Taalfouten

Paw Patrol, we zijn al onderweg
Als er een probleem is in Avonturenbaai
Dan komen Ryder en zijn pups in een ommezwaai

Het is een leuk kinderprogramma, maar waarom erger ik me zo aan de tekst van dit liedje? Omdat er een verkeerde uitdrukking gebruikt wordt, puur om het te laten rijmen. Een ommezwaai is totaal iets anders dan een ommezien, wat hier eigenlijk bedoeld wordt.
Het is gewoon fout. Maar ik heb de indruk dat je niet meer over taalfouten mag vallen, want dan ben je een taalnazi. Ik vind dat raar. Als je een som verkeerd uitrekent zegt ook niemand: “Ach wat maakt dat nou uit, dat het niet helemaal klopt”. Als er een fout op een factuur staat, of het nou een rekenfout of een typfout is, nemen we er ook geen genoegen mee. Maar met taal hoeven we het blijkbaar niet meer zo nauw te nemen.

Ik mag ‘me irriteren aan me kids’ en ik moet me er niet zo druk over maken dat het eigenlijk ‘me ergeren aan mijn kinderen’ is, of dat ‘mijn kinderen mij irriteren’ . (Overigens is dit een voorbeeld hè, ik heb natuurlijk voorbeeldige kinderen.)
Maar eigenlijk doe ik dat wel, me druk maken. Op scholen is nog nooit zoveel en zo vroeg aandacht besteed aan taalvaardigheid. Dan zou het toch logisch zijn als taal ook op een correcte manier aangeleerd en gebruikt wordt.
Het zal ook wel komen door het internet, dat het me nu veel meer opvalt. Vroeger kon je immers niet van iedereen geschreven tekst lezen.
Het gebruik van t, d en dt in werkwoorden is lastig ja, maar er zijn regels voor. Net zoals er regels zijn voor vermenigvuldigen en optellen.
Natuurlijk zit er creativiteit in taal, dat wordt gewaardeerd, in tegenstelling tot creativiteit in rekenen. En de een heeft meer taalgevoel dan de ander, dat is allemaal prima. Maar het is vervelend dat mensen zich zo aangevallen voelen als er op een taalfout gewezen wordt. Dat maakt toch niet uit, je valt de persoon toch niet aan? Je bent gelijk een betweter als je iets over een taalfout durft te zeggen. Of, zoals al eerder gezegd, een taalnazi. Wat een vreselijke uitdrukking is dat! Nazi’s maken hun eigen regels en dringen die met harde hand op. Daar mag je toch niet mee vergeleken worden als je taal op een juiste manier wilt gebruiken.
Dan maar een betweter. Ik zit er niet zo mee, als iemand mij zo noemt. Een ander weet weer veel meer van rekenen en die mag mij gerust op mijn vele fouten wijzen. Graag zelfs.
Ik vind: als je graag schrijft of vertelt, moet je dat echt vooral doen! Creativiteit laat zich niet in regels vatten. Maar het is echt niet erg als iemand meeleest en de taalfouten eruit haalt.

