Het huis aan het meer

Sinds vanmiddag hangt er een herinnering uit mijn jeugd aan de muur. Eentje waarvan ik dacht dat die verloren was gegaan.
Nee, dat zeg ik niet goed. De herinnering was niet verloren gegaan, die zat echt nog in mijn hoofd. Alleen het fysieke voorwerp in kwestie was er niet meer, ik wist niet beter of het was voorgoed weg.

Toen ik kind was hing er in de flat waar we woonden een schilderij boven het dressoir. Ik weet niet wanneer mijn ouders dit schilderij gekregen of gekocht hadden en ook niet waarom ze juist deze afbeelding in hun huiskamer hingen. Het was er gewoon altijd.
Een landschap met een huis aan een meer. Mediterraans, zo aan het huis en de soort begroeiing te zien.
Waar precies het huis stond, weet ik ook al niet. Ook niet wie het geschilderd heeft.
Eigenlijk weet ik dus niets.

En toch wist ik alles van dit schilderij, want ik keek er heel vaak naar. De kleuren van het huis, de hangende bloemen langs de gevel. Het pad wat naar de deur loopt, net een stukje bij het water vandaan.
Het is mooi weer, de lucht is wolkeloos en het meer is rimpelloos. Een vetplant op de voorgrond laat zien dat het daar àltijd mooi weer is.
Twee cypressen schuin achter het huis staan loodrecht naar de lucht te wijzen, statig en donkergroen. Op de achtergrond loopt een blauwgroene heuvel schuin af naar het meer.
Een impressie van een stille warme zomermiddag. Niets verroert zich, alles is in rust. De luiken van het huis zijn gesloten en er is geen mens of dier te zien. 

Bij mijn weten hadden mijn ouders niet zoveel met het Middellandse Zeegebied. We gingen er niet heen op vakantie, ik heb ze er ook nooit over gehoord dat ze daar nog wel eens heen zouden willen.
Italiaans eten, dat was zo ongeveer het enige mediterrane wat we deden.
Maar ik hield van dit schilderij. Het was een plek waar ik graag zou willen zijn. Ik wilde dat pad wel oplopen en kon de krekels in de bermen horen. Dan zou de deur opengaan en mocht ik binnenkomen. Hoe het er van binnen uitzag kon ik helemaal zelf bedenken, en ook wie er woonden. 
Altijd al een dagdromer, heb ik de mooiste verhalen verzonnen in mijn hoofd.
Leuke verhalen, spannende, en soms verdrietige. Het kon allemaal daar in dat huis bij het meer. 
Soms keek ik van een afstandje en zag in die heuvel met de cypressen de kop van een dier. Een wolf of een vos, met een spitse snuit en lange oren.
Toen ik iets groter was, vond ik het op Anubis lijken, de Egyptische god met de kop van een jakhals. Ik had daar plaatjes van gezien in een van de talloze boeken van mijn vader.
Ook daar kon ik weer verhalen over bedenken. 

Het enige wat ik niet mooi vond was de lijst om het schilderij. Ik vond die zelfs spuuglelijk en had er een enorme hekel aan. Een bolle ivoorkleurige lijst, die veel te grof en te breed was voor dit stille warme landschap. Maar het zal mode geweest zijn, evenals het toen supermoderne teakhouten dressoir van Topform waar het boven hing. Mijn smaak was het in ieder geval niet, maar daar werd natuurlijk niet naar gevraagd. 
Eerlijk gezegd weet ik niet meer wanneer mijn ouders het schilderij hebben weggehaald, waarschijnlijk toen er een keer weer nieuw meubilair kwam. 


Zoals dat vaak gaat met dingen van vroeger,  is het nogal onduidelijk hoe het nu zat met wie, wat en waar in verband met dat schilderij. Maar ach, het was nou ook weer geen kwijtgeraakte van Gogh of Rembrandt dus ik legde me er bij neer. Het was gewoon weg en dat was jammer.
Een onbekend schilderij van een onbekende schilder met een onduidelijke signering. Niet meer te achterhalen. 

Tot een paar maanden geleden ineens toch het schilderij onverwacht opdook in het huis wat van mijn broer en schoonzusje geweest is.
Ik was zo verschrikkelijk blij en mijn neef zei: ‘Ik kom het brengen!’ 
Dat was erg lief, hij moest er een flink eind voor rijden. Toen kwam hij gelijk maar gezellig eten en een nachtje logeren.
Daar lag het schilderij, op mijn eettafel. Ruim 40 jaar geleden, misschien nog wel langer, had ik het voor het laatst gezien en ik was ontroerd.


Het was wel te zien dat het te lijden had gehad van de tijd.
De blauwe lucht was vergeeld, er waren kleine beschadigingen in het schilderwerk.
En (hoera!) de spuuglelijke lijst was helemaal verdwenen.
Maar gelijk kwamen de herinneringen aan mijn dagdromen weer terug, bij het zien van het huis aan het meer.  Ik wilde heel graag dit schilderij ophangen, maar dan moest het eerst opgeknapt worden. 

We hebben het bij Atelier Horneman in Groningen gebracht. Zij hebben ervoor gezorgd dat het schilderij helemaal schoongemaakt is, de beschadigingen zijn gerepareerd, het doek opnieuw gespannen is en het is ingelijst. Die lijst hebben we samen uitgezocht, we kregen goed advies welke stijl goed zou passen en het is nu echt ZO mooi!
Vanmorgen haalden we het op en ik hapte haast naar adem toen ik zag hoe prachtig helder de kleuren nu zijn. Niet te geloven dat dit oude vermoeide en vergeten schilderij zo mooi weer  tot leven gebracht is. 

Het hangt dus al. Het onbekende schilderij van een onbekende schilder met een onduidelijke signering. Maar die onbekende schilder heeft vroeger een klein meisje en nu een vrouw heel veel gegeven door dit landschap met dit huis op deze manier te schilderen. 

Nu kan ik er weer naar kijken, en ik weet zeker dat er weer nieuwe verhalen en dagdromen zullen ontstaan.

Prehistorie

Van de week kreeg ik een verrassend mailtje.
Een Vlaamse uitgeverij wil alsnog mijn jeugboek uitgeven.
Twee jaar geleden zond ik een manuscript in voor de Averbode Verhalenprijs.
Mijn inzending werd wel genomineerd, maar won uiteindelijk niet.
Jammer, maar als je aan schrijfwedstrijden meedoet kan je niet altijd winnen. Dus ik ging weer over tot de orde van de dag.
Maar nu gaat het dus alsnog gebeuren! Het is voor komend schooljaar, als onderdeel van een boekenabonnement voor kinderen van de bovenbouw van het basisonderwijs in Vlaanderen. Uiteraard vind ik dit fantastisch!

Mijn verhaal speelt zich af in de prehistorie.
De redactrice vroeg me om nog even extra te checken op historische juistheid. ‘Voor zover we dat kunnen weten tenminste,’ zei ze er nog achteraan.
Mijn antwoord was, dat ik het zeer zorgvuldig heb geschreven, maar wel naar de bevindingen en huidige opvatting van archeologen. En dat ik daarom blij was met de toevoeging aan haar vraag.

Want geschiedenis is, zeker betreffende die allervroegste periode, een kwestie van interpretatie en aannames. Bovendien veranderen inzichten: hoe dingen dertig jaar geleden uitgelegd werden, is nu weer anders. Vanwege nieuwe vondsten, nieuwe technieken voor datering, en zeker ook door een ander wereldbeeld.
En hoe de een iets uitlegt, kan door een ander weerlegd worden, maar niemand kan voor 100% zeker weten hoe het zat.
Hier moest ik vanmiddag nog weer aan denken. 

