Vroeger vond ik het niet zo leuk om Van Bloois te heten. Er was, natuurlijk met uitzondering van mijn familie, niemand anders die zo heette. Ik moest mijn achternaam altijd herhalen en, zodra ik het kon, ook spellen. Liever had ik een gewone naam gehad, zoals Van Dam, of De Vries. ‘Hoe?’ of ‘Wat’? was steevast de reactie als ik mijn naam gezegd had. Vele variaties heb ik voorbij zien komen op lijsten en post enzo. Blois. De Blos. Blovis. Blooijs. Booi. Bloos. (ja bijna altijd werd de ‘Van’ vergeten). De meest bijzondere was Blokvis. En als mensen mijn naam eerst geschreven zien en het dan gaan uitspreken is er negen van de tien keer een aarzeling. Nu nog steeds. ‘Mevrouw Van eh, Bl…. Blwah? Zeg ik het zo goed?’ Tuurlijk blijf ik altijd vriendelijk, ik snap het best. ‘Nee hoor, gewoon uitspreken zoals je het schrijft.’ ‘Ah, Bloois dus?’ ‘Ja, Van Bloois dus.’ Mijn man heeft het omgekeerde, want die heet De Vries. Die hoefde nooit zijn naam te herhalen vroeger of te spellen. En nu nog steeds niet. Als hij in een wachtkamer zit en er wordt: ‘Meneer De Vries!’ geroepen, dan staan er zo drie meneren De Vries op. Dat dan weer wel.
Nu ik ouder ben, vind ik mijn naam wel mooi. Ik gebruik dan ook geen pseudoniem voor het schrijven omdat het makkelijker in het gehoor zou liggen. Van Bloois is een prima naam, ook al moet ik nog steeds het riedeltje zeggen wat ik al bijna zestig jaar gebruik: B, L, dubbel O, I, S. Of aan de telefoon: Bernard, Leonard, dubbel Otto, Isaak, Simon. Waarom zijn dat eigenlijk allemaal mannen, bedenk ik ineens nu ik dit opschrijf. Ik ga een eigen spelling maken voortaan: Bella, Lisa, dubbel Olivia, Irene, Saskia. Ben benieuwd wanneer ik het kan gaan gebruiken!
Mijn moeder had een mooie achternaam, vind ik , die heette Van Egmond. Ik was vroeger gewoon een beetje trots als ik op school tijdens de geschiedenisles leerde over de Graven van Egmond en Hoorne. En haar oma heette Guldemond. Ook al zo mooi. Maar niet iedereen in haar familie was bedeeld met zo’n chique naam. Ik had twee tante Mijntje’s. Een gewone tante Mijntje en een tante Mijntje Spek. Dat was eigenlijk een tante van mijn moeder, dus mijn oudtante. Ze zaten daar trouwens nog meer in de vleeswaren, want er was ook nog een nicht die Ham als achternaam had. Dan was ik stiekem toch wel weer blij dat ik Van Bloois heette, vooral ten opzichte van die naam Spek.
De acteur Kevin Bacon heet natuurlijk eigenlijk gewoon ook zo. Maar in het Engels klinkt het ineens anders, vind je niet? Dat is nog met meer bekende namen zo. Johnny Cash heet in het Nederlands Jantje Contant. Klinkt als een stripfiguur. En Reese Witherspoon is dan gewoon Ries Methaarlepel. Dat wil je toch niet… Doe maar Van Bloois. Ik vind het helemaal prima.
Will you still need me, will you still feed me, when I’m 64?
Tja, toen de Beatles dat zongen leek dat inderdaad heel oud. En nu? Nu ben ik zelf zo ver en voelt dat helemaal niet zo. Het is best een knus beeld hoor, wat de liedtekst schetst.
Een trui breien (nou ja, zonder de fire-place dan): check
Onkruid wieden in de tuin: check
Kleinkinderen op m’n schoot: check
Zomerhuisje huren als het niet te duur is: check.
Maar verder is er weinig bezadigdheid de laatste weken. Ineens gebeurt er van alles tegelijk.
Bert werkt niet meer, dat is een hele verandering. Heel veel geregel. Dat zijn ontslag op de juiste manier ging, WW aanvragen, en oneindig veel berekeningen maken hoe we het verder zullen doen nu. Veel onzekerheden, omdat het op papier wel rond is maar we in de praktijk nog niet echt weten waar we aan toe zijn. Nieuwe levensfase.
Twee auto’s ingeruild voor één, waar we hopelijk jaren plezier van kunnen hebben. Een grote beslissing en een grote uitgave. Het was uiteraard maar een auto, mijn Cuore. Maar ik had moeite met het afscheid. Het was mijn eigen Omamobiel en die gaf me vrijheid en zelfstandigheid. Ik vind het moeilijk om afhankelijk te zijn van iets of iemand. Maar we hebben nu een ander leven gekregen en dan zijn twee auto’s gewoon onzin. Toch deed het me wat. Nieuwe levensfase.