paw patrol

Wachtkamer

sign-575511_960_720

We lopen de groenige gang in. Bert meldt zich bij de balie, hij krijgt een polsbandje en mijn 06-nummer wordt genoteerd. We mogen plaatsnemen in de wachtkamer.
Daar zit al een aantal mensen. De stilte is oorverdovend.
Wij zeggen: “Goedemorgen” en sommigen mompelen wat terug. We zoeken een plekje.
Koppeltjes mensen zitten als kleine eilandjes in de ruimte, er is niemand die pal naast een ander gaat zitten, we houden allemaal netjes afstand.
Het enige stemgeluid wat we horen is van de baliemedewerkster die aan iemand anders een polsbandje geeft en een ander 06-nummer noteert.
De situatie van “goedemorgen” en wat gemompel herhaalt zich .
Ik pak mijn boek uit mijn tas, Bert pakt een auto-tijdschrift van de tafel.
“Mevrouw Jansen?” Een verpleegkundige met een klembord kijkt vragend rond. Mevrouw Jansen schiet overeind en loopt zonder om te kijken de gang op. Ze heeft geen woord meer gewisseld met haar man, laat staan een kus.
“Meneer van Dijk?” klinkt de stem van een andere verpleegkundige. Meneer van Dijk pakt z’n plastic tasje, waar ongetwijfeld dezelfde spullen inzitten als in het tasje van Bert en loopt mee. Geen woord van zijn vrouw, geen woord aan zijn vrouw, geen kus. Ik ben verbijsterd. Het lijkt alsof de mensen zò gespannen zijn, dat ze vergeten hoe ze normaal doen.
“Meneer de Vries?” Bert is aan de beurt. Ik ga ook staan, we geven elkaar een kus en ik zeg; “Veel sterkte lieverd”. Dan is hij weg en ben ik alleen tussen de andere wachtenden. Ik pak mijn breiwerk, als afleiding.
Er komen nog twee stellen in de wachtkamer. Een vrouw praat van tijd tot tijd fluisterend tegen haar man en hij fluistert af en toe wat terug, met fluitende s-en in zijn woorden. Het andere stel zwijgt.
Ik vind het hier vreselijk. Alsof we in de aula van een uitvaartcentrum zitten en niemand hardop durft te praten omdat dat niet gepast is. Alsof iedereen hier al een doodvonnis heeft gekregen, puur omdat men opgeroepen is voor onderzoek. Je mag hier blijkbaar niet normaal praten, laat staan een grapje maken. En dat komt vanuit de mensen zelf, er hangen nergens bordjes met “Stilte”.
Zelfs geen Xenosbordje met : “In deze kamer zijn wij allen gepast ernstig, kijken wij elkaar niet aan, spreken wij niet, en als wij dan toch moeten spreken doen wij dat fluisterend. “
Als ik opkijk van mijn breiwerk, omdat ik wil weten hoe laat het is, zie ik de verstolen blikken van Meneer Jansen en Mevrouw van Dijk, ze draaien allebei gauw hun hoofd af. Zouden ze zich afvragen wat ik aan het breien ben? Niemand zegt wat en ik brei weer verder.
Er komt een oude mevrouw de gang op, ze is klaar met het onderzoek. Haar zus, of misschien vriendin, loopt met haar mee. “Alles is goed!” zegt de mevrouw blij. “Ik heb een parasiet!”
“Een wat?” Vraagt de zus/vriendin. Ze lopen richting de uitgang, maar omdat het zo stil is kan ik nog duidelijk horen wat ze zeggen. “Een parasiet!” herhaalt mevrouw, het woord galmt door de gang.
Ik zie dat mevrouw van Dijk naar me kijkt, maar voordat ik naar haar kan glimlachen heeft ze haar blik al weer afgewend. Ik heb geen zin meer in breien en haal mijn boek weer tevoorschijn. Het is boeiend geschreven en heeft humor, dus af en toe zit ik te grinniken. Totdat ik bij een gedeelte komt wat serieuzer is, een man heeft gezondheidsproblemen, het lijkt zorgelijk en hij moet een kijkoperatie. Ik doe resoluut het boek dicht, dit wil ik niet juist op dit moment lezen.
Ik maak dan maar een kruiswoordpuzzeltje op mijn mobiel. Meneer van Dijk komt terug, zijn vrouw staat op en zwijgend lopen ze weg.
Dan zie ik een wat levendiger stel mensen bij de balie arriveren. Een  oudere man gaat hardop staan voorlezen wat je moet doen als er niemand achter de balie zit.
“Nou je moet hier alles blijkbaar zelf doen!” buldert hij. “Zullen we het onderzoek dan ook maar zelf doen, hahahaha” . Hij is blijkbaar de enige die het leuk vindt, zijn gezelschap, een jonge vrouw en een jonge man, glimlachten plichtmatig. Ik heb een beetje medelijden met de man, hij doet in ieder geval zijn best om de sfeer wat luchtiger te maken.
Ik weet niet wat ik erger vind: een wachtkamer waarin mensen de vreselijkste verhalen vertellen over ziekte en dood, of deze akelige stille gedrukte sfeer.
En dan ineens staat Bert voor mijn neus. Ik ben verbaasd, ik was ervan uitgegaan dat ik hem op zou moeten halen. Meneer Jansen kijkt naar ons, zijn mevrouw Jansen is nog steeds niet terug.
Bert vertelt me wat de uitslag is en we zijn dankbaar dat we opgelucht kunnen ademhalen.  We gaan weg uit de wachtkamer, het voelt alsof we uit een andere dimensie weer terug komen in de normale wereld als we door de centrale hal naar de koffiehoek lopen.   Hier wordt hardop gepraat, er worden mensen omhelsd, er wordt gegeten en gedronken.
Als we koffie bestellen glimlachen we naar elkaar.