Wij waren in Borger, bij het Hunbebedcentrum en het Oertijdpark, ik mocht op Moederdag zeggen wat ik graag wilde doen. Ik was blij dat het door kon gaan, want ik heb gister een lelijke smak gemaakt. Ik zou snel even naar de boerderij lopen om eitjes te kopen, maar zag door de hoge begroeiing in de berm niet waar de rand van het pad was. Daardoor verzwikte ik akelig mijn zwakke enkel en viel, met mijn arm, ribben en helaas ook hoofd, keihard op het asfalt. ‘Au’ was een understatement.
Vandaag ben ik dan ook erg beurs en heb mijn karakteristieke bloeduitstortingen weer eens op mijn arm. (Even een illustratie, vanwege het verdere verloop van de blog.)

Mijn enkel is blauw en stijf, maar gelukkig is de wond naast mijn wenkbrauw dicht.

Ik wilde persé wel naar Borger, als ik eenmaal een beetje op gang ben, gaat het lopen aardig.
In het Oertijdpark liepen we over een smal plankenpad, zogenaamd door het veen en ik wankelde op mijn blauwe enkel.


‘Kijk nou toch uit,’ spotte Bert goedmoedig, ‘Voor je het weet lig je in het moeras en denken ze over 2300 jaar dat je geofferd bent, wanneer ze je er als veenlijk uithalen.’
Dat is koren op mijn molen, direct ging ik er in mee. 

De aanname in het jaar 4317:

Breaking News
2300 jaar oud veenlijk ontdekt! Het gaat om een oudere vrouw, die vermoedelijk geofferd is. Dit gezien haar verwondingen, er is vastgesteld dat ze een hoofdwond had en dat haar ribben gekneusd waren. Ook heeft zij vreemde verkleuringen op haar arm, waarschijnlijk ritueel aangebrachte tekens, die in dezelfde formatie staan als het sterrencluster C6 in de Arcananevel. Tot nu toe nam men aan dat die pas 500 jaar geleden is ontdekt maar dit laat iets anders zien.
Als offergave heeft zij een buidel meegekregen van een bepaalde kunststof die nog verder onderzocht moet worden. In de buidel werden restanten van een primitief communicatiemiddel aangetroffen, de offeraars hoopten dat zij hiermee vanuit het hiernamaals berichten van de goden door kon geven. Tevens zat er een speciaal artefact in, gemaakt van onnatuurlijk materiaal. Dit voorwerp zat in een zakje met vreemde symbolen erop.
De vorm, namelijk een langwerpig open kommetje met een platte halfronde tuit, vertelt ons dat dit gebruikt werd om drank of vloeibaar voedsel tot zich te nemen.
Daarnaast werden er restanten van offergaven aan de goden aangetroffen:  voedsel in de vorm van ronde koeken, gemaakt van een voorhistorisch gewas, met symbolen erop die ‘letters’ genoemd worden.
Vertaling laat het woord ‘Brinky’ zien, dit is hoogstwaarschijnlijk de naam van een godheid geweest.
Er werd nog een voorwerp naast de vrouw aangetroffen: twee verbonden cirkels van een onbekend materiaal, gevuld met een doorzichtige, donkere, harde substantie, en met aan beide zijden een langwerpig uitsteeksel. Dit is, in een iets andere vorm, vaker in graven aangetroffen, de substantie is dan echter helder transparant en is over de ogen van de overledene geplaatst. Deze donkere variant is nog niet eerder gevonden, archeologen gaan ervan uit dat dit te maken heeft met het offerritueel. 

De waarheid: 
Die verwondingen heb ik al verteld. En verder had ik een rugtasje mee, met daarin mijn iPhone, een paar chocoladekoeken voor de lekkere trek, en een hoesje met mijn plastuit. Mijn zonnebril heeft door de val van gister schade aan de poten opgelopen, dus die zal, als ik in het moeras gevallen was, van mijn hoofd gevlogen zijn. 

We kunnen aannemen en interpreteren en studeren wat we willen, er is niemand die nu nog preciés weet hoe het was in de prehistorie.
Onlangs stuurde mijn schoonzoon Jan me een filmpje: er zijn over de hele wereld duizenden stenen gevonden die in de prehistorie op dezelfde manier bewerkt zijn tot…. tja dat weten we dus niet. Het kon dit zijn, het kon dat zijn, misschien hiervoor, misschien daarvoor…. archeologen komen er gewoon niet uit. Zelfs niet met iets dat dus blijkbaar wijdverbreid en heel algemeen was.
Ik bedoel maar. We weten het niet zeker, of zelfs helemaal niet.
En juist dàt maakt het zo vreselijk interessant…..

Ach, die hond

Wat ze hier aan het doen zijn in huis is mij niet zo duidelijk. Alleen is het iedere dag weer anders, terwijl zij doen of er niks aan de hand is.
Ze zijn heus wel gek met mij hoor. Als hij in de tuin aan het werk is, mag ik ook meedoen. Als ik me gedraag tenminste, want het is blijkbaar niet gewenst dat ik tegen iedereen die langsloopt of rijdt begin te blaffen.  Er is één uitzondering. Als de winkelauto langs komt ronken mag ik tekeer gaan van ze. Ik heb begrepen dat ze daar een hekel aan hebben, vooral zij. Het is ook geen pretje eigenlijk, de straat staat blauw en we hoesten allemaal van de gore uitlaatgassen als die kar voorbijkomt. Tot overmaat van ramp klinkt er dan ook nog een irritant schel en lang getoeter. Alsof we niet allang geroken hebben dat hij er weer is. Maar verder mag ik niemand laten schrikken van ze.
Als het wel gebeurt, blaft zij me terug in huis. Daar luister ik dan maar wel naar. 

Ze zit ‘s avonds vaak op de bank met  een soort flos, de hele tijd met een stokje te prikken. Ik zie er de lol niet van in, als ze dat ding nou eens weggooide, kon ik die mooi weer voor haar ophalen. Maar na een paar dagen prikken had ze ineens een mini-mij gemaakt. Die mag op de kast naast de tv liggen. Hij wel. 

Als ze niet aan het prikken is, dan is ze met wat anders bezig. Ik weet niet precies wat, ze is dan aan de andere kant van de deur. Maar echt iedere avond, als ik mee naar boven ga, ben ik de kluts kwijt. Toch is het naar boven gaan nog iets gemakkelijker dan de volgende ochtend naar beneden. Want als ik dan die diepte in kijk is het zo anders dan ik gewend was!

Eerst klom ik naar boven en beneden over stukjes beige zachte vloer, die waren op bruin hout geplakt.
Ineens waren die stukjes zachte vloer weg en moest ik op het bruine hout lopen.
Dat durfde ik niet zo goed, maar uiteindelijk lukte het. Ik kreeg er wel dikke knuffels en een koekje voor, dus dat wilde ik de volgende dag nog wel een keer zo doen.
Maar dat kon al niet meer, want het bruin was weg! Waar ik moest lopen was helemaal kaal. Weer moest ik vreselijk mijn best doen, maar het lukte.
Denk maar niet dat ze me rust gunde want de volgende dag was het nog erger. Nu waren er stukken wit tussen gekomen. Kaal hout, wit, kaal hout, wit… het duizelde me, waar moest ik nou mijn poten neerzetten? Zij hebben het makkelijk, ze hebben maar twee voeten maar ik moet allevier mijn voeten gebruiken. Oké, verstand op nul en naar boven.
Maar vanmorgen…. ik keek naar beneden en kon niet zien hoe het nou zat daar in die diepte. Ik durfde echt niet en dat vertelde ik ze jammerend. Ze waren heel lief hoor en zeiden dat ik het echt wel kon. Natuurlijk wilde ik ze een plezier doen, maar het was zo moeilijk. Ik ging eerst liggen kijken, daarbovenaan. Toen voorzichtig één van mijn poten proberen neer te zetten. Dat kon. Maar toen had ik er nog drie over en mijn kont wilde ook niet mee…. gauw weer terug. Nog een poging, ik rekte me uit zover ik kon (en dat is best ver) dus mijn voorpoten waren al een paar stappen naar beneden maar mijn achterpoten durfden nog steeds niet. 