Uit onverwachte hoek kwam er nieuw werk voor mij op mijn pad. Ik kreeg een tip voor een vacature, ik solliciteerde. Educatief auteur voor een lesmethode voor groep 5 t/m 8, met thematisch onderwijs waarin vrijwel alle leerdomeinen zijn geïntegreerd. Volkomen in mijn straatje, daar ligt mijn hart qua onderwijs. Zo werkte ik vroeger met de kleuters, wat nu groep 1 en 2 is en liefst ook in de hogere groepen. Helaas kon dat door allerlei regels hoe langer hoe minder in de loop van de jaren en ik ben uiteindelijk mede daarom afgehaakt als leerkracht. Nu komt dit idee meer en meer terug en daar word ik enthousiast van. Ik solliciteerde. Maakte een proefopdracht. Had een gesprek. Werd aangenomen. En als absolute kroon daarop mag ik gaan werken aan: ‘Van oermens tot Romein’. Dat is voor mij wel zo geweldig. Die periode vind ik fantastisch interessant, ik heb er veel over gelezen, gezien, geleerd, gepraat, geschreven, propedeuse in gehaald, kinderboek over geschreven… en zo kan ik nog heeeel lang doorgaan. Van alle onderwerpen die maar aan de orde hadden kunnen komen had ik niets liever gekregen dan juist dit. Hoe mooi is dat. Maar ook : hoe spannend. Gaat het me lukken? Kan ik waarmaken waar mijn werkgever op rekent? Hoeveel tijd zal ik er voor nodig hebben? Kan ik goed samenwerken met mijn duo-auteur? Zal… nou ja, honderd vragen en onzekerheden. Nieuwe levensfase.
Maar ook: dankbaar. Dat ik met m’n 64 jaar dit kan gaan doen, een fijne relatie heb, een lief gezin, een mooi huis, een heerlijke tuin. Dat ik echt wel merk dat ik ouder ben geworden, maar dat mijn/ons leven niet stilstaat. Dat er nieuwe dingen op ons pad komen, nieuwe uitdagingen zogezegd. En dat ik, zoals van de week, heerlijk even met mijn man in de keuken kan dansen op ‘When I’m 64’, zoals we vroeger op andere nummers deden. Yes, I need you and I feed you when I’m 64.
Vanmorgen vroeg is het wat frisser buiten, ik wil op tijd wandelen met Lenny. Maar mijn eerste loopje is naar de konijnenren. Wat vreemd. De hele groep zit aan de rechterkant, in een soort halve cirkel, en iedereen zit rechtop als een paashaas. Het ziet er wel schattig uit, maar ik voel me toch ongerust. Er is iets aan de hand, dit is totaal geen normaal gedrag. Zelfs El, die extreem schuw is, blijft zo zitten als ik eraan kom. Ik kijk ze allemaal aan en zie: Robin is er niet. Al snel zie ik aan de andere kant een uitgestrekt bruin lijfje liggen. Veel te stil. Een vlieg kruipt over haar achterpoot. Lieve Robin, de hitte is haar teveel geworden. Gisteravond was ze er nog, maar vannacht heeft haar hartje het opgegeven. Veel te jong, ze was nog maar pas twee jaar geworden.
Ik schiet helemaal vol. Mijn lieve meisje. Het is onvermijdelijk dat er verdriet komt wanneer je dieren hebt, ik weet het wel. Maar het is zo moeilijk. Al zo vaak heb ik over onze konijnen geschreven en over het intense plezier dat ik aan ze beleef. Hun karakters, de groepsstructuur, hun gewoontes. Nu zit er een gat in de groep. En is Bert bezig een gat in de grond te graven.
Kleine Robin, die eigenlijk inmiddels zo groot was. Al vanaf het moment dat ze haar babyneusje uit het nestje stak, heb ik van haar gehouden. Haar karakter gezien, haar plaats in de groep. En haar plaats in mijn hart. Ik had zo graag gewild dat ze oud mocht worden. Dag, lief meisje. Je wordt gemist.
We zijn in een periode beland dat één auto volstaat. En we hebben er twee. Een stoere Punto Diesel, die was voor Bert en de lange afstanden, en mijn eigen lieve Omamobiel, die me zoveel vrijheid gaf. Maar nu is het tijd om samen met één auto te doen. Een zoektocht op internet was afgelopen week al gestart, want een automonteur weet precies welke merken betrouwbaar, betaalbaar en geschikt zijn voor onze nieuwe situatie. Er kwam een bonte (nou eigenlijk niet want de meeste auto’s waren zwart of wit) stoet aan autootjes voorbij en mijn oren tuterden van alle mogelijke typetjes. Uiteindelijk zagen we de goede: een Mitsubishi Space Star. Ik kreeg gelijk visioenen van ruimtereizen waar Musk alleen maar van kan dromen.
Het karretje stond bij een garage in Friesland, een uur rijden bij ons vandaan. Bert belde gister op, of we vandaag misschien konden komen kijken. Er schetterde een stem met een vet Fries accent uit de telefoon, ik luisterde stiekem mee en hoorde dat we dan aan het eind van de middag konden komen want hij moest ‘eerst nog een houten pop halen in Brabant.’ Ik trok mijn wenkbrauwen op naar Bert. Nou ja, kan natuurlijk, misschien voor de etalage, of zijn kind was gek op Pinocchio ofzo. Bert sprak een tijd af en verbrak de verbinding. ‘Hoezo een houten pop halen?’ vroeg ik. ‘Een auto ophalen!’ Bert is niet iemand die vaak hardop lacht, maar nu toch wel. Ik lachte ook, dit paste wel beter bij een autohandel.