 

Respect

twins-silhouette-000000-sm3080152643460146710.png

1994. Mijn kleine zoon speelt in de zandbak met zijn buurmeisje, terwijl mijn buurvrouw het tafereeltje filmt met een video-camera. Het is een willekeurig speelmoment, zomaar vastgelegd, als een bewegende foto. Voor later. Mijn buurvrouw en ik zijn twee liefhebbende jonge moeders, onze kinderen zijn de mooisten en liefsten van de wereld, en eigenlijk willen we een moment als dit voor altijd vasthouden.
Het kleine meisje gaat staan en pakt iets uit het zand .
“Dat is een mooi slakje!” klinkt het heldere stemmetje van mijn zoontje. “Niet stuk maken hè?”
Het meisje draait de slak om en om in haar handje.
“Niet stuk maken hè?”vraagt mijn zoontje nog eens bezorgd.
Met een vies gezicht gooit het kleine meisje de slak van zich af, het huisje ketst op het terras. Mijn zoontje klimt over de rand van de zandbak, hij pakt het slakkenhuis van de tegels en zet de slak zorgvuldig in een struik.
“Zo”, zegt hij voldaan.
Het moment raakt me, het ontroert me. Dit kleine, tengere jochie stelt een leventje veilig. Omdat hij dat belangrijk vindt. Ook al is hij pas drie jaar oud, hij weet maar al te goed wat veel mensen doen met de natuur.
Hij verafschuwt het als iemand een slak of een kever doodtrapt, of een willekeurige boomtak afbreekt, gewoon omdat het kan.
Hij vindt alle levens en leventjes de moeite waard, ook die van spinnen, paardebloemen en strontvliegen. Niet dat hij van alle dieren en planten houdt. Maar alles mag zijn plek hebben van hem. Hij heeft respect en een moraliteit ten opzichte van de natuur, die hem aangeboren lijken te zijn. Hij heeft nog nooit gehoord van ‘leven en laten leven’, maar zo leeft hij zijn kinderleven wel.
Als ik later de videoband terug zie, het filmpje met de slak, stroom ik over van liefde voor hem. Zijn kleine lijfje, zijn vlasblonde haartjes, zijn ronde blauwe ogen en zijn schattige stemmetje zijn ontwapenend. Hij ziet er zo kwetsbaar uit. Daar is hij zich totaal niet van bewust, hij is volledig zichzelf. Gaat met hart en ziel op in zijn peuterwereld , en alles wat leeft, heeft een plaats daarin.
Als we op een keer , tijdens een wandeling, een salamandertje hebben gevonden, wil hij het mee naar huis nemen om aan zijn zusje te laten zien. Maar hij staat erop dat we daarna weer helemaal teruggaan, om het diertje weer thuis te brengen. Hij kan de gedachte dat het beestje anders ontheemd is, niet verdragen en hij maakt zich ook nog zorgen dat de familie van de salamander ongerust zal zijn. Ik neem hem daar serieus in, want ik vind het zo waardevol. Was ik zelf nog maar zo. Kon hij altijd maar zo blijven.