Toen gingen ze heel blij mijn naam roepen en zingen en zeggen dat ik zo’n knappe hond ben en nog meer flauwekul en ik hoorde het woord koekje een paar keer…en ik ging. Ik weet nog steeds niet hoe, maar het lukte en ik werd met gejuich opgewacht. Dat deed me wel goed natuurlijk, evenals dat koekje.
Ik zal me maar vast voorbereiden. Toen ik thuis kwam met hem na een wandeling zag ik dat nu alles wit is. Weer anders dus, voor de vijfde keer. Is het daarna dan eindelijk afgelopen?

Sorry, lieve Lenny, nee. Als de trap een tweede laag witte verf heeft gekregen komen er grijze matjes op. Maar ik beloof je dat dat ècht het laatste is. En dan hoef je de rest van je leven er niet meer over in te zitten hoe het er nu weer uit zal zien als het tijd is om naar boven of naar beneden te gaan.

Trots!

Schoonmoeders hebben niet zo’n beste naam in het algemeen. Toch meen ik mij te kunnen onttrekken aan het prototype van de bemoeizuchtige heks/tang/diva (doorhalen wat niet verlangd wordt.)
Want ik heb een prima band met mijn schoonzoon. Mijn favoriete schoonzoon zelfs, maar dat mag ik zeggen want ik heb er maar één.
Al 20 jaar, want hij en mijn dochter waren nog pubers toen ze verkering kregen.
Inmiddels zijn ze volwassen en hebben een gezin, zodat ik nu oma ben van de twee liefste kleinzoons van de wereld . Uiteraard, jullie hebben (de lezers die het aangaat) óók de liefste kleinkinderen van de wereld. En zo hoort het ook.

Ik deel veel interesses met schoonzoon Jan, en daar bof ik echt mee.
Geschiedenis, natuur, archeologie, paleontologie, fantasy, zo leuk om daar met elkaar over te praten, filmpjes en linkjes te sturen en tips uit te wisselen over boeken en programma’s. Ik word er blij van en hij (hopelijk) ook.  

Vorig jaar september hebben we samengewerkt aan een konijnenproject. Onze uitbreidende veestapel had een nieuw onderkomen nodig en mijn man Bert had een schouderblessure, die kon niet graven en sjouwen. Jan bood spontaan aan om te komen helpen en moest wel wat overredingskracht aanwenden om mij dat te laten accepteren. Ik voel me snel bezwaard maar hij veegde alle tegenwerpingen van tafel.
Dus hebben wij op een zaterdag dat nieuwe stuk verblijf gerealiseerd en het was enorm leuk om dat zo samen te doen. 

Klussen doe je niet in je nette kleren, tenminste ik niet en Jan ook niet. Maar zijn werkbroek was wel helemaal aan gort aan het eind van de dag. Hij zei: ‘Ik laat die maar hier, dan wil jij hem vast wel in de container doen. Dit is echt z’n laatste klus geweest.’

Ik had echter andere plannen.
Toen hij weer naar huis was heb ik de restanten van de broek gewassen en er daarna een konijn van gemaakt. Als bedankje en als een zogenaamde ‘Memory-bunny” 
Deze broek had herinneringen, bijvoorbeeld verfvlekken van de babykamer van hun eerste zoontje. En zo waren er nog meer souveniertjes, als laatste dus die van het werken aan het konijnenverblijf met schoonmama. 

Het patroon vond ik op internet, ik maakte het konijn met veel plezier en was tevreden met het resultaat. En wat nog belangrijker was: Jan was echt blij verrast en vond het idee erachter ook mooi.  

Een poosje geleden kwam zijn vraag: ‘Omdat je dat konijn hebt gemaakt, dacht ik aan iets anders wat ik op internet zag. Denk je dat je een Dino voor me kunt maken?’
‘Jongen, daar word ik direct enorm enthousiast van. Kom maar op, wat zou je willen?’ 
Lang verhaal kort: hij kocht een patroon op Etsy. Ik kocht, na overleg over welke kleuren, de stof. Afgelopen week heb ik de Dino gemaakt.
En ik ben er hopeloos verliefd op geworden. Het koppie. De voetjes. Hoe hij zit. Hoe hij zijn armpjes kan bewegen. Nou ja, gewoon op alles!

De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat het me niet met alle onderdelen heel makkelijk af ging. Met het konijn was het al zo geweest dat ik eerst de kop er verkeerd opgezet had, zodat hij opzij keek en nadat ik dat verholpen had, zijn zitvlak ook nog per ongeluk overdwars had ingezet. Dus dat ging al niet vlekkeloos, maar al doende leert men. (Ik zag bijna mijn moeder lachen in de hemel, zij heeft mij naaien geleerd en heeft bij leven heel wat misbaksels de revue zien passeren.) 

Maar deze Dino was wel ‘next level’, om alle naden netjes te laten aansluiten en het hele beestje op de goede manier te modelleren. De voetzolen met teentjes, het hoofdje met alle onderdelen, het was een puzzel en een gepriegel.  Hoe trots kan je dan zijn dat het gelukt is en dat hij zo leuk is geworden dat je ongeveer 7688034 x tegen je man piept: ‘KIJK DAN!’ (en stiekem naar de hemel roept: ‘Mam, kijk dan!’) 
De vorige keer heb ik een ruim 60 jaar oud lammetje opgeknapt, nu een splinternieuwe Dino gemaakt. Terwijl een Dino natuurlijk miljoenen jaren ouder is dan een lammetje. Maar deze niet. Snap je het nog? Ik bijna ook niet meer.
Maakt niet uit. Ik ben gewoon blij. Wat zal het volgende zijn?

Lammetje

Mijn voorliefde voor nostalgie moet soms een beetje binnen de perken gehouden worden.
Zodra het ‘niks kunnen wegdoen’ wordt, dan gaat er toch wel een alarmbel af. Bij mijzelf wel te verstaan. Dan ga ik nog weer eens kijken van welke dingen de herinnering alleen goed genoeg is, zonder ook het fysieke te bewaren. Ik heb gelukkig nog wel grenzen. 

Met dingen uit mijn kindertijd ligt dat anders. Het is natuurlijk aanleg, maar ook wel een soort tegenwicht voor het feit dat er bij ons thuis weinig bewaard werd en vooral mijn vader erg opruimerig en weggooierig was. Vaak zonder overleg, zodat ik over een aantal dingen echt een spijtig of zelfs verdrietig gevoel had en soms zelfs nog steeds heb. 

Gelukkig heb ik, toen ik 40 jaar geleden mijn ouderlijk huis verliet, zelf mijn dierbaarste speelgoed meegenomen. Waaronder mijn knuffellammetje, hoe oud, vies en gaar hij toen al was.