Vandaag belde Bert nog even terug of de man ervoor open stond om twee auto’s in te ruilen, dan zouden we ook met twee auto’s komen vanmiddag. ‘Om welke auto’s gaat het?’ schetterde de Friese stem. ‘Een Fiat Punto uit 1911,’ begon Bert en nu was het mijn beurt om in de lach te schieten. Zo’n oldtimer zou heel zeldzaam zijn en waarschijnlijk onbetaalbaar. ‘Ach nee, 2011 natuurlijk,’ verbeterde Bert zich. ‘En een Daihatsu Cuore uit 2007.’ Daar had de man wel oren naar, dus wij togen vanmiddag met twee auto’s naar Friesland. Bert had de afgelopen dagen veel werk gedaan om de auto’s zowel van buiten als van binnen onberispelijk schoon te maken, dus shinend reden wij achter elkaar aan. De garage was gevonden, we zagen de Space Star al staan. Uiteraard in het echt nèt iets minder mooi als op de foto’s maar een prima auto. Proefrit gemaakt, hij beviel ons allebei goed. Ondertussen had de autohandelaar onze auto’s bekeken. We werden uitgenodigd in het verkoopkantoortje, en kregen koffie en thee. Mijn thee smaakte alsof hij geschonken werd uit een thermosfles waar eerst koffie in had gezeten, maar ik wou niet onbeleefd zijn en werkte het weg. Toen het op zakendoen aankwam, liep de boel uiteindelijk jammerlijk vast. De Space Star moest best wat kosten, en wij zouden dat kunnen betalen als we een fatsoenlijke inruilprijs kregen. ‘Ik geef jullie € 750,-, ‘ zei de man met een stralend gezicht. Wij straalden niet, maar vielen verbijsterd stil. ‘Voor twee auto’s?’ wist ik uiteindelijk uit te brengen. Ja, voor twee auto’s. Ongelooflijk. Bert en ik keken elkaar aan en schudden tegelijk ons hoofd. We hadden allang op internet gezien wat onze auto’s waard zijn. En dit leek nergens op. ‘Dan gaat het niet door, dan is deze Space Star te duur voor ons.’ “Waar dachten jullie dan aan?’ vroeg de man nog. Ik noemde zelfs nog wat minder dan we verwacht hadden maar dat lag nog veel te ver van zijn ideeën. Het ging niet door. Daar gingen we weer. Vieze koffietheesmaak in de mond en geen andere auto. Het zij zo. In mijn Omamobieltje aaide ik even over het dashboard. ‘Kom maar, je mag weer mee naar huis.’ zei ik. Ik weet niet of Bert ook wat tegen de Punto zei, maar achter elkaar aan reden we weer een uur terug. Geen Space Star gekocht. We zullen zien wat er in de toekomst voor ons in de sterren staat.
Zondag was het Vaderdag en Bert mocht zeggen wat hij graag wilde doen. We zijn nog steeds op vakantie in Limburg, dus dat geeft andere mogelijkheden voor leuke uitjes dan vanuit Groningen. Hij had al snel de keus gemaakt: naar het DAF museum in Eindhoven. Prima, het is jouw dag, we gaan DAFjes kijken en ik ga mee voor de gezelligheid. Zo, wat had ik dat onderschat! Hoezo ‘DAFjes kijken’? Het museum staat bomvol indrukwekkende vrachtwagens, bussen, rallywagens en ja ook DAFjes. Maar, ik vond het dus voor mezelf ook een heel stuk leuker dan ik tevoren had gedacht!
Ik neem het risico dat de loketmevrouw deze blog niet leest, dan kan ik vertellen dat ik vermoedde dat zij tegelijk met de DAFfabriek in 1928 is opgericht en hier een museumstuk was geworden. Ze liep niet over van arbeidsvreugde en klantvriendelijkheid, maar schoof ons, na het scannen van de museumkaarten ‘een bonneke’ toe. ‘Een bonneke is altijd goed’ zei Bert. ‘Behalve als je die van de politie krijgt’ vulde ik aan. Mevrouw DAF vond het niet grappig maar mopperde over mijn mini rugtasje. Dat moest in de kluis want rugtassen waren verboden. Ik sputterde tegen dat het mijn handtasje was en dat er dingen inzaten die ik nodig had. Mevrouw sloeg haar ogen ten hemel, haalde haar stokoude schouders op zodat ik een gekraak verwachtte, en zei nors: ‘U moet maar doen wat u niet laten kunt.’ Tot zover het gezellige begin van ons bezoek.
Gelukkig zette dat niet de toon voor de middag, want het was verder ontzettend leuk. Voor mij volkomen onverwacht stond ik eh, (ik wou oog in oog zeggen maar een auto heeft geen ogen) voor een vuilniswagen uit mijn jeugd. Och ja! Zo zagen ze eruit toen! Waarom ik dat nog zo goed weet? Omdat wij aan een straat woonden waar alle vuilniswagens uit de regio langskwamen om hun lading te gaan lossen bij Stortplaats Crailo. En natuurlijk omdat er eentje wekelijks langskwam, met twee vuilnismannen op de treeplank achterop, om de zinken emmers van iedereen in onze flats met veel gekletter te legen. De nostalgie! Echt iets voor mij, ik was nu al gelukkig.
