben we een fles Glühwein geopend.
Het was heel knus hoor, daar niet van. Helaas hebben we geen open haard, anders hadden we daarbij gezeten.
Vandaag ben ik nog wel vrij, maar wel in m’n eentje thuis. Ik ging even ‘lekker’ met Lenny naar het bos. Helaas totaal verkeerd getimed. Vanmorgen scheen de zon, dat zag er prettig uit, blauwe plekken lucht tussen mooie witte wolken. Het was wel nog steeds heel koud (Bert moest alweeeer ruiten krabben vanmorgen) maar we zijn tegenwoordig al blij als we wat zonlicht zien.
Bij het Lauwersmeer is een hondenlosloopgebied, dus daar gingen we heen, Lenny en ik. Met de auto. Omdat hij in de achterbak levensgevaarlijke toeren uithaalt om maar vooral naar voren te kunnen komen, mag hij tegenwoordig voor de bijrijderstoel op de vloer liggen en dat gaat prima.
Het blije hoofd van hem als hij in de gaten krijgt waar we heen gaan is iedere keer weer iets waar ik zelf heel blij van word.
Het is voor hem een feest om daar rond te rennen, 1000 luchtjes op te snuiven en de allermooiste takken uit te zoeken.  Ik denk dat we ongeveer 100 meter gelopen hadden (ik althans, Lenny een veelvoud met z’n heen-en-weer gevlieg)  toen het begon te regenen. En daarna te hagelen. Ik was er wel op gekleed maar toch was het niet zo prettig. Lenny  veranderde van een mooie langharige hond in een slierterig mormel, maar het deerde hem niet zoveel. Dapper als ik ben liep ik gewoon wel een hele wandeling, ik was er nou toch.
Weer terug bij de parkeerplaats,  zag ik dat er nog een auto was verschenen, met iemand die niet zo dapper (of zo dom)  was als ik. De man had wel zijn hond eruit gelaten, maar zelf wachtte hij in de auto tot de bui over was. Hij had wel de autodeuren opengelaten.  Ik dacht dat Lenny met de andere  hond zou gaan spelen, maar in plaats daarvan liep hij om de auto van de meneer heen, stapte doodgemoedereerd naar binnen en ging met zijn kletsnatte stinklijf prinsheerlijk op de bijrijderstoel zitten.  De man had het niet eens zo gauw in de gaten, omdat hij op zijn eigen hond lette die in de buurt rondstruinde.  Ik kwam er roepend en gebarend  aanrennen en toen zag de man pas  wat er aan de hand was. Ik hield mijn hart vast, dacht dat hij pissig zou zijn, maar hij kreeg wel zo’n geweldige lachbui…… Pfew, gelukkig.   Ik heb me toch maar wel even veronschuldigd, terwijl ik ondertussen gauw Lenny de auto uitbonjourde, aanlijnde en in mijn eigen auto liet stappen.
De voorruit zag wit van de hagel, de binnenkant was beslagen, wij zaten er lekker in te dampen…. Leve de lente.
En ja hoor, op de terugweg werd het droog en kwam de zon weer voorzichtig tevoorschijn.
Maar het is nog steeds koud.  En ik ben nog vrij, dus ik heb net het laatste restje Glühwein opgemaakt.  Eens zal het toch wel Sangria-weer worden?

gluhwein

 