2019. Mijn zoon is een volwassen man geworden. We hebben geen VHS- afspeelapparatuur meer, dus de videoband staat op zolder te verstoffen, tot ik hem een keer over zal laten zetten op dvd.
Foto’s en filmpjes maken we nu met onze mobieltjes. En nu mijn zoon al een paar jaar een eigen huisje heeft, houden we vaak contact met elkaar via What’s-app.
Zo krijg ik dit berichtje:

Je weet wat een gigantische hekel ik heb aan wespen hè. Hoe groter hoe erger.
Nou vloog er vanochtend vlak voordat ik weg moest een hele dikke naar binnen die vervolgens heel lawaaierig heel moeilijk ging lopen doen tegen m’n raam. Dus had ff de gordijnen dicht gedaan en m’n raam stukje open laten staan. Dacht die vind z’n weg wel weer naar buiten”

“ Maar nou kwam ik thuis en toen zat ie heel zielig en zwak in een hoekje bij m’n raam. Kreeg ik toch weer medelijden… :p….”

Hij stuurt een foto mee , waarop ik kan zien dat in zijn vensterbank een enorme wesp zit, die uit een melkdopje met bessensap aan het drinken is.
En weer stroomt mijn hart over van liefde. Hij kan wespen dan niet uitstaan, maar zijn respect en compassie zijn sterker.
Uiterlijk is er, afgezien van zijn blauwe ogen, niet veel meer wat herinnert aan de vlasharige, frêle peuter van vroeger. Hij steekt nu 20 cm boven mij uit, zijn haar is heel donker en dik. Hij heeft een baardje en een diepe stem.
Maar innerlijk is hij nog dezelfde. Natuurlijk heeft hij zich ontwikkeld, maar nog altijd is het gevoel van respect, en verbondenheid met alles wat leeft, een rode draad in zijn leven. Hij is nooit gezwicht voor stoerdoenerij van leeftijdsgenoten, of voor druk van welke groep dan ook.
Hij kon dus wèl altijd zo blijven, want hij is altijd trouw gebleven aan zichzelf. Dat maakt hem kwetsbaar. Maar tegelijkertijd is dat zijn grote kracht.

Dagje naar de buren

Wel eens op Borkum geweest? Ik nu wel. Al moet ik bekennen dat ik ongeveer 50 jaar niet van het bestaan van dit eiland heb af geweten (of ik heb gewoon niet goed opgelet, dat kan natuurlijk ook) en daarna vond ik steeds dat ik er echt “eens” heen moest. Maar er waren blijkbaar altijd andere prioriteiten.
Deze zomer zijn we niet ergens op vakantie, maar vieren we vakantie vanuit huis, dus nu was er geen enkele reden om niet een dagje naar Borkum te gaan. Van hieruit is het maar nauwelijks verder dan Schiermonnikoog. Vanaf de Eemshaven vaar je in nog geen uur naar het Duitse Waddeneiland. We zaten op het voordek van een kleine veerboot en het was haast koud omdat het zo waaide en we in de schaduw zaten. Maar dat zou in de loop van de dag nog veranderen, en de hittegolf was gister nog niet eens begonnen.
Bij aankomst stond er een treintje te wachten en wij liepen braaf met de meute mee om ons naar het centrum van het dorp te laten brengen. Lenny was ook mee, die vindt veel dingen eng, maar hij verdroeg eerst dapper het getril van de boot, (hij was tot onze verbazing de enige hond!) en daarna het geschud van de trein. Dat treintje zat uiteindelijk echt veel te vol naar mijn zin. Wij waren op het balkonnetje blijven staan omdat de coupés allemaal al bezet waren. Maar we vertrokken niet eerder voordat minstens de helft van de passagiers die van een veel grotere veerboot kwamen, ook nog erbij gepropt werd. Ik vroeg me al af of er strakjes trossen mensen op en aan de trein zouden hangen, zoals je wel eens op beelden uit India ziet.
Ik voelde een lichte paniek opkomen, ik kan er echt niet tegen om tussen een massa mensen te staan en nu kon ik er niet meer uit….. Bij de eerste halte wilde ik dan ook al uit de trein, al waren we nog lang niet in het dorp. Gelukkig was Bert ook niet erg enthousiast over het reiscomfort, dus toen we ons door de menigte naar buiten hadden weten te persen,  haalden we opgelucht adem op het peronnetje.
We liepen richting het strand en we vonden dat Borkum echt de sfeer van een waddeneiland heeft, maar wel met een eigen uitstraling.
Het was heerlijk om even te lopen We zagen een stuk strand waar honden aan het rennen en spelen waren, dus daar mocht Lenny ook even los. Hij strekte zijn lijfje tijdens het rennen, heerlijk even ontspannen hond zijn, zonder enge mensendingen. De zee was ook leuk, hij sprong over de golfjes van de branding en tot onze verbazing zocht hij zelfs contact met andere honden.