Er stonden ook grote bussen, bij sommige kon je even naar binnen stappen. Ook dat was een ‘Och ja!’ De rode leren bekleding en werkelijk, bij iedere zitplaats een asbak binnen handbereik.
Als we op schoolreisje gingen kregen we ook altijd te horen dat we van de asbakken af moesten blijven, maar we propten er toch onze fruitella papiertjes in. De dieselgeur van die bussen vond ik toen nog ‘gezellig.’ Als je zoiets rook ging je wat leuks doen. Naar de stad, of dus op schoolreisje. Tabaksrook en dieseldampen. Het mocht toen allemaal nog in het openbaar, maar ik ben toch wel blij dat het nu anders is.
Bert had nog weer andere herinneringen. HIj wees naar een grote legervrachtwagen: ‘Kijk daar heb ik in mijn diensttijd in gereden.’ En bij een vrachtwagen van de Fa. Schaap: ‘O die reed vroeger in Leens, ik werd ‘s morgens wakker van het geronk als ze vertrokken. ‘s Winters reden ze met suikerbieten en ‘s zomers met bier en frisdrank. ‘ Bij de afdeling rallywagens was het helemaal geweldig, want als groot fan van de Dakar kon hij nu een auto in het echt zien.
Uiteraard waren er ook vitrines met modelauto’s. Vrachtauto’s die winkels bevoorraadden die er nu niet meer zijn. Vroom en Dreesman. De A&O supermarkt. En ik dacht ook Ahrend, maar die blijkt nog in bedrijf, alleen het logo is veranderd.
O ja, ik had bij de echte auto’s er ook nog een zien staan van Van Gend & Loos. Dat was toch een begrip vroeger! Ik herinner me dat een wieltje van de kinderwagen waar baby Irene in lag, niet helemaal lekker liep. Prompt zei mijn vader: ‘Als je hem zo vol boodschappen blijft stouwen, kan je beter een Van Gend & Loos wagen gebruiken.’ Van Gend & Loos werd, door verkoop, DHL en die auto’s zijn nog te jong voor in een museum.
Toen we twee verdiepingen hadden gehad, wilden we wel even wat drinken. En dat kon, in de Daffetaria. Dat vind ik nou echt zo leuk gevonden, die naam! Ik thee, Bert een Variomaatje. Speciaal voor het DAFmuseum gebrouwen bier .Het flesje was zo leuk dat we het mee naar huis hebben genomen. Ja dat mocht. we hebben het netjes gevraagd.
Daarna nog naar de bovenste verdieping met personenautootjes. Ook de speciale stranduitvoering met rieten dak was er, de DAF- Kini. Een rode die van Onassis en Jackie was geweest, en ook de blauwe van ons koningshuis was er, waarin Willem en Amalia een paar jaar terug nog in hebben gereden op Koningsdag. Ik heb een klein beetje spijt dat ik niet een foto heb genomen van de foto’s die erbij hingen. Want daarop staan twee onbekommerd blije kleuters die even achter het stuur mochten zitten. Twee jongetjes, gewoon aan het spelen. Nu is de ene koning en de ander leeft niet meer. Juist daarom raakte die foto me meer dan die bijzondere auto. Die lachende, zorgeloze gezichtjes, lang voordat ze in het koninklijk stramien gedwongen werden. De Kini was niet voor de gewone man en vrouw, maar de Daffodil en de DAF 33 wel. Daar stonden er dus ook veel van! Ik herkende ze wel uit het straatbeeld van vroeger. En ook mijn bovenbuurvrouw had er eentje, zodat ze als pedicure al haar klanten kon langsgaan. Helemaal nog niet zo gewoon in die tijd, omdat de meeste vrouwen (nog) niet buitenshuis werkten.
Uiteindelijk hadden we alle grote en kleine DAF’s gezien en gingen met met het lege Variomaatje flesje in mijn minirugtasje weer naar huis. Maar toch niet helemaal leeg genoeg blijkbaar, want toen ik mijn tasje uit de auto pakte zat er een natte plek in, geurde het naar bier en was het bonneke vochtig. Ik dacht even aan de loketmevrouw. Ze zou vast haar ogen weer ten hemel slaan. Of verstolen grijnzen achter haar perkamenten hand en denken: dat komt er nou van.