Mijn lammetje kreeg ik toen ik een baby was. Ik was heel blij dat mijn zus nog wist dat Oma van Bloois het mij gegeven had. Die lieve, lieve oma, die ik veel te kort gekend heb.
Zelf wist ik namelijk niet meer dat het een cadeautje van haar was, in mijn herinnering was Lammetje er gewoon altijd.
Mijn steun en troost in de vele nachten met astma-aanvallen en het herstel daarna.  Mee op vakantie, mee naar de dokter. Mee in de poppenwagen, mee naar…  noem het maar op. Lammetje hoorde bij mij en had een intensief leven. Het pluizige van z’n vachtje verdween, zijn halsje werd slap. Er kwamen gaten in de stof, die mijn moeder netjes probeerde te repareren.
Uiteindelijk is Lammetje liefdevol verpakt en in een doos met persoonlijke spullen van mij bewaard. Mijn bedoeling was om ‘ooit’ nog eens te proberen hem op te knappen.

Het ‘ooit’ was vorige week aangebroken. Eindelijk had ik genoeg moed en, ook heel belangrijk, een duidelijk plan hoe ik mijn lammetje kon restaureren.
Mijn inspiratie hiervoor heb ik opgedaan bij de Teddy Bear Ladies:  Julie Tatchell en Amanda Middelditch. 

Deze vrouwen zag ik bij de Repair Shop knuffels restaureren.  Hoe kapot, vergaan en vies de beren, aapjes en hondjes ook waren. Knuffels die een speciale betekenis hadden voor de eigenaars, net zoals mijn lammetje dat heeft voor mij. Talloze afleveringen heb ik gezien de afgelopen jaren. Door heel goed te kijken naar hun werkwijze, durfde ik het nu aan om zelf te proberen mijn lammetje te restaureren. Ik wilde het ook echt met net zoveel geduld en precisie doen als zij.

Toen ik Lammetje vorige week  tevoorschijn haalde zag hij er zo uit:

Ook al had ik een duidelijk plan, het was doodeng om ermee aan de gang te gaan. Eén fout en het was bedorven, dan was Lammetje voorgoed verloren. 
Dus met de grootst mogelijke voorzichtigheid en concentratie werkte ik mijn plan uit. 

Eerst moest hij uit elkaar. Het kopje bleek gevuld met stro, het lijfje en de pootjes met kapok. Ik heb dit niet bewaard, dit was te oud en te slecht.

Voordat ik de onderdelen kon wassen heb ik alles gevoerd met een nieuwe, witte stof. Ik naaide alles met de hand, ik durfde geen machine hierbij te gebruiken. 

Toen gingen de stukken in een sopje met heel zachte zeep, spoelde ik ze voorzichtig uit, smeerde ze in met een papje van maizena en legde ze op een schone witte handdoek op een rekje te drogen.
Na een dag waren alle onderdelen door en door droog en heb ik met een zacht borsteltje de opgedroogde maizena er af- en uitgeveegd.
Ik was zo blij dat het goed geholpen had om de ergste bruine vlekken eruit te trekken. De stof was immers veel te kwetsbaar om het te poetsen of erover heen te wrijven. 

In de dagen daarna heb ik stukje bij beetje Lammetje weer in elkaar gezet, met de hand. Hebben die verfoeide handwerklessen van vroeger toch nog hun nut bewezen.
De originele glazen oogjes met het stukje groene vilt eronder heb ik ook kunnen redden, ik hoefde alleen maar een nieuwe zwarte katoenen draad voor zijn snuitje te gebruiken.
Uiteindelijk kreeg hij een nieuwe vulling en was hij weer zoals hij er ooit uitgezien moet hebben.
In zoverre tenminste, dat hij vroeger pluizig is geweest, en nu zijn kaalgeknuffelde velletje nog heeft.

Ik ben echt onwijs trots op het resultaat. 

Toen ik de onderdelen los had, heb ik er een patroontje van getekend, misschien dat ik ooit nog een nieuw exemplaar maak van pluche.
Maar dit lammetje is er weer. Met alle dierbare herinneringen die in zijn oude lijfje geknuffeld zijn. Uniek en oneindig waardevol. Mijn Lammetje.

Geneuzel

Inmiddels ben ik bezig met grondverf op de zoldertrap. Maandag al een stukje gedaan, mijn favoriete werkje (not) van de ronde spijltjes van de balustrade en de randjes van de treden, en wat stukjes zijkant. 

Vandaag ging ik weer verder, de onderkant van een aantal treden en het andere houtwerk langs de trap.
Dat is wel een rustig werkje, en net als bij wandelen gaan mijn gedachten dan alle kanten op:

Gister heb ik niet geverfd, ik had darmkrampen. Gelukkig gaat het vandaag een stuk beter.
De hond blaft beneden, ik hoor het geluid van een bestelauto. Zou dat DHL zijn met mijn bestelde garenpakket? 
Nee, ik hoor de karakteristieke claxon van de kaasboer. O ja, het is al donderdag natuurlijk, dan komt ie altijd langs. Ik koop alleen nooit wat bij hem, dus ik hoef niet naar beneden. 
Ik doe nog wat verf in het bakje en beweeg mijn roller kalmpjes over een trede.

Jammer dat het mijn garen niet is. Ik ga een lentedeken haken, een CAL (Crochet ALong). Alleen is deze CAL een beetje raar geregeld. Het principe is dat alle haaksters tegelijk beginnen met deel 1 van het patroon en dat stukje voor stukje de andere delen van het patroon online verschijnen.
Hier zit patroondeel 1 in het pakket. Die pakketten worden blijkbaar niet tegelijk verzonden.
Eergister stond er in de Facebookgroep al een foto, met een triomfantelijke tekst: Zo, deel 1 klaar! 
Eronder een stroom van reacties van mensen die nog niet hadden kunnen beginnen omdat ze het garenpakket nog niet hadden. 
Ik had geen zin om te reageren. 30 x ‘Ik wacht nog op me pakket’, wat voegt dat nou toe? (ja ik weet het, het is ‘mijn pakket’, maar dat staat er vaak niet )

Ik begin aan een volgende trede. De grondverf verwerkt prettig. Fijn is dat.
Sowieso heb ik het niet zo op Facebookgroepen trouwens. Hier moest ik me wel voor aanmelden, wil ik de overige delen van het patroon kunnen downloaden.
Er is altijd wel gezeur, commentaar, gesneer en onnozel gedoe in zo’n groep.
De enige uitzondering is de groep van Troostdekentje, daar wordt streng op toegezien dat er geen enkele negatieve uitlating, oordeel of commentaar gespuit wordt. Iedereen haakt daar voor het goede doel, op haar eigen manier en naar eigen kunnen.

Waarom zit er in vredesnaam een enorme spijker aan de buitenkant van de trap? Het ding steekt er een stukje uit en dat staat erg lelijk. 
Nu moet ik toch naar beneden om een tang te halen. Ik wrik en wrik en trek een spijker van ongeveer 10 cm uit het hout. De trap stort niet in elkaar, het was geen nuttige spijker dus. Werkelijk geen idee wie hem erin getimmerd heeft en waarom.
Zouden er nu ook tientallen foto’s van hetzelfde stukje deken op de fb groep verschijnen? 
Vast wel en dan altijd reacties eronder:  ik kan niet zo snel hoor, of: jeetje wat ben jij snel. Het is geen wedstrijd toch. 

Over wedstrijd gesproken. Wat was dat dinsdag toch ook een geneuzel. 
Toen heb ik overigens ook niet geverfd.
We gingen naar een informatiebijeenkomst in het ziekenhuis, als onderdeel van het revalidatieprogramma van Bert. Deze was met een diëtiste en een cardioloog, er komt er nog een met een fysiotherapeut, psycholoog en een verpleegkundig consulent. Mooi dat ze dat doen, er komt zoveel op je af na een hartinfarct. Nuttige info en tips zijn dan meer dan welkom. 