img_20190723_1107123454355308583268155925.jpg

Heel vaak is hij wat we bij mensen een muurbloempje noemen, hij gaat in onbekend hondengezelschap nooit ergens op af, maar blijft òf afwachtend aan de zijlijn staan kijken, of hij gaat z’n eigen gangetje.
Hij had ook geen last van de taalbarrière, Duitse honden communiceren blijkbaar hetzelfde als Nederlandse.
Ondertussen hadden wij wel zin om even een strandtentje op te zoeken om wat te drinken.
We kwamen bij een restaurant, maar daar kon je alleen maar binnen zitten, er was geen terras. Je verzint het toch niet, op die plek…… Dus we liepen weer door. Daar doemde een veelbelovende strandtent op, ‘Strand 5′ stond er op. Wel met een mooi terras. Maar daar zat niemand en dat was raar. Dichterbij gekomen zagen we een bord: Dienstag Ruhetag. Oftewel, dinsdags gesloten. Werkelijk, mijn kaak viel op de grond. Ik bedoel: Zomer, Strand, Vakantie, Toeristenseizoen, Prachtig Weer – en dan gewoon gesloten???? Hier zou volgens mij geen strandtenteigenaar het in zijn hoofd halen om onder deze omstandigheden z’n tent dicht te houden!
Verder was er ook niets te zien wat ook maar leek op een strandpaviljoen, dus we moesten het anders gaan aanpakken.

We liepen maar richting het dorp nu, dan zouden we vast toch wel een leuk terrasje kunnen vinden.
Ondertussen liep ik te bedenken dat ik naar Borkum zou emigreren om een strandtent te gaan exploiteren, volgens mij kon ik er goudgeld mee gaan verdienen. Ik zou het er een beetje trendy oud uit laten zien, en het “Het  Strandhuis van Zoutelande” noemen. Maar dat was bluf.
In het dorp vonden we een brasserie met een tafeltje in de schaduw en dankbaar ploften wij neer.
Een enorme menukaart die uitvouwde als een harmonica en redelijk onoverzichtelijk was, vertelde me dat ik een lekker broodje gerookte zalm kon nemen. Ik oefende in mijn hoofd op de uitspraak, voor als de serveerster zou komen. Bitte ein Kaiserbroodje, nee brötchen natuurlijk, mit Raucherlachs. Nee Räucherlachs. Of was het toch Raucherlachs, de harmonica moest er weer bij te pas komen. Dus toen de serveerster kwam kon ik keurig uit mijn hoofd opzeggen: Bitte ein Kaiserbrötchen mit Räucherlachs.
“Nein,” zei ze. Die waren op. Pff, had ik nou zo m’n best voor gedaan. Er was nog wel stokbrood met zalm. Prima, doen we dat. En ik bestelde een Weisswein-Schorle, wijn gemixed met bubbelwater. Een heerlijk zomerdrankje, dat ga ik beslist thuis ook nemen.
Het stokbrood was niet netjes te eten. Tenminste dat vond ik. Bert is de klieder van ons tweeën, maar die zat zijn broodje keurig weg te kanen, terwijl het bij mij een slagveld werd. De wilde zalm deed z’n naam eer aan en ontsnapte voortdurend, het gekookte ei glibberde gezellig mee, de mierikswortelsaus die heerlijk was, maar zo scherp dat af en toe de tranen in mijn ogen schoten, had het voorzien op mijn vingers en kin en wilde dan ook beslist niet op de zalm blijven zitten. De enige stabiliteit kwam van een schijf komkommer, want zijn buurman de schijf tomaat gaf een gemene spriets toen ik de vork erin stak, volgens mij kreeg Bert tomatensap in z’n bier.
Binnen no-time was mijn servetje een kledderig vod geworden en uiteindelijk ben ik maar naar binnen gegaan om mijn handen te wassen, voor de zekerheid maar de elleboog gebruikend om de deur te openen. Ik zal nooit meer iets zeggen over morsige mensen.