Er zit een tegenstrijdigheid in mij. Enerzijds hou ik ontzettend veel van de natuur en anderzijds ben ik op veiligheid en een zeker comfort gesteld. Dus, hoe heerlijk ik het ook vind om in het bos of een ander natuurgebied te zijn, je zult mij niet kamperend aantreffen. Maar er zijn compromissen! Zoals een huisje. In het bos. Op een natuurpark. Een huisje met een goed bed, een douche en wc, een keukentje en een deur die op slot kan. Dat hadden we dus voor onze vakantie geboekt en daar zijn we nu. In Limburg, vlakbij de grens met België. Midden in het bos! Gelukkiger kan je me bijna niet maken. Toch was het nog wat meer natuur dan ik van tevoren had gedacht. Ons huisje staat aan een prachtig ven, met waterlelies en rietplanten. Eenden, meerkoeten, reigers, opspringende vissen… en kikkers. Héél veel kikkers. Die in de avond en nacht onvermoeibaar een groot gemeenschappelijk concert geven. Waar ik woon zijn ook wel kikkertjes. En die kwaken wel eens en dan zeg ik: ‘Ach hoor nou hoe leuk.’ Maar dat valt helemaal in het niet bij dit:
Zouden we wel kunnen slapen? Ja, dat kunnen we. Blijkbaar is het toch een heel rustgevend geluid, ook al is het oorverdovend. Ik vraag me ook steeds af hoe ze het doen. Met zijn honderden, misschien wel duizenden, kwaken ze eensgezind en dan ineens zijn ze allemaal op exact hetzelfde moment stil. Om een paar seconden later weer met de hele goegemeente vrolijk verder te kwaken. Wat gebeurt er in die paar seconden dan steeds? Is er gevaar? Moeten ze even uitrusten? Vertellen ze elkaar bij een bepaalde kwaak dat het nu even stil moet zijn? Er was vroeger zo’n leuke videoclip met een kikkerconcert en dirigent.’We all stand together’. Zou er hier ook een dirigent zijn misschien? They stand in ieder geval wel all together. Geheimen van de natuur. Ik zal er wel nooit achterkomen.
Maar we hebben niet alleen kikkers. Er is nog meer natuur, in de vorm van wilde zwijnen. Ook wel op het park. En nogmaals, hoeveel ik ook van de natuur hou, dit is best een beetje eng. Ik moet zeggen dat ik in de loop van de week wat meer ontspannen ben geraakt, maar in het begin liep ik zowat op eieren.
Vlak bij ons huisje staat dit bord:
Zo’n bemoedigende tekst ook! Ze beginnen met Als een zwijn niet in de aanval gaat. Dat ‘als’ daar krijg ik al een onrustig gevoel van. Loop rustig achteruit, zonder te rennen. Achteruit rennen is nou niet een van mijn specialiteiten dus dat rustig lopen zou ik wel kunnen. Alleen zie ik dan niet waar ik mijn voeten ga neerzetten en omdat zwikken, struikelen en vallen juist wel mijn specialiteiten zijn, heb ik er weinig vertrouwen in. Als een zwijn wel in de aanval gaat: Klap in je handen (dat kan ik), schreeuw (dat kan ik ook) en maak je groot. Tja, dat is wel een dingetje. Ik was altijd al aan de kleine kant, maar de laatste jaren krimp ik ook nog, dus van dat groot maken verwacht ik niet veel effect.
Blijft het dier op je afkomen, klim dan ergens op. Verstop je achter een boom.
Ja. Vertel me maar eens waar ik op moet klimmen in deze omgeving of achter welke boom ik me moet verstoppen.
Het enige wat ik kan bedenken is dat ik dan op de schouders van mijn heldhaftige man moet klimmen. Op zich wel weer een goed idee, want dan hebben we ons wel groot gemaakt natuurlijk. Gelukkig is het nog niet nodig geweest. We hebben wel veel sporen al gezien, ook rondom de huisjes, van omgewoelde aarde.
Bert heeft gelijk tijdens de eerste avondwandeling met Lenny al een familie zwijn gespot, maar die was gelukkig een heel eind weg en dat heeft hij zo gehouden. Zondag scharrelden er twee schattige gestreepte biggetjes bij de slagboom van de parkuitgang. Maar omdat we ervan uit gingen dat deze kleintjes niet alleen waren, dus de grote boze ouders wel vlak in de buurt zouden zijn, keerden we direct om en gingen we een andere kant op. Dan maar wat langer wandelen. Dat zat trouwens nog niet zo mee, want de wandeling die we uitgekozen hadden, ging gedeeltelijk door een gebied met wilde runderen. Grote zware beesten met enorme hoorns, het waren net van die Osborne-stieren.Toen we het hek naderden zat daar ook weer een bord op met allerlei waarschuwingen over wat je wel en niet moest doen. Ik begrijp niet dat ze die borden niet wat korter maken. Het woord “Sterkte” zou wat mij betreft helemaal volstaan. Ik zag een paar, waarschijnlijk jonge, stieren met elkaar slaags raken en hield het direct voor gezien. Ik ging me echt niet wagen in een gebied met testeronbommen van een paar honderd kilo. Dus de wandeling werd nog wat langer. Op de terugweg wilde ik even langs de receptie van het park want al wat wij in de keukenlaatjes hadden: geen enkel keukenmes. Of koksmes moet ik misschien zeggen want de meneer van de receptie reageerde verbolgen toen hij met vier normale bestekmessen aankwam en ik zei dat die er wel waren. ‘Maar u zei keukenmes.’ Misschien eten ze in Limburg uitsluitend in de keuken, ik weet het niet. Ik legde uit dat het dan een koksmes moest zijn. Dat woord vond ik zelf nogal pretentieus voor de eenvoudige maaltijden die we klaarmaken in het huisje, maar de man was tevreden. Hij kwam met een groot scherp koksmes en nog een mini- machete aan en ik bedankte hem natuurlijk van harte. Omdat het in het begin van de week nog niet zo lekker weer was, had ik een jasje aan. Dat deed ik nu uit, wikkelde de messen daarin en liep met mijn gevaarlijke pakketje naar ons huisje. Zo zie je maar, het is niet alleen een trend onder de jeugd om met messen te lopen, senioren doen het ook. Ik zei nog onderweg:’Als we nu wilde zwijnen tegenkomen, heb ik in ieder geval een mes bij me.’ Maar dat is bluf. Ik kan amper een vlieg doodslaan, heb er gister nog eentje gevangen in een glas en naar buiten gelaten. Ik ben tenslotte toch een natuurliefhebber.