Grenzen

Een serieus stukje dit keer. Over iets wat me erg bezighoudt.  Al jaren, maar nu weer extra.
Door de dingen die er spelen momenteel.
De toestroom van vluchtelingen. De massa-aanranding in Keulen. De discussies die daar het gevolg van zijn.  De link die gelegd wordt tussen vluchtelingen en aanranders.  De berichtgeving die selectief is. Na het gebeuren in Keulen bleek dat er in augustus in Zweden iets gelijksoortigs is gebeurd. Onder de pet gehouden omdat men extreem rechts niet in de kaart wilde spelen, de groep die zegt : ‘grenzen dicht’.
Ik ben niet extreem rechts. Ook niet extreem links. Ik probeer een sociaal, christelijk mens te zijn. Maar ik zeg ook: ‘grenzen dicht’.  En dan bedoel ik niet de landsgrenzen, mensen moeten in de gelegenheid zijn om oorlog en geweld in hun land te ontvluchten,  om een veilige plek te zoeken voor zichzelf en degenen die ze lief zijn.
Ik bedoel de grenzen tussen mensen. Tussen mannen en vrouwen, tussen volwassenen en kinderen.
Mannen zijn fysiek sterker dan vrouwen, volwassenen zijn fysiek  sterker dan kinderen. En de sterkere heeft niet het recht de grens te overschrijden die de zwakkere beschermt. Niemand. Helemaal niemand.  In welk land je ook geboren bent, in wat voor situatie je ook leeft, die grens moet gesloten blijven. Ieder mens heeft er recht op om veilig te zijn als degene die hij/zij is.
De aanrandingen hebben nog meer met macht te maken dan met seksualiteit. De macht van de sterkste, die doet wat hij wil, simpelweg omdat hij de sterkste is.
Nu is dat weer heel duidelijk geworden, met een groep mannen die georganiseerd vrouwen intimideert  en aanrandt.  En het is verschrikkelijk dat het gebeurd is. Mijn eigen dochter was een week eerder nog in Keulen op dezelfde plek, het had haar zo kunnen overkomen. Alleen maar omdat ze een meisje is. En al die dochters die er wel waren, die nieuwjaarsnacht, die is het overkomen. Het frustreert, maakt woedend, maakt verdrietig, maakt dat ik me machteloos voel. De grens die gesloten had moeten blijven, is overschreden. Ze hadden het recht niet. Ze hebben respectloos de vrijheid van een ander ontnomen.
Ik hoorde vanmorgen op de radio dat het AD een steekproef heeft gedaan , dat een derde van de vrouwen zich nu onveiliger voelt en drukke plekken mijdt.  Zij hebben dus mentaal een grens opgelegd gekregen die open had moeten blijven.  Maar er bleek ook uit, dat  4 op de 10 vrouwen sowieso te maken hebben gehad met aanranding.  Dat is bijna de helft! In hun eigen omgeving van familie, vrienden, buurt en werk, waren zij niet veilig.
De burgemeester van Keulen heeft veel kritiek over zich heen gekregen met haar idee over een gedragscode voor vrouwen, en terecht.  Een gedragscode voor mensen, dat zou wat anders zijn!
Mannen en vrouwen moeten elkaar respecteren en elkaars grenzen niet overschrijden.
En dat geldt zeker ook voor de verhouding tussen volwassenen en kinderen. Hoeveel kinderen zijn en worden niet misbruikt of mishandeld.  In instellingen, op kostscholen, maar ook in gezin en familie. Door volwassenen die vinden dat de macht die ze hebben, hen recht geeft grenzen te overschrijden.
Macht mag je alleen gebruiken als mensen en dingen er beter van worden. Niet om iets te krijgen wat eigenlijk niet van jou is. Materieel niet en fysiek niet en mentaal niet.
Die grens moet gesloten blijven. Thuis en wereldwijd.
images

Godin

Mijn blogsite is toegankelijk voor iedereen die mijn stukjes wil lezen.
Maar dit is wel een heel vrouwelijk stukje. Heren, u bent gewaarschuwd.

Morgen ga ik met Irene een weekend naar Wellnesscentrum de Woudfennen. Zin in!
Maar het vergt wat voorbereiding. Ik hou ervan om er verzorgd uit te zien, maar met het intreden van het najaar is er toch wat achterstallig onderhoud ontstaan.
En in de sauna is niets verhuld natuurlijk. Dus kan ik niet met stoppelvelden op mijn scheenbenen aankomen en  evenmin met plukjes shag onder de oksels.
Daar heeft de cosmetische industrie het volgende op gevonden: Venus!
Het beeld van de tv-reclame:  een vrouw van 20 met goudkleurige spiegelgladde benen die zowat reiken tot aan haar oksels, zit bevallig op de badrand en laat soepel een Venus scheermesje over haar knie glijden. (Haar knie, serieus! Zouden er echt vrouwen zijn die haar op hun knieën hebben?)