De middag hebben we doorgebracht met wat slenteren door de gezellige straatjes en toen het echt te heet werd nog een bezoekje aan het strand.

img-20190724-wa001019144956084795971.jpg

Nu was Lenny best vervelend daar, hij ging bij alle mensen op bezoek die daar niet op zaten te wachten en hij maakte een akelige ruzie met een hond om een zojuist gemaakt vriendinnetje. Toen we hem tot rust wilden laten komen door hem te laten liggen, ging hij prompt met z’n natte zandlijf op de enige handdoek liggen die we mee hadden en waar we zelf op moesten zitten. Dit was geen succes, we gingen. Het was inmiddels ook wel erg druk geworden op het strand, de sfeer was anders dan vanmorgen. We besloten om via de “Grün-route” richting de haven te gaan lopen. Dan hoefden we straks niet meer in die trein. We wandelden door stukjes bos, door de duinen en het was goed te doen.
Ik had ’s morgens appels in de tas gedaan en die konden nu wel tevoorschijn komen. Maar ach, ze lagen nog frisgewassen en wel op het aanrecht blijkbaar, want in de tas waren ze niet te vinden.
“Hè verdorie”, mopperde ik en Bert varieerde droogjes op de aloude spreuk: “Snoep verstandig, vergeet een appel” en daar moest ik ondanks mijn dorst toch wel erg om grinniken.
Onderweg een bordje “ Cafe zur Heide” daar moesten we heen! Het was maar 200 m de andere kant op. Maar o jee, ook daar was het weer griezelig stil….. Maandag en dinsdag gesloten. We stonden nogmaals perplex. Wat is er ontzettend weinig horeca op een toeristeneiland als Borkum!
Dus we hadden nog weer zowat een halve kilometer voor niks gelopen en inmiddels was het echt ontzettend warm. Maar bikkels als wij zijn gingen we door, af en toe eventjes rusten in de schaduw en Lenny extra laten drinken. Hij hoefde ook niet op stenen te lopen, dus zijn voetjes hadden niet te lijden.
In het zicht van de haven wilden mijn benen eigenlijk niet meer, ze voelden zo stijf en stram, maar als ik aan vorige jaar dacht, toen ik op Schiermonnikoog zoveel blaren had dat ik eigenlijk gewoon op 2 blaren maat 36 liep in plaats van op voeten ( Dagje uit), was dit veel beter te verdragen.
Toen we dan uiteindelijk in de haven kwamen bleek een extra veerbootje over 5 minuten te vertrekken en probeerden we er nog een beetje de pas in te zetten.