We gingen gezellig eten bij onze zoon. En een kleed brengen, dat ik had gehaakt. En nog een groot vloerkleed, maar dat was er later bijgekomen. Wel makkelijk natuurlijk om al deze dingen te combineren. Het eerste kleed ging in een schone vuilniszak. Het tweede kleed was groot. Zelfs in de breedte opgerold nog. Dus die nam nogal wat ruimte in, in de auto. De conclusie was dat het vloerkleed het beste op de bijrijdersstoel en de bank erachter kon liggen en dat ik dan achter de chauffeur ging zitten. Mijn eigen taxi, wat een luxe. Dat het eruit zag of we een lijk vervoerden was een bijkomstigheid. En wat er dan in die vuilniszak zat, daar moest je dan helemaal maar niet over nadenken.
Ik keek gezellig in de nek van mijn man, ook weer eens wat anders. Tussen de rugleuning en de hoofdsteun was precies een plekje. Ik kwam enorm in de verleiding om hem in zijn nek te kriebelen, maar dat zou misschien ongelukken veroorzaken. Dus ik deed dat niet. ‘Net als vroeger op de motor hè?’ zei hij, ‘Jij zo achter mij’ Dat was wel wat knusser geweest, hier kon ik toch echt mijn armen niet om hem heen slaan. ‘We hadden de intercom wel mee kunnen nemen,’ merkte ik op. De gesprekken tussen iemand voorin en achterin de auto zijn altijd nogal moeizaam, met veel ‘wat zeg je?’s.
Kortom, mijn man en ik hadden goede gesprekken samen.
Ik: O kijk, wat een mooie antieke brandweerauto Hij: Die is van hij uit Leens Ik: …… Ik: Hij uit Leens Hij: Ja, die woont daar en daar Ik: Hoe heet hij dan Hij: Weet ik eigenlijk niet Ik: Waar ken je hem dan van Hij: Ik kwam hem wel eens tegen als ik onderdelen ging halen bij die-en-die garage Ik: O HIj: Hij is met de zus getrouwd van eh…. eh… Ik: Wie? HIj: Met wie jij laatst stond te praten Ik: O. Ik wist niet dat die een zus had
Enorm interessant allemaal, ik had nog steeds geen flauw idee over wie het ging, maar we waren in ieder geval alweer een kwartier verder. Het kleed was nogal een stille passagier, zelfs zonder lijk. We kwamen in de buurt van Oude- en Nieuwe Pekela. Ik: Waar komt die naam Pekela eigenlijk vandaan, heeft dat nog iets te maken met de zoutwinning? Hij: Zout niet weten
Nou, zo gaat dat een beetje met ons, en uiteindelijk kwamen we op de plek van bestemming. Nu moesten we nog weer als Buurman en Buurman dat kleed uit de auto zien te krijgen en het naar het huis van zoon brengen. Het gestuntel viel eerlijk gezegd nogal mee en mijn beeld van samen heel grappig met dat opgerolde kleed verschijnen ging ook in rook op, want Buurman kon het wel in z’n eentje af. Hij slingerde heel stoer de rol over zijn schouder en liep weg, zodat deze Buurman met het gehaakte kleed in een vuilniszak er wat minder stoer achteraan sjouwde. Jammer. Maar goed, zoon was er blij mee, zowel met het grote als met het kleine kleed en ook wel met ons. We hebben superlekker en gezellig gegeten. En op de terugweg mocht ik weer naast mijn man zitten en hebben we de reis grotendeels in gemoedelijk zwijgen doorgebracht. Ajeto.
Er was eens een vrouw. Haar leven lang had ze gewerkt, met heel veel liefde en plezier. Ze had er ook heel veel liefde en plezier voor teruggekregen. Maar nu ze ouder werd zei ze tegen haar Fairy Godmother: ‘Ik zou eigenlijk wel willen stoppen met werken. Ik ben moe.’ Het antwoord van Godmother was eenvoudig: ‘Nou, doet dat dan.’ ‘Ja maar,’ sputterde de vrouw tegen. ‘Hoe dan? Ik kan toch niet iedereen in de steek laten?’ ‘Niemand is onvervangbaar,’ zei Godmother. ‘En hoe moet het dan met het geld?’ vroeg de vrouw verder. ‘Dat wijst zich wel. Maak je toch niet zoveel zorgen, ik ben er toch?’ De vrouw was niet overtuigd en luisterde niet naar het advies. Ze werkte door, hoe moe ze ook was.