been
De realiteit:  een vrouw van in de 50, die nog niet eens met één bil op de badrand past, met de varifocusbril naar voren op de neus geschoven, omdat het beeld anders zo vertekent, probeert haar niet zo goudkleurige en niet zo lange benen glad te krijgen.  ‘Every woman can be a Goddess’ .
Yeah, right…..
Ok, beentjes glad. Oksels moeten voor de spiegel. Ik ben er nog steeds niet goed in om in spiegelbeeld te werken, dus dat is ook een hele onderneming voordat het klaar is.
Nu ik mezelf zo bekijk moet ik ook iets aan mijn voeten doen. Sinds ik geen open schoenen meer draag heb ik de nagellak ook niet meer bijgewerkt. Dat kan zo niet, met die afgeschilferde troep op mijn tenen.  Dus poetsen met nagellakremover, maar dat valt nog niet mee. De blauwe nagellak zit ook op de nagelriemen van mijn tenen en dat gaat er haast niet af. Zodat het eruit ziet alsof ik al 3 maanden mijn voeten niet heb gewassen. High van de aceton poets ik dapper verder totdat ik het resultaat goed genoeg vind. Ai, dat was ik vergeten: ik heb een kalknagel. Nu de nagellak die niet meer verdoezelt, is hij weer prominent aanwezig. Gatverdarrie. Nou ja, niks meer aan te doen.
Ik heb het koud gekregen, dus aankleden. En uit gewoonte eerst deo opspuiten.  Au au au dat is waar ook, ik heb net mijn oksels geschoren. Pfff, het valt niet mee om een godin te worden.
Ik kijk nog eens in de spiegel.  Ik hoef toch helemaal geen godin te zijn! Ik ben een gewone vrouw van 54 en ga morgen met mijn dochter heerlijk een weekend uit.  En ik ben dik tevreden!

Lente

Het is Lente! De krokusjes en narcissen bloeien, de lammetjes dartelen in de wei en de vogeltjes kwinkeleren.
De natuur ontwaakt uit haar winterslaap, een zacht briesje voert heerlijke bloemengeuren aan en ik loop te genieten met mijn nieuwe zomerjas aan, als ik de hond uitlaat.
Wat een fijn beeld!

                                            CN2DGT A lamb frolicking in the spring sunshine
De werkelijkheid is toch ietsje anders. Het enige wat klopt is: de hond uitlaten. Althans een poging daartoe. Het stormt verschrikkelijk en ik heb moeite om op de been te blijven. Donkere wolken jagen langs het zwerk (het enige woord wat de lading dekt) en van tijd tot tijd komen daar venijnige regenvlagen uit. Het is hartstikke koud en juist vandaag heeft de rits van mijn winterjas besloten dat het genoeg is geweest, hij wil niet meer dicht. Het ondersteunende klittenband langs de randen is niet sterk genoeg voor de kracht van de wind, dus het tocht nogal tussen de kleren. Mijn capuchon wil ook niet blijven zitten , die blaast zich op als een weerballon en ik stijg nog niet net op. De hond (waarvan mijn moeder zou zeggen: ‘nog zo heerlijk jong’)ziet in elk dwarrelend blad een prooi waar achteraan gejaagd moet worden, en niettegenstaande de lente, liggen er blijkbaar toch nog heel wat dorre bladeren. Ik heb mijn handen vol aan riem en capuchon en tochtende jas en probeer niet verstrikt te raken in het akelig snijdende koord van de rolriem. De hond kort houden is ook geen optie, hij moet toch een beetje z’n energie kwijt en hij zou me bovendien anders nog omver trekken. Hij ziet er fragiel uit maar dat is bedrieglijk, hij is beresterk.
Ik zeil als een soort waterskiër achter onze Lenny aan en mijn verwaaiende opmerking naar hem dat ‘ van trekken de riem echt niet langer wordt’, maakt geen indruk. Normaal wil hij best goed luisteren, normaal trekt hij ook niet zo, maar dit is niet normaal. Ik vraag me af of we aan een vervolg bezig zijn van ‘de Tovenaar van Oz’. Waaien in plaats van Dorothy en Toto nu Annelies en Lenny naar het land van de Munchkins en de slechte heks van het Westen? Toch slagen we erin om thuis te komen, zelfs zonder de robijnrode schoentjes. Even op adem komen, voordat de kinderen weer uit school komen.
We hadden net zes kinders aan de lunchtafel, heel gezellig maar ze maakten dat het binnen net zo stormde als buiten. Met z’n zessen maakten ze een drukte alsof ik een klas van 30 kinderen had hier. Het is normaal dat kinderen reageren op storm, net als dieren. Grote mensen willen het liefst lekker met een kopje thee op de bank en een boekje wachten tot de storm over is. En op de lente , die misschien ooit toch nog komt.
Over 5 dagen is het Pasen. Ik heb zo’n vermoeden dat we geen paasbrunch in de tuin hebben. En ik zou de paashaas ten stelligste aanraden om de paaseieren deze keer maar binnen te verstoppen.