Er was een hele groep op komen dagen en wij zaten met twee andere stellen aan een tafel. 
Het ene echtpaar was vriendelijk en makkelijk om een praatje mee te maken. Dat lukte maar nauwelijks, want het andere echtpaar was erg aanwezig. Tenminste zij. De hele tijd was ze aan het woord om te vertellen hoe erg het allemaal wel geweest was met haar man, hoe en waar het gebeurd was en hoeveel stents hij wel had gekregen. ‘Vijf!’ zei ze trots. De man zelf was aardig maar kwam niet echt aan bod. Ze bleef maar praten, over het huis in het buitenland wat ze hadden en dat het daar gebeurd was en bla bla bla…. ik had zo geen zin om te luisteren, maar wilde ook niet onbeleefd zijn. ‘Heeft u ook stents?’ kreeg Bert ineens de beurt.
‘Ik heb er drie gekregen, en voor de andere kant weet ik het nog niet.’ antwoordde hij. 
‘Mijn man heeft er vijf!’ zei ze nog een keer.  ‘En u?’ ze keek de andere man vorsend aan. 
‘Eén,’ zei hij eenvoudig.
‘Een? Hij heeft er wel vijf!’ zei ze.  
Jahaaa, dacht ik, dat weten we nou wel. Wat wil je nou eigenlijk? Dat we allemaal zeggen: woehoe, jij wint?  
Ze zag dit blijkbaar als een wedstrijd, hoe meer stents, hoe interessanter. Dat was pas erg, wat haar man had gehad, daar konden die van de andere vrouw en mij niet tegenop. 
Ik zweeg, maar zat met kromme tenen. 
‘En nooit wat gehad hè, van tevoren. Nooit klachten!’ blaatte ze door. 
‘Nee, dat is herkenbaar,’ zeiden wij in koor. Geen punten voor haar deze keer dus.
Ik wilde bijna vragen of de man Richard heette, want zijn vrouw deed me enorm denken aan Hyacinth Bouquét die eigenlijk Bucket heet, inclusief dure kleding en kapsel. Die heeft het ook altijd over hoe belangrijk haar man is, terwijl de ziel zelf helemaal niet aan bod komt.
Toen kwam er nog een verhaal over een vriendin van een kennis, of een achternicht van een vriendin van de buurvrouw, ik weet het niet meer, die ook nooit klachten had en heel gezond leefde en zomaar kanker bleek te hebben. 
Wat moesten we daar nou weer op zeggen. Wat wilde deze vrouw nou eigenlijk, aandacht scoren met ellende? 
Gelukkig begon toen het programma  en hoefden we niet meer beleefd te doen, iedereen moest gewoon stil zijn. Natuurlijk stopte ze aan het eind nooit meer met vragen stellen aan de spreker, over ‘mijn man’. 
Vreselijk. Over twee weken is er nog een bijeenkomst, ik hoop haar niet weer te treffen.

Ik ben zo’n beetje klaar met mijn houtwerk voor vandaag. Misschien ben ik zelf wel een zeur, als ik zoveel moeite heb met mensen, hetzij in fb groepen, hetzij bij een bijeenkomst. 
Alleen reageer ik dan niet dus. Daar heb ik mijn blog voor, dan kan ik zaniken wat ik wil. En dan kunnen jullie zeggen, als je tenminste de moed gehad hebt om het uit te lezen:  jahaaaa…..

Door merg en pijpje

Welkom bij Heel Holland Plakt

We gaan vandaag uit het prachtige boek Bakkershart van Manuela van der Heijden, in 2016 deelnemer van HHB, mergpijpjes maken. 

Volgens Manuela klinkt dat moeilijker dan het is. In de tent was het destijds de technische opdracht. Geen idee hoeveel tijd ze daarvoor kregen, maar ik heb zo’n beetje de hele dag als het moet, dus dat is geen punt. 

Alle onderdelen maak ik zelf, inclusief de marsepein. Dat staat niet eens in het boek, ik verwacht bonuspunten. Het ligt al 24 uur in de koelkast te rusten (zie blog van gister)

De banketbakkersroom wordt zo lekker dat het maar goed is dat ik het afgedekt moet laten afkoelen, anders was het zo op. 
Daarna is de biscuit het volgende onderdeel. Dit vind ik altijd moeilijk, maar het komt heel redelijk uit de oven. Het heeft wel wat richels, zoals een strand bij eb, maar dat zie je straks niet meer. 
De botercrème is aan de beurt, dat gaat ook prima. Ik ben enorm in mijn nopjes en denk: het is inderdaad niet zo moeilijk. 
Dat had ik beter niet kunnen denken. Want pas dan begint het echt. 

Hoezo moet ik hier acht mergpijpen uit kunnen halen. Ik meet en meet nog eens na. Het worden er zes, meer kan ik er niet van maken. Tijd om het op te bouwen. 

Wat, punt 6?  Komt ze nu mee! Ik heb alle botercrème er al opgesmeerd! Het is op!

Oké, bovenste laag biscuit er weer af, laagje botercrème  afgeschraapt, biscuit er weer op. 
Inmiddels loopt de jam eruit en wordt het aardig kleverig allemaal. 

Dan de marsepein uitrollen. 
‘Rol de mergpijpjes in de marsepein en zorg dat de sluiting onderzit.’ Ja Manuela, dat had nou wel wat uitgebreider gemogen. Hoe groot moet zo’n lapje zijn? Hoe ga je dat uitmeten, ik ben geen rekenwonder. Mijn centimeterband doet het prima bij haakwerk maar bij marsepein is hij veel te flexibel en slingert alle kanten op. Die band plakt inmiddels dus ook van de jam en crème.
Mijn deegroller plakt. Er komt jam op de marsepein. De marsepein scheurt, want te dun. Overnieuw rollen. Te dik, zo komt het niet uit met de hoeveelheid. Ik doe uiteindelijk maar wat en bekleed de mergpijpjes en wat er toevallig nog meer op mijn aanrecht ligt met marsepein. 
O help. Alsnog dat laagje botercrème wat ik er weer afgeschraapt had en wat onder de marsepein moest, bij vijf van de zes mergpijpen vergeten. Heb ik alsnog botercrème over. Jammer dan. 

Goed, de marsepeinpakketjes gaan in de koeling.
Tijd voor de chocolade. Ik voeg na punt 9 nog een punt 9a toe:  Zoek je wezenloos naar de kookthermometer die in de la moet liggen maar er niet ligt. Haal je la leeg. Haal vervolgens  de la eronder met de bakspullen leeg. Mopper dat je dat ding echt nergens kan vinden. Aanvaard de hulp van je man die eerst vraagt hoe die thermometer er uit ziet en die vervolgens in nog meer laden en kasten gaat zoeken. Vergeet ondertussen niet in de chocolade te roeren. Vraag je vertwijfeld af of die chocola nu warm genoeg is of misschien inmiddels wel te heet. Vind tot je verbijstering alsnog de thermometer in de eerste la. Meet de temperatuur van de chocola. Negeer de volkomen chaos die inmiddels in de keuken is ontstaan. 

Uiteindelijk kom ik bij punt 12. Dit wordt een ware chocolade-orgie. Het moet niet zo moeilijk zijn om die dingen aan beide kanten in de chocola te dopen. Maar dat is het blijkbaar wel. Werkelijk overal zitten vegen chocola: op het aanrecht, de keukenkastjes, het bakgerei en het bestek. Alles plakt, pikt, kleeft en is besmeurd. 