‘Wie niet horen wil moet maar voelen,’ zei Godmother en ze zwaaide met haar toverstok. Een stoeptegel kwam omhoog, juist toen de vrouw daar liep. Die struikelde, viel, en brak haar voet. Nu kon ze niet meer werken. ‘Zo dan,’ zei Godmother tevreden. ‘Moest dat nu zo ruw?’ mopperde de vrouw nog, maar het klonk niet overtuigd. Misschien was dit inderdaad wel het zetje geweest wat ze nodig had. De voet had heel lang nodig om te genezen en al die tijd rustte de vrouw uit. ‘En wat ga je nu doen, wat zijn je wensen?’ vroeg Godmother. De vrouw kreeg een kleur en zei zachtjes: ‘Eigenlijk heb ik altijd al een boek willen schrijven.’ ‘Nou, doe dat dan.’ Het antwoord van Godmother was net zo eenvoudig als de vorige keer. ‘Ja maar,‘ sputterde de vrouw tegen, eveneens net zo als de vorige keer, ‘Ik weet niks. Bovendien, wie zit er op te wachten?’ ‘Jij.´ Voor Godmother was het allemaal heel simpel. De vrouw knikte langzaam. ‘Oké, daar heeft u gelijk in,’ zei ze. ‘Maar nog steeds weet ik niet wat ik dan moet schrijven.’ ‘Hier, kijk.’ Godmother duwde de vrouw een schrijfwedstrijd onder ogen. ‘Dit past bij jou. Ga je daar maar eens mee bezig houden.’ De vrouw zag dat ze precies gekregen had wat ze nodig had. Hier kon ze haar droom mee waarmaken. Ze schreef en schreef, bladzijden vol en ze merkte hoe blij ze daarvan werd. Van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat was ze met het boek bezig, als ze niet daadwerkelijk aan het schrijven was, dan was ze er wel over aan het nadenken of aan het overleggen met haar man over wat er allemaal in moest. Eindelijk was het boek klaar. De vrouw voelde zich enorm trots en voldaan, het was gelukt! ‘Stuur maar op,’ zei Godmother. ‘Dat durf ik niet,’ zei de vrouw ineens. ‘Wat krijgen we nou weer!’ Godmother keek streng. ‘Ben je blij met wat je gemaakt hebt?’ ‘Ja,’ zei de vrouw benepen. ‘Nou dan. Hup, opsturen en geen gezeur.’ De vrouw durfde niet meer tegen te spreken. Eigenlijk had Godmother gelijk, ze was blij met wat ze gemaakt had. Ze had haar droom waargemaakt en moest nu de volgende stap wagen. Het loonde. Tot haar grote vreugde won haar boek de wedstrijd.
‘Zo, en wat wil je nu gaan doen?’ vroeg Godmother. De vrouw dacht een poosje na. ‘Nog meer schrijven. Maar ik zou ook wel graag iets doen met en voor andere mensen.’ ‘Komt voor elkaar,’ zei Godmother en zwaaide weer met haar toverstaf. Daar waren de andere mensen al. Sommigen wilden graag les in taal, anderen wilden leren hoe ze makkelijker met de nieuwe tijd konden meegaan. De vrouw ging aan het werk. Ze verdiende er geen geld mee, maar wel een heleboel plezier en zelfs een geluksgevoel. Dit kon ze en dit wilde ze. Haar energie groeide, ze ging zelfs nog een boek schrijven. Ook vertelde ze verhalen, sommige lang, sommige heel kort. ‘Dat is leuk,’ zei een meneer van de krant. ‘Ik wil wel iedere week een verhaaltje van jou.’
Omdat ze nooit uitverteld was, verschenen haar verhalen op den duur op steeds meer plekken. In een kalender, in boeken, en zelfs op scholen in het land van de buren. De vrouw zuchtte er af en toe van. Niet meer omdat ze moe was, maar van geluk. En Godmother glimlachte.
Er was nog wel even tijd om mijn mailbox te openen voordat ik wegging, om 10 uur moest ik in de bibliotheek zijn waar ik vrijwilliger ben bij een computercursus. Ik zat aan tafel in de achterkamer met de laptop open, en zag uit mijn ooghoek wat bewegen in de tuin. Toen ik mijn hoofd omdraaide zag ik een groot konijn over het terras huppelen. En nog een. En nog een. En…. F********k! Dat waren onze eigen konijnen, flinke Franse Hangoren en het zag eruit of de hele groep op excursie was gegaan. Blijkbaar was de deur van de ren niet goed gesloten.