Spliterwt

Bert had een dingetje op zijn hand. Op een knokkel van zijn linkerhand zat een hard knobbeltje, het resultaat van een ingekapselde splinter. Juist die knokkel stootte hij voortdurend tijdens het werk en dat was lastig en pijnlijk. Daar moest eigenlijk iets aan gebeuren.
Dus een afspraak gemaakt bij de huisarts, in de veronderstelling dat die het wratachtige dingetje wel even zou weghalen.
Ikzelf had een paar jaar terug een moedervlekje in mijn hals weg laten halen en dat had de toenmalige huisarts keurig en snel gedaan. Hechtinkje, pleister erop, klaar.
Maar nee, zo eenvoudig werkte het deze keer niet.
Deze huisarts wilde het spliterwtje niet zelf verwijderen, dat moest maar door een plastisch chirurg in het ziekenhuis gebeuren. Bert zou via de post een oproep krijgen.
Het bezoek aan de huisarts was op een maandag en de dag er na, dinsdag dus, lag er al een dikke envelop van het UMCG in de bus. Hier werden spijkers met koppen geslagen.
Een boekje met informatie over dagopname (?), een plattegrond van het ziekenhuis, en een brief waarin stond dat 4 weken voor de ingreep de afsprakenbrief verzonden zou worden met de datum, en 2 weken tevoren nog een brief met het precieze tijdstip. Tjongejonge. Ik was onder de indruk van dit hele pakket, en vouwde de laatste brief uit.
“Er is voor u een afspraak gemaakt voor een operatieve ingreep op de afdeling plastische chirurgie, dagbehandeling. U wordt verwacht op woensdag (datum) om 11.15 u. “
Ik keek nog eens goed. De vermelde datum was de volgende dag al! Nou ja zeg, hoe zat het met die 4 weken en 2 weken tevoren dan? En hoe moest hij dat zo snel regelen op het werk? En ik kon ook niet zomaar mee!
Bert gebeld en alles verteld, hij zou even het ziekenhuis bellen voor een andere afspraak. De post was om kwart over 12 gekomen. Afsprakenbureau was bereikbaar van 9.00 tot 11.00. Lekker dan.
Ander telefoonnummer opgezocht dat er eigenlijk niet mee te maken had, en dat maar gebeld, hij moest toch laten weten dat hij de volgende dag niet kwam.
Dat lukte gelukkig, en hij kon een nieuwe afsprakenbrief tegemoet zien.
Die kwam keurig, hij moest twee weken later op een maandagmorgen naar het ziekenhuis. Ik zou mee gaan, want terugrijden was misschien wat lastig als je hand net gehecht is. Het was alleen wel een onhandige tijd i.v.m. mijn eigen werk, maar dan zou ik dat wel kunnen regelen. Tot ik ineens een brainwave kreeg: zouden ze eigenlijk die maandag Bert wel direct chirurgisch te lijf gaan? Zo eenvoudig was het tot nu toe niet gegaan, ik dacht er vast veel te licht over. Hij zou vast eerst weer een consult moeten hebben. Een telefoontje bevestigde dat: nee, die maandag werd er nog niet gesneden, alleen gekeken. Goed dat ik het wist, dat laten bekijken kon hij wel alleen. Dus Bert naar het ziekenhuis, waar de plastisch chirurg het knobbeltje bekeek en dezelfde conclusie trok als de huisarts.
Gisterochtend was het dan zover het erwtje daadwerkelijk verwijderd zou worden.
Niets negatiefs te zeggen over het personeel in het ziekenhuis, echt waar, iedereen was even vriendelijk.
Maar wat een toestand over zo’n gemuteerde splinter!
Een verpleegkundige in groen pak kwam Bert ophalen. Ik ben er niet bij geweest maar hij moest op een bed liggen met zijn arm op een aparte steun. In een echte operatiekamer. Je zou er de zenuwen van krijgen. Er waren maar liefst 4 mensen in het groen en wat de functie van iedereen was, is Bert niet helemaal duidelijk geworden.
Ondertussen werd er goed voor mij gezorgd, ik kreeg koffie van een erg aardige mevrouw. Ik had amper tijd om die rustig op te drinken want na 20 minuten kwam de groene verpleegkundige Bert weer terugbrengen.
Ik verwachte dat hij een gaasje over de behandelde knokkel zou hebben.
Maar zo zag het eruit:

spiterwt

Ik was met stomheid geslagen en Bert zelf eigenlijk ook, en we moesten er ook eigenlijk wel erg om lachen. Volgens ons was dit toch wel buiten alle proporties.
Nogmaals, niets negatiefs over het personeel, en super dat alles zorgvuldig gebeurt.
Maar kon het over het algemeen misschien niet een beetje minder deze keer?
En Bert zal niet de enige zijn, bij wie iets relatief kleins zo groot aangepakt wordt.
Ik tel:
4 bezoeken = 2 consulten, een operatie, en nog een keer terug om de hechtingen te laten verwijderen
5 betaalde mensen= Een huisarts, een chirurg , een verpleegkundige, en nog 2 mensen met een of andere functie in steriele pakken
Daarnaast nog:
Een informatiepakket waar je U tegen zegt en dat nou niet echt relevant was, is samengesteld door de administratie. Een afsprakenbrief. Nog een afsprakenbrief. En bij het verlaten van het ziekenhuis nog een afsprakenbrief (voor de hechtingen)

Je zou toch zeggen dat de gezondheidszorg in dit soort gevallen wel een stukje goedkoper kan.
Wij zijn in ieder geval blij dat het eigen risico van de zorgpremie al opgegaan is aan de spatader-operatie die Bert in het voorjaar heeft gehad. Overigens was dat een veel grotere ingreep, die met veel minder omhaal en minder mensen prima is uitgevoerd. Ik bedoel maar……

numquam finitum (nooit klaar)

Huishoudelijk werk is eigenlijk onbegonnen werk. En toch zo noodzakelijk.
Het is een tegenstrijdig iets,dat huishouden.
De afzonderlijke klussen zijn goed te doen en het resultaat geeft meestal weer voldoening.
Maar het geheel is nooit klaar. Nooit. En dat is frustrerend.
Wassen, strijken, poetsen, opruimen, stofzuigen, het moet. Altijd weer. En heb je geen professional die het voor je doet, dan moet je het zelf doen.
Er zijn van die periodes dat ik alles onder controle meen te hebben. Maar ach, die periodes zijn altijd zo kort….
De geschuurde pitten van het fornuis vertonen ’s avonds na het koken al weer ingebrande vlekjes. Terwijl ik toch heus niet kliederig kook.
De wasmand is soms toch eindelijk leeg! Ja toch zeker voor een halve dag. Natuurlijk, ik wil ook dat we schoon op onszelf zijn, maar toch.
Mooi, die gewassen ramen, zo helder! De volgende dag zitten er al weer spetters en ondefinieerbare vlekjes op.
“Stof zijt gij en tot stof zult gij wederkeren”. Volgens mij hoeven we niet te wederkeren, we zitten er gewoon dagelijks middenin. Kijk maar op de kastjes .
Het huishouden is een dagtaak. Want als je 1x denkt: ‘dit hoeft nu niet, ik ga wat anders doen’, dan ga je achterlopen.
Dan moet je nog veel meer wegwassen en wegvegen en wegpoetsen en wegstrijken.
Om maar niet te spreken van een keertje ziek zijn.
Een paar dagen kwakkelen en alleen het hoognodige doen (dus thee zetten en dvd-tjes kijken) wordt genadeloos afgestraft. Dan moet Henry daarna overuren draaien, evenals de wasmachine en de droger (al ben ik wel heel blij dat ik die heb!) en moet je al je nieuw herwonnen energie inzetten om de boel weer in het gareel te krijgen.
Toen ik geschiedenis studeerde heb ik Vergilius gelezen. Hij zei:’ Labor omnia vincit improbus’, oftewel ‘IJverige, onvermoeibare arbeid overwint alles’. Niks nieuws onder de zon dus, ik moet gewoon onverdroten aan het werk . En alles overwinnen. Inclusief mezelf, want ik heb hoogtevrees en ik had ware berg aan strijkgoed. Zo hoog dat zelfs Lenny er niet op kon liggen.
was
Gelukkig hoef ik me niet op enkel op oude Romeinse filosofen te verlaten, ik kan ook op mentale steun van Mike Oldfield rekenen. Eerst Hergest Ridge in de speler, hoe toepasselijk deze titel. Hergest Ridge is namelijk een heuvel op de grens van Herefordshire en Wales.
Deze cd was niet lang genoeg om de gehele heuvel te slechten, dus daarna Ommadawn opgezet. Geen idee wat die titel betekent, maar het strijkt lekker weg. Toen deze cd afgelopen was had ik alleen nog wat vouwwerk en toen was het klaar!