Maar hèhè, de mergpijpjes zijn dan uiteindelijk klaar en kunnen afkoelen in bijkeuken, de chocola zal straks gestold zijn. Ik begin orde in de chaos te scheppen, veeeeeel af te wassen en te poetsen en dan is de keuken weer toonbaar. Mijn schort niet: 


Daarna ga ik mijn welverdiende zaterdagse biertje drinken en samen met Bert een aflevering van de mooie serie 1883 kijken.

Als die is afgelopen, loop ik nieuwsgierig naar de bijkeuken. De mergpijpen zijn klaar. Ik schiet onbedaarlijk in de lach als ik ze zie. Hoezo: ‘Hier kan ik er echt geen acht uithalen, het worden er zes?  Ze zijn belachelijk groot geworden, ik had er met gemak twaalf van kunnen maken.

Nee, ze zijn niet mooi. Ja, ze zijn vast lekker, we gaan ze proberen.
Maar grote genade, het is echt een veel te grote hap zo. Ik halveer er eentje, we gaan er samen van eten. De binnenkant ziet er gelukkig prima uit. 
We gaan proeven, wat smaakt dat goed! Maar echt, zelfs een halve is al behoorlijk machtig. . Hier gaan we dus nog lang plezier van hebben. Tot we er helemaal zat van zijn. 
‘Wil je nog een mergpij..’ 
‘ NEEEE!’ 

Bezig

Voordat de hartperikelen van Bert begonnen, hadden we ons voorgenomen om klussen in huis aan te pakken. De zoldertrap moest nu eindelijk eens geschilderd en de overloop opgeknapt. We hadden de smoes dat we dat niet zouden doen voordat de nieuwe badkamer geinstalleerd was, maar die zit er inmiddels ook al weer een jaar. De trap naar het halletje, tenminste als je van boven naar beneden gaat, anders is het de trap naar de overloop, moest ook weer opgeknapt, evenals de bijhorende muren. Dan het halletje zelf en last but not least eindelijk de muren en houtwerk in de huiskamer.
Een hele toestand dus, maar het kan in gedeeltes en als we van boven naar beneden werken komen we vanzelf in de huiskamer uit. 

Bert was al begonnen met de balustrade op zolder te schuren, daarna zou de trap aan de beurt zijn. We hebben gekozen voor gebroken wit voor de trappen en antracietgrijs voor het andere houtwerk. Ook de chocoladebruine trap (lezers die me al langer volgen herinneren zich misschien Trap van 4 jaar geleden) moet die lichte kleur worden, de hele filosofie daarachter zal ik even achterwege laten anders wordt dit een novelle in plaats van een blogje. Ik dwaal inmiddels al zo af…


Oké, de zoldertrap moest dus nu. Maar Bert gaat dat nu natuurlijk niet doen (het gaat gelukkig wel heel goed met hem) dus dacht ik van de week: laat ik er dan maar eens aan beginnen .
We zouden sowieso allebei dingen doen, alleen niet aan hetzelfde werken want dat kunnen we niet zo goed. We weten namelijk allebei hoe het moet en die zienswijzen komen niet altijd overeen. Maar nu begon ik aan de trap. 
´Ik pak de grote schuurmachine er maar bij,’ zei ik. 
‘Grote schuurmachine? Die hebben we helemaal niet,’ zei Bert. ‘Alleen dat kleintje, die muis.’ 
‘Die hebben we wel,’ hield ik vol. ‘Een vlakschuurmachine, ik weet het zeker.’ 
‘Nee hoor, dat is niet zo,’ hield Bert eveneens vol. 
Kijk, daarom werken we nooit samen. Bij de voorbereidingen zijn we het al niet eens. 
Ik moet zeggen dat ik wel een beetje irritant triomfantelijk was toen ik de vlakschuurmachine toonde die ik opgegraven had uit onze ongeorganiseerde garage. (Misschien een project voor als de huiskamer klaar is. Ooit)
‘Kijk eens wat ik hier heb,’ zei ik. Je merkt het al, we hebben een heel geëmancipeerd huishouden. 

Het huis is opgeleverd in 1979, met een bruingebeitste trap, maar de toenmalige bewoners besloten dat het leuk was om hem rood te maken. En niet zo’n beetje ook. Ik denk dat het de bedoeling was dat archeologen over 1000 jaar nog die rode trap tegen zouden komen. Want goeie genade wat zit die verf er belachelijk dik op.
Ik schat in dat ze een blik verf per trede gebruikt hebben en nog eens 20 liter voor de zijkanten en balustrade. Ik moet toegeven dat het in zoverre werkte, dat er na 40 jaar nog nauwelijks een beschadiging op trap zat. Maar ja, die kleur hè, die waren we inmiddels spuugzat. En als je hem wit wil maken, moet dat rood er niet doorheen schijnen. Dus het moest er echt af. 

Ik begon dapper met schuren, machine aan de stofzuiger aangesloten, wat kon er misgaan. Niks, maar er werd ook niet geschuurd. Die verf…. het ging er gewoon niet af.
Stond ik daar met mijn vlakschuurmachine die we wel hadden. Had ik zo ook niks aan. 
Dan maar hardere maatregelen, ook al hou ik daar eigenlijk niet van. Ik ging naar de bouwmarkt en haalde verfafbijt.
Zolderraam open, voordeur open, mondmasker voor en die smurrie op de treden smeren.
Lekker handig ook dat door het mondmasker mijn bril besloeg en ik in de mist moest smeren.

Ik was nog zo slim om te bedenken dat ik niet meer dan vier treden moest doen, anders kon ik er nooit meer bij om het eraf te halen als het ingewerkt was. 

‘Kwaad spul’ zoals ze hier in Groningen zeggen, ik zag na een half uur de blaren op de traptreden komen. Met een plamuurmes kon ik vervolgens de vellen eraf halen, dat is best een leuk werkje. Alleen, als je de vellen dan opvangt in het blik (van stoffer-en-blik) en vervolgens in een onbewaakt ogenblik dat blik uit je tengels laat vallen in het trapgat, dan zit de trap eronder ook onder de rode vellen met smurie. ‘Niet handig’ is dan een understatement.
Helaas zat de onderlaag van bruine beits nog wel grotendeels op de treden, ook ouderwetse kwaliteit blijkbaar. 

Nogmaals een poging met de schuurmachine. Die vond dat niet leuk, die gleed alle kanten uit en haperde en stuiterde over die oude lak en ik had de grootste moeite om het ding in het gareel te houden.  Het ging zo ongeveer als in dit Gifje op de achtergrond gebeurt.

Maar de aanhouder wint en vanmorgen heb ik de laatste vier treden uiteindelijk geschuurd. En ben verstrikt geraakt in het laken wat ik op de vloerbedekking had gelegd ter bescherming. En in de knoop met de stofzuigerslang en het snoer van de schuurmachine. En had zo lang op mijn hurken gezeten voor de onderste tree dat ik niet meer overeind kon komen. Deze vrouw van 62 is duidelijk niet meer zo soepel als toen ze 26 was. Maar kijk eens even, ik ben tevreden: 

Ik ga vandaag niet meer beginnen met schilderen, want ik wou ook nog marsepein maken. Voor de mergpijpjes die ik morgen wil bakken, die marsepein moet eerst 24 uur in de koelkast rusten. Lui spul. Nog niks gedaan en dan gelijk al weer rusten.
Ikzelf ga wel nog andere dingen doen. 

Ik moest denken aan een passage uit de Spreuken van Salomo en vind dat ze wel een update kunnen gebruiken.  Het loflied op de sterke vrouw, Spreuken 31 vers 10 t/m 27:

‘Een sterke vrouw, wie zal haar vinden?
‘s Morgens zorgt zij voor het ontbijt. 
Ze schuurt de treden van de trap.
Ze vecht met machines, lakens, snoeren en slangen. Zij overwint.