Pijlsnel bedacht ik wat ik moest doen, maar ik had eigenlijk geen idee. Ze zijn het niet gewend om opgepakt te worden en al waren ze dat wel, hoe ging ik in vredesnaam al die joekels pakken zonder onrust te veroorzaken. Maar ik moest wel wat doen, want zo kon ik niet weg. Eerst maar zorgen dat ik alleen naar buiten ging en de hond binnen bleef. En dan maar even zien. Rustig kwam ik aangelopen en tot mijn vreugde schrok niemand daar van. De deur van de ren stond inderdaad wagenwijd open. Eén konijn zat daar rustig te eten, dus er waren er zeven op schoolreisje. Het is een hechte groep hoor, want ze waren allemaal bij elkaar in de buurt gebleven. Langzaam liep ik achter hen langs en deed toen een stap in de richting van de ren. Het werkte! Als een volleerde herder, of misschien een herdershond, dreef ik rustig de hele kudde voor mij uit. Over het terras, langs de picknicktafel en de kaboutertuin, naar huis. Eén konijn had wat extra aansporing nodig, die vond het namelijk wel leuk om zich onder de picknicktafel te verschansen Natuurlijk was dat Jim Hopper, die is als heel klein konijntje, toen hij blijkbaar nog door het gaas heenpaste, tot twee keer toe al op avontuur gegaan. Ondernemend kereltje, toch koos hij er nu voor om zich bij zijn familie aan te sluiten en hobbelde hij in de stroom konijnen mee de ren in. Ik sloot rustig de deur en telde. Zeven! Wie miste ik? Ik zag het al snel, het was Jarvis, de oudste en kleinste van de groep. Die hopte op zijn gemakje in de kaboutertuin rond en pakte hier en daar een blaadje om op te knabbelen. Alweer had ik geluk, want Jarvis is verschrikkelijk tam. Als enige van zijn hele familie zoekt hij heel direct contact, op het opdringerige af, zodat we altijd moeten opletten dat we niet op hem gaan staan als we in de ren zijn om eten te brengen of schoon te maken. Toen ik nu dus de kaboutertuin in stapte en me bukte om hem op te tillen vond hij het allemaal best. Ik maakte gelijk even gebruik van de gelegenheid om hem te knuffelen. Ieder nadeel hep zun voordeel hoor. Ik bracht Jarvis naar zijn familie, lette extra goed op of de deur nu gesloten was en ging opgelucht naar binnen. Natuurlijk moest ik dit kleine avontuur even aan mijn gezin appen en Irene antwoordde met een eigen verhaal:
Heerlijk dit. Al denkt zij er waarschijnlijk anders over. Ik moet nog steeds lachen om het ‘Hey een mier.’ Mijn : ‘Hey een konijn’ valt daar wel bij in het niet. Want gelukkig hebben we geen honderden konijnen. Ik hoop dat de mieren van Irene kunnen wennen aan hun nieuwe woonplaats. En dat hun kolonie thuis niet ongerust is dat Annie, Betje, buurvrouw Hennie, tante Marie en nog zo’n honderd werksters niet thuisgekomen zijn. Of misschien heten ze tegenwoordig wel Kimberley, Rosanne, buurvrouw Julia en tante Vivian. Zo’n kolonie moet tenslotte ook een beetje met haar tijd meegaan. Ik dwaal af. Net als de konijnen en de mieren vanmorgen. Ik moest dit stukje maar gaan afsluiten, voordat er nog meer onzin komt.
Social media zijn lastig voor mij. Wat ik er leuk aan vind? Met familie, vrienden en kennissen contact te houden, omdat ik weet dat als het alleen fysiek kon, het er bij in zou schieten. Niet om een bepaalde reden, maar gewoon omdat het zo gaat. Maar daar blijft het nu bij. Ik deel geen meningen meer en deel ook geen maatschappelijke issues. Maar dit is mijn eigen site, dus wil ik daar toch iets over zeggen.
Allang heb ik het afgeleerd om op openbare sites een inhoudelijke reactie te geven. Niet omdat ik er niet voor uit durf te komen, maar wel omdat ik steevast wordt bedolven onder de negatieve antwoorden en persoonlijke aanvallen. Er is dan met de mensen die zo reageren ook niet te praten, te discussiëren. Het weerwoord is altijd negatief. Altijd. En vaak op een gemene persoonlijke manier. Het is niet zo dat ik vind dat iedereen het altijd met mij eens moet zijn. Maar ik zou wel graag willen dat er op een normale manier ‘gepraat’ kon worden. Het is me echter allang duidelijk dat ik dat op Facebook of Instagram niet hoef te verwachten. De (voor)oordelen zijn angstaanjagend en ik ben ook gestopt met ze überhaupt te lezen. Niet uit struisvogelpolitiek, maar omdat ik niet meer bezig wil zijn met dat gif. Want dat is het. Ja ook die meningen van mensen die grote posts maken over wat er allemaal mis is in dit land, in Europa en in de wereld. Ik ben de laatste die zal beweren dat het allemaal goed gaat. Maar om alleen maar te schelden, te spuien, op te ruien en te stoken, zonder ook maar met één oplossing te komen, dat vind ik wel zo vreselijk min! En supergevaarlijk. Prima als je aangeeft wat er niet deugt. Maar kom dan ook met een alternatief hoe het wel zou moeten. Stop met mensen af te zeiken als domme schapen die niet nadenken. Wat je doet is dus alleen maar zogenaamd constateren, maar daar voeg je dan vervolgens niets opbouwends aan toe over hoe het dan wèl zou moeten zijn.
Soms denk ik dat ik helemaal van Social Media af wil. Om niet meer deel te nemen aan een platform wat zo giftig is. Maar dan kijk ik toch weer naar de andere kant. De dingen die ik wel goed en waardevol vind. Inderdaad dus dat contact met familie en vrienden. De posts lezen van mensen die inspireren op een goede manier. Ideeën opdoen om over na te denken, nogmaals op een goede manier. Dus ik blijf. Omdat ik de gifmengers en de destructieve ondermijners niet het laatste woord wil geven.