strijk
Klaar dus. Ik had zowel mijn achterstand als mijn hoogtevrees overwonnen. Ik ben trots op mezelf. Voor zolang het duurt. Toch wel een halve dag denk ik.

Uit de kast

De weersverwachting voor vandaag was: bewolkt, grauw en veel regen. Een uitgelezen dag om de inloopkast op onze slaapkamer op te ruimen. De weerman had alleen niet naar de kaart van Groningen gekeken toen hij zijn voorspelling deed, de zon stond stralend aan een blauwe hemel en het was erg warm. Toch ging ik de inloopkast opruimen, mijn besluit stond vast.
Het was namelijk geen inloopkast meer. Het was een stortplaats. Als je de deur opendeed kon je er met veel moeite in slagen om een arm en een been naar binnen te wringen om te pakken wat je nodig had. Als je dat tenminste kon vinden. Zo niet, dan werden er schier onmogelijke lichaamshoudingen noodzakelijk om toch nog bij die ene handdoek of dat shirtje te komen, over schoenen nog maar te zwijgen. Als je geluk had vond je er 1, de bijbehorende was niet te vinden. Drama, hier moest iets gaan gebeuren.
Maar waar en hoe te beginnen. Oorspronkelijk zat er een opbergsysteem in de kast, maar nu was het gewoon een chaos. Dus de enige optie was: alles eruit! Het resultaat was dat mijn slaapkamer eruit zag alsof ik meedeed aan een aflevering van Extreme Hoarders. Ik durf de foto niet te plaatsen, zo erg. Gewapend met vuilniszakken ging ik aan de slag. Kleren die ik wou bewaren op bed, kleren die nog goed waren maar niet meer gedragen in een zak, vodden en andere rommel in een andere zak. Ik had nauwelijks plek om de zakken neer te zetten of om zelf ergens te staan, maar het moest. Langzaam maar zeker kwam er in de kleding in ieder geval orde. En na een uurtje of 2 hingen er links overhemden en blouses van Bert, rechts jurkjes en jasjes van mij in de hangkast, en op de planken lagen nette stapels T-shirts, hemdjes en vestjes, truien en broeken. Het begin was er.
Tim zorgde ondertussen heel lief voor de catering, ik kon de cafeïne goed gebruiken.
Bij het sorteren was ik de gekste dingen tegengekomen, natuurlijk allemaal van Bert,ik heb geen gekke dingen. Ik bedoel: vòetbalschoenen? Really?