‘s Middags maakt zij haar eigen marsepein. 
Ze gaat met de hond naar het bos. 
Zij doet de boodschappen. 
Zij maakt twee soorten curry. Eentje met kip en een vegetarische versie. 

‘s Avonds haakt zij warme dekens. 

(en valt in slaap voor de tv, maar dat hoeft er wat mij betreft niet persé bij. Dat vertel ik alleen aan jullie) 

Schok

Al jaren doen we ’s zondags een gezellig ontbijtje. Door de week maak ik in de keuken voor Bert een broodje hagelslag, vind het voor mezelf dan nog te vroeg om te eten, dus hou het dan bij een kop koffie.
Maar op zondag worden er broodjes gebakken, eitjes gekookt, tafel gedekt, komen er lekkere belegjes op tafel en voor Bert versgeperste sinaasappelsap. Ikzelf ben niet zo van de sap bij het ontbijt.
Aan dat zondagse ontbijt doe ik helemaal niets, Bert regelt dat, roept me als het klaar is en dan kom ik naar beneden in de heerlijke geuren van verse broodjes en koffie. Iedere week een genietmomentje. 

Vorige week liep het anders.
Bert was naar beneden gegaan, ik hoorde wat vertrouwde geluiden van serviesgerammel en koelkastdeur open en dicht. En toen ineens een hoop gebonk op de trap. Ik dacht dat het de hond was, die heeft soms moeite met de trap nu hij ouder wordt.

Maar de slaapkamerdeur ging open en Bert kwam binnenwankelen. ‘Ik voel me niet goed,’ stamelde hij. Ik vloog mijn bed uit om hem op te vangen. Hij zag asgrauw en het zweet parelde op zijn voorhoofd. Ik hielp hem op bed te gaan liggen en dacht : ik moet de dokter bellen. Nee! 112!
Direct gebeld, direct verbinding. ‘112, belt u voor politie, brandweer of ambulance?’
‘Ambulance,’ riep ik.  ‘Blijft u aan de lijn.’ Dat deed ik en de telefoon ging over. En nog een keer en nog een keer…   NEEM NOU OP! schreeuwde ik inwendig, met mijn ogen op Bert gericht. Ademde hij nog? Nadat de telefoon een keer of 12 was overgegaan klonk er eindelijk een verlossende stem.  Ik riep wat er aan de hand was en mevrouw zei:  ambulance is onderweg, blijft u aan de lijn!’ Ze vroeg mij wat dingen over Bert. Ik zette de telefoon op luidspreker en probeerde mezelf ondertussen snel aan te kleden. Rukte de eerste de beste trui uit de kast en vloog toen naar beneden om de hond in de bench op te sluiten en de voordeur open te zetten . Toen weer naar boven, Bert lag stil op bed en ik zag de ambulance al voorrijden. 
Daarna ging alles in een sneltreinvaart. Twee ambulancemedewerkers, een man en een vrouw, begonnen gelijk eerste hulp te verlenen. Ik trok me even terug, de slaapkamer is niet zo groot en ik wilde ze alle ruimte geven.
Ik rende naar beneden en propte wat spullen in mijn tas:  mijn telefoon, een lader, mijn eigen medicatie. Hoe ze Bert naar beneden gekregen hebben heb ik niet gezien, maar ik holde wel mee met de brancard naar de ambulance.
‘Zal ik er achteraan rijden?’ vroeg ik. ‘Nee, je gaat mee, ‘zei de man. Ik kende hem een beetje, van hier uit het dorp en dat was prettig. Hij heet Sjoerd en straalde een enorme rust uit. ‘Zo ben je er in het ziekenhuis direct ook bij en het is bovendien veel veiliger voor jouzelf om nu niet te rijden.’
De vrouw ging bij Bert achterin zitten, ik voorin naast Sjoerd. De zwaailichten en sirene gingen aan en binnen 17 minuten waren we in het UMCG. Normaal doe ik daar ruim een half uur tot drie kwartier over. We vlogen over de weg, het andere verkeer gaf ons de ruimte. Er was een automobilist die zelf een heel gevaarlijke manoeuvre maakte om ons erdoor te laten.
‘Dou dat nou nait, man,’ mompelde Sjoerd. Verder hield hij mij op een rustige manier aan de praat, hij vertelde wat ik zometeen in het ziekenhuis kon verwachten. Dat hielp heel erg om mij bij zinnen te houden.
In het ziekenhuis stapte hij gelijk uit om zijn collega te helpen met Bert, maar dacht er ook nog aan om mij te waarschuwen voor de hoge afstap van de ambulance, als ik uit ging stappen. Dat zou wat zijn zeg, dat ik daar op de betonnen vloer donderde. Dus ik stapte voorzichtig uit en rende letterlijk achter de brancard aan. ‘We hebben nieuwe laarzen gekregen, zevenmijlslaarzen,’ maakte de vrouw een geintje. Dat was fijn, een klein beetje humor helpt om het allemaal aan te kunnen. 

Daarna gebeurde er van alles en ook weer heel snel. Ik weet niet eens precies wat allemaal meer, het was de spreekwoordelijke roes.
In ieder geval werd Bert direct door een cardiologie-team opgevangen en meegenomen. Ik werd in een stoel geïnstalleerd met de vraag of ik hier rustig wilde wachten. Ik kon koffie halen en ik mocht bellen als ik dat wilde, maar niet de ruimte uit. Ze gingen kijken wat er precies aan de hand was met Bert en zo mogelijk gelijk behandelen. Ik moest wel rekenen op een uur.
Zolang hoefde ik niet eens te wachten. Na drie kwartier kwam de cardioloog bij me zitten en vertelde dat Bert nu stabiel was. Zijn rechterkransslagader was volkomen geblokkeerd geweest en ze hadden drie stents geplaatst. Hij legde ook nog uit wat een stent was, want dat wist ik niet precies. Ook vertelde hij dat de linkerkransslagader ook niet in orde was, maar dat daar nu niets aan gedaan werd, dat zou te belastend zijn voor het hart. Eerst nu weer herstellen van deze schok. Er was nooit een aanwijzing geweest dat er wat mis was.
Er kwam een verpleegkundige bij, die zei:’ U mag wel even bij hem.’
Toen ik binnenkwam lag hij daar, met weer veel meer kleur in zijn gezicht en hij zei, zoals hij al zo vaak gezegd had:  ‘Hallo liefje.’  Wat kunnen die simpele woorden dan bijzonder zijn.

In de uren daarna bleef hij nog in het UMCG op de IC en ik mocht steeds bij hem blijven. Ik had het bloedheet, de trui die ik vanmorgen willekeurig had gepakt was veel te dik voor het warme ziekenhuis. Maar ik had wel een Eskimojas aan kunnen hebben, als ik daar maar kon zitten naast Bert en met hem praten en zijn hand vasthouden.
Hij kreeg brood en mocht zeggen wat hij wilde drinken. ‘Een sinaasappelsapje,’ zei hij. ‘Daar ben ik vanmorgen niet aan toe gekomen,’ kwam er nuchter achteraan.
Tegen de avond werd hij overgeplaatst naar het Martiniziekenhuis, ook weer met de ambulance en ik mocht nogmaals meerijden. Nu reden we rustig, stopten voor rood licht en voor voetgangers op een zebrapad. Dit was geen noodgeval meer, puur transport. 