. mutssnorkel

Over die snorkel zou ik trouwens ook nog een leuk verhaal kunnen vertellen maar dat misschien een ander keer.
Handdoeken, washanden, beddengoed, zelfs een klamboe, dekbedden, alles moest uitgezocht. Ik zou haast zeggen wat een klerezooi, maar de kleren waren inmiddels klaar. Waarom hebben we zoveel?? En waarom bewaar ik alles? Verreweg het meeste was incompleet of deels kapot. Weg ermee! De overloop raakte gestaag vol met gevulde zakken.
Volgende project: schoenen! Beneden staat een schoenenkastje voor de heren, boven is een schoenenrek voor mij. Wat een waardeloos ding is dat. Het is een systeem met 2 buizen schuin voor elkaar, om de schoenen op te zetten, en dan 4 lagen boven elkaar. De afstand tussen de buizen is niet regelbaar en het resultaat is dat ik mijn schoenen erop moet balanceren, en bij de minste aanraking dondert de hele zooi weer naar beneden. De afstand is niet berekend op maat 36. Stom, zo klein is dat nou toch ook weer niet. Ik zocht al mijn schoenen en laarzen bij elkaar en keek rond wat ik er mee kon. Uiteindelijk bracht de grote plank waar al dat overbodige beddengoed had gelegen uitkomst, ik kon daar alles keurig op kwijt zonder dat er ook maar 1 schoen viel. Weg met het schoenenrek! Ik werd hoe langer hoe meer tevreden met mezelf.
Laatste onderdeel: toiletspullen. Goeie genade wat hadden we een voorraad. Belachelijk, hoe schoon wil je zijn. Misschien moeten we eerst eens wat opmaken voordat ik weer wat nieuws koop.
Maar ik weet wel hoe het komt. Omdat het zo’n onoverzichtelijke bende in de kast was, had ik geen idee wat we eigenlijk op voorraad hadden. Tampons spanden toch wel de kroon. Blijkbaar had ik iedere keer als ik eens zou gaan zwemmen of naar de sauna zou gaan weer een doosje gekocht. Ik hoop niet dat het nodig is, maar ik had toch wel tot 2037 genoeg tampons. De doosjes waren gekreukt en gescheurd, tampons all over the place. Wat een flauwekul, weg met die dingen. Inmiddels had ik sowieso een paar zakken afval verzameld en ik ging ze naar beneden naar de container brengen. Toen ik daar aankwam zag ik dat uitgerekend de zak met tampons was gescheurd van onder, dus ik had een ob-spoor achtergelaten op de trap, in de kamer en in de keuken. Het deed me onwillekeurig denken aan het sprookje van Hans en Grietje. Of misschien is die van Herman Finkers beter in dit geval: Het meisje met de eierstokjes.
Weer boven lag er alleen nog een zooitje ongeregeld op het bed:

rommeltjes
Van die dingen die je niet weg wilt gooien maar ook geen idee hebt waar je die op moet ruimen.
Een voor- en een na-de-beugel gipsafgietsel van Tims gebit. Een paar petten. Een nepbontkraagje. Een reisportemonneetje wat we volgens mij nooit gebruiken. Een bierglas-met-spelletje. Een cassettebandje met onze trouwdienst erop.
Nou ja, maar even verhuizen naar de zoldertrap en hopen dat het daar dan weer niet 3 maanden blijft liggen.
En toen was het klaar! Met trots liep in de inloopkast in. Ik LIEP de INLOOPkast in! Welk een ruimte! Die nette stapeltjes! Die gesorteerde schoenen! Al die ruimte die er nog over is!
Dit vraagt om nieuwe kleren!