In het Martini werd hij ook alweer opgewacht. ‘Ah, visite, gezellig,’ zei de verpleegkundige opgewekt. Ze installeerden Bert in een eenpersoonskamer aan de hartbewaking, hij had net zoveel snoeren en kabels aan zijn lijf hangen als een ouderwetse computer.
Werkelijk iedereen, zowel in het UMCG als in het Martini, was even vriendelijk, behulpzaam en belangstellend. Ook voor mij, ik heb me geen moment verloren gevoeld. 

‘s Avonds kwam mijn zwager me ophalen. Ik liet Bert achter met een gerust gevoel, hij was in de veiligste omgeving die er nu was.
Thuis stond de ontbijttafel nog gedekt. Dat was even confronterend. Bij Berts bord stond het glas uitgeperste sinaasappelsap. Ik heb het opgedronken, omdat ik het niet weg wilde gooien, dit sapje was haast symbolisch.

Na twee dagen aan de hartbewaking, controles, medicatie en weet ik wat niet allemaal meer, mocht hij naar de verpleegafdeling, met een telemetrie-kastje.
Ineens op een vierpersoonskamer, dat was wel even een overgang.
Ik zou een flinke blog kunnen schrijven over wat ik daar allemaal zag, hoorde en meemaakte. Maar ik ben daar huiverig voor, het gaat om kwetsbare mensen en hun naasten. Ik zou het ook niet prettig vinden om zomaar ergens iets te lezen over hoe wij deden en wat we zeiden. Dus ik laat het er maar bij. In ieder geval vond ik sommige dingen hilarisch, heb over andere situaties mijn wenkbrauwen opgetrokken en was soms echt aangedaan.
Iedere dag naar het ziekenhuis gaf mij een heel andere kijk op dingen in het algemeen en het leven in het bijzonder. Klinkt dat cliché? Voor mij was het echt zo. 

Nu is Bert weer thuis, ik mocht hem donderdagmiddag ophalen. Heel erg fijn, maar eerlijk gezegd ook spannend. Vooral die eerste nacht. Ademt hij nog wel? O gelukkig, ik hoor weer een snurkje. Terwijl ik voorheen vaak gedacht heb:  man hou nou es op met dat gezaag en gesnurk.
Hij heeft een heel arsenaal aan medicatie gekregen, ik heb een fancy pillendoos voor hem gehaald, zo raken we niet in de war. De komende tijd moet hij aansterken, blijft poliklinisch onder controle en dan over een paar weken terug naar het UMCG voor een ingreep aan de andere kant. Ook spannend natuurlijk, maar nu kunnen we ons erop voorbereiden.

Vanmorgen zaten we aan het zondagsontbijt. Deze keer had ik het gemaakt. Broodjes gebakken, eitjes gekookt en een heel grote sinaasappel uitgeperst. Die kwam uit een fruitmand die een buurman had laten bezorgen. Het huis staat vol bloemen en kaarten, van allemaal mensen die meeleven. Dat is zo fijn. Bert heeft zijn eigen sinaasappelsap weer opgedronken. Een vol glas was het geworden, maar ik zou wel een hele sinaasappelboomgaard voor hem willen uitpersen.
Omdat het weer kan.

Genegeerd

Ik weet dat ik niet zo groot ben en ook dat ik geen imponerend uiterlijk heb. Maar dat ik bij tijd en wijle gewoon onzichtbaar ben, zover was ik nog niet gekomen.
Toch is het blijkbaar zo.
Voor een buurman die zelf nu niet weg kon, zou ik wat boodschappen doen, waaronder wat tabakswaar. Ik ben zelf geen roker, maar ik wist dat je het niet meer zelf kan pakken omdat het in gesloten kasten achter de servicebalie van de supermarkt is verstopt.


De balie is ook een PostNL punt, daar werd iemand geholpen en ik ging daar netjes achter staan. Toen kwam er een medewerkster bij, dat maakte er drie, want de baas stond er ook nog onduidelijke dingen te doen. Ik stapte opzij, zodat ik bij de nieuw aangekomene mijn boodschapje kon doen, maar ze keek langs me heen naar twee mannen die schuin achter mij waren gaan staan.
‘Wij willen een kenteken laten overschrijven,’ zei de ene. ‘O, komt u maar naar deze kant,’ zei het meisje achter de balie. ‘Nou, eigenlijk ben ik eerst aan de beurt,‘ zei ik. 
‘O ja, natuurlijk sorry,’ zei de man en maar het meisje was al begonnen met de computer. Ik zuchtte en dacht: oké die andere medewerkster is zo wel klaar met haar klant.
Dat ik voor de baas onzichtbaar ben, dat weet ik al zolang hij hier een winkel heeft. Hij heeft volgens mij een spontane antipathie tegen mij opgevat vanaf het moment dat hij me voor het eerst zag. Hij groet andere klanten vrolijk, mij nooit. Toen ik nog met kinderen boodschappen deed, kregen zij een lach en een aai over de bol, ik bestond niet. Uiteraard hoef ik geen aai over mijn bol maar een ‘hallo’ was toch niet te veel gevraagd, zeker als ik zelf wel groette. Erg raar en eerlijk gezegd ook hoogst irritant, want ik weet niet waar ik het aan te danken heb.
Mijn verrassing was dan ook niet erg groot dat hij wegliep en ik nog weer moest wachten.
Toen was de andere medewerkster klaar met haar klant, ik haalde adem om mijn bestelling te doen en… ‘Twee pakjes Camel alstublieft’ blèrde een vrouw achter mij. En prompt ging de tabakskast open voor haar. ‘Ik sta hier al een poosje te wachten en was nu echt aan de beurt!’ zei ik. ‘O sorry hoor, ik ben zo klaar,’ zei ze op een toon van ‘mens zeur niet zo’.
Ze was helemaal niet zo klaar, want voordat zij afgerekend had moest degene die haar hielp ineens haar collega bijstaan bij de kentekenadministratie en duurde het dus nog langer. Moest ik iets voor mezelf hebben, dan was ik allang weggelopen, ik was inmiddels zwaar geïrriteerd. Maar ik moest het voor de buurman halen, dus ik bleef staan. 

Daar kwam een derde medewerkster aan en vroeg :’Wie kan ik helpen?’
‘Mij!’ zei ik hartgrondig, ik wilde er haast aan toevoegen:’ Wat fijn dat je me ziet staan,’ maar dat zou wel heel dramatisch klinken. De baas was inmiddels ook weer aangeschoven, maar keek consequent langs me heen.
Ik deed mijn bestelling, waaronder een pakje shag. ‘Zware of halfzware?’ vroeg de medewerkster. ‘O help, dat weet ik niet. Het is voor meneer X, die ken je vast wel. ‘ 

‘O ja. Ik geloof halfzware.’ zei ze.  ‘Meneer X?’ bemoeide de baas zich er ineens mee. Die klant was blijkbaar een stuk interessanter dan ik, ook al was de man nu zelf onzichtbaar, want niet aanwezig. ‘Ja, die rookt halfzware shag.’  Onnodig te zeggen dat hij mij daarbij totaal negeerde. Ik stak toch echt wel een stukje boven de balie uit hoor, daar lag het niet aan. 

Ik rekende af, pakte mijn spullen en wilde de winkel uitlopen. Maar dat ging ook zomaar niet want mensen die met hun wagentjes naar binnen moesten of die pakjes opgehaald hadden, waren blijkbaar veel belangrijker en moesten daarom voor. Ze zagen me niet of wilden me niet zien. Wat was dat vandaag, ik werd er niet vrolijk van. 
De buurman zag me wel toen ik in zijn huis kwam. Gelukkig maar, ik begon haast aan mezelf te twijfelen.
Ik ging gauw naar huis. Mijn  hondje stond al voor het raam naar me uit te kijken, heel blij dat ik er weer was. Balsem voor de ziel.