Mobiel

Vroeger kreeg ik als kind, als we op vakantie waren, een briefje op mijn jurkje gespeld.
“Anneliesje van Bloois, Huisje 63 “
Zo konden mijn ouders iets geruster zijn, mocht ik kwijtraken, dan wist men waar ik weer terug bezorgd moest worden.
Ik heb het altijd onthouden en ook bij mijn eigen kinderen toegepast, vooral bij Tim want die was vaak weg. Kwijt, onzichtbaar. Peentjes heb ik gezweet om dat jongetje, maar
gelukkig is het altijd weer goed gekomen. Het briefje-systeem had ik iets gemoderniseerd, ik plakte iedere dag een beschreven sticker op zijn t-shirtje. Tegenwoordig is dit natuurlijk hopeloos uit de tijd. Nu heeft een kind een QR-alert polsbandje, wat je kan scannen met smartphone of tablet en daar dan alle info uit krijgt die je nodig hebt om het kind weer op z’n plek te krijgen. Moet je natuurlijk wel een smartphone of tablet hebben.
Een tablet heb ik niet, een smartphone wel. Al een jaar maar liefst. Voor mij hoefde het niet zo, ik hoefde alleen maar te kunnen bellen en sms-en. Zei ik altijd. Maar toen ik een nieuwe telefoon moest hebben omdat ik zo dom was geweest om de mijne in een stadsbus in Utrecht te laten liggen, liet ik met toch overhalen tot een smartphone. “Want dat is gezellig mam, dan kunnen we what’sappen”. En gedachtig de irritatie over mijn vader die alle nieuwigheid maar flauwekul vond (dus tot op hoge leeftijd nog met een handboor stond te zwoegen terwijl hij onze elektrische boormachine kon lenen, en ondertussen koppig volhield dat het priiiimaaa ging) vond ik dat ik een beetje met m’n tijd moest meegaan.
En ik moet eerlijk zeggen dat ik mijn smarthpone heel leuk vind! Inderdaad, ik kan er mee bellen en sms-en maar ook what’sappen en internetten en foto’s maken en die versturen of op facebook zetten…. Kortom, ik heb er gewoon lol in.
Dus het ding gaat overal mee naar toe, ik check in bij restaurants en atracties, plaats foto’s van waar ik ben, what’sapp dagelijks met Irene, en ook Berts sms-jes zijn vervangen door what’sappjes.
Het was de bedoeling dat mijn mobieltje ook meeging toen we het Pinksterweekend naar de Veluwe gingen, waar we een chaletje hadden gehuurd. Vrijdagmiddag had ik de foon nog even aan de lader gelegd (goede voorbereiding!) en na het loskoppelen de lader gelijk in mijn tas gestopt, want ik die had ik in het weekend vast nog nodig. Want waar ik met mijn oude mobiel anderhalve week of langer op een batterijlading deed, is het met de smartphone hooguit anderhalve dag. Dat dan weer wel.
In de auto wou ik even Irene appen dat we onderweg waren. En ik kon mijn telefoon niet vinden. Tas ondersteboven gekeerd, er kwam van alles uit waarvan ik dacht: ‘waarom neem ik dat ook mee’, maar geen mobiel. Ik had blijkbaar alleen de lader in de tas gedaan. O, dat voelt gek. Ik schaam me een beetje om het te moeten zeggen, maar het voelde haast wat paniekerig.
Bert vroeg of we om moesten keren maar dat vond ik toch te gek, we waren al een flink eindje onderweg. En hij had wel zijn mobiel mee, dus in noodgevallen waren we voorzien.
Dus ik heb 3 dagen zonder mobiel, facebook en verder internet doorgebracht. De internetverbinding was sowieso erg slecht, dus Bert hield het ook al gauw voor gezien.
En toen voelde het toch wel lekker, als ‘echt helemaal weg!’ Ik zie mezelf niet als iemand die altijd maar met haar mobieltje in de weer is, en verder nergens oog voor heeft. Maar nu merkte ik eerlijk gezegd dat ik toch redelijk vaak wil ‘communiceren’. Even Irene laten weten wat voor leuks we doen of zeggen, even op fb zetten op welk leuk terrasje we zitten, even op buienradar kijken of het echt zo mooi wordt als het weerbericht zei, even…etc…
Nu heb ik heel af en toe een appje met Berts mobiel naar Irene gestuurd en dat was het.
En heb ik een fijn weekend gehad? Ja! Ik hoefde niet te kijken of iemand mijn status al had geliked, of er nog leuke mail was, het kon allemaal wachten tot ik weer thuis was.
Vakantie.
En toen Bert in z’n eentje een stuk ging fietsen, en zijn mobiel meenam, had hij ook een briefje in zijn zak. Met het adres van het vakantiehuisje, want in noodgeval moest men toch weten dat ik daar zat en niet mijn mobiel bellen, die lag thuis op tafel.
Een briefje. Hopeloos uit de tijd, maar het werkt nog steeds priiiimaaaa . 😀
mobiel