In mijn superhandige rugtas met extra vakken kon ik de tickets niet meer vinden, ook al pakte ik de hele tas uit, en voelde nogmaals een lichte paniek opkomen. En pakte Bert ze vervolgens uit een vak waarin ik al 3x gekeken had. Ik had het idee dat vandaag de rollen helemaal omgedraaid waren, erg raar. Op de boot was Lenny nogmaals de enige hond en deze keer bleven we binnen zitten, waar de stoeltjes en de temperatuur hoogst comfortabel waren.
Onderweg naar huis stopten we in Pieterburen om nog even lekker te eten. We konden er daar tenminste van op aan dat er terrassen open waren.
Ik koos een vegetarisch gerecht met de naam Healthy Hammer en tot mijn eigen afgrijzen zei ik bij het bestellen er “Please” achteraan.
“ We komen net uit het buitenland”, legde Bert uit aan de serveerster en ik hoestte achter mijn hand om mijn lach te verbergen toen ze begrijpend reageerde.
Lief van Bert,want ik had wel door de grond kunnen zakken, het klonk zo overdreven!
We hadden het goed ingepland, vandaag zou het echt veel te heet zijn om zo’n dag als gister te doen.
Weet je trouwens hoe het buureiland van Borkum heet? Juist!

Onveranderd

Toen wij vandaag op de snelweg reden, zat ik ter verpozing de namen op vrachtwagens te lezen. Veel transportbedrijven hebben een bedrijfsnaam, maar er zijn er ook een heleboel die gewoon de naam van de oprichter en/of eigenaar dragen. Ineens kwam ik op de volgende gedachte: Alles verandert, alle oude dingen verdwijnen en er komen nieuwe dingen voor in de plaats. Behalve…..? Achternamen! Daar komen echt nooit nieuwe bij. Alle achternamen zijn al honderden jaren in gebruik en ze worden niet vervangen door modernere varianten.
De meeste zijn van de plaats waar de eerste drager vandaan kwam, van wat z’n beroep was, of van wie hij een kind was. En bij wijze van geintje ook wel zijn bijnaam, of die van z’n opa. Ik noem dit allemaal expres op in de mannelijke vorm, want dat was in eerste instantie de enige rechtsgeldige vorm. De naam van de man was bepalend. Dus als je als meisje geboren werd, kreeg je eerst de naam van je vader en later de naam van je echtgenoot.
Het was erg leuk om tijdens de lange autorit (ik zat zelf niet achter het stuur) daarover na te denken. De achternamen ‘van Soest, ‘van Haren’ en ‘van Tilburg’ zijn heel normaal. Maar er zal bijvoorbeeld geen familie ‘van Lelystad’ bestaan. Die naam is gewoon te nieuw.
Beroepen doen het ook goed. ‘Bakker’, ‘Brouwer’, ‘Visser’, ‘Smid’ en ‘Zeeman’ zijn prima namen.
Maar wat te denken van ‘Programmeur’, ‘Praktijkmanager’ of ‘Politicoloog’ (Fraaie alliteratie in deze zin maar dat is toevallig) Als iemand zich zo zou voorstellen zouden we reageren met; “Ja, dat bent u, maar hoe heet u?”
Het worden gewoon geen achternamen want iedereen heeft al een achternaam.
Het maakt niet uit of iets niet meer bestaat, de achternaam blijft bestaan.
‘Kuiper’ is bijvoorbeeld niet veranderd in ‘Inblikker’.
Och, maar dat is ook een leuk spelletje! Kijken of je namen hip en actueel kunt maken!
‘Brugman’ ? Ouderwets! We maken er ‘Ecoductman’ van , ‘Van der Molen’ wordt ‘Van het Zonnepaneel’ en ‘Schouten’ wordt ‘Wijkagenten’.
En als we willen moderniseren moeten we ook zeker een paar namen verengelsen.
‘Van den Broek’ wordt ‘In Jeans’ en ‘Tineke Bos’ kan ook echt niet meer, dat moet op z’n minst ‘Tiny Wood’ worden.
Dan nog een paar trendy spellingen erin gooien en we zijn weer helemaal klaar voor de nieuwe eeuw. ‘De Vries’ wordt ‘D’Vriezz’ en ‘Vink’ wordt ‘Finq’.
Zit ik alleen nog met mijn eigen naam. Van Bloois, wat moet je daar nou mee. Niks maar, ik heb het altijd al een aparte naam gevonden, dus we laten het lekker zo.
Als iemand nog leuke suggesties heeft naar aanleiding van bovenstaand verhaal, laat ze horen!
Ben heel benieuwd!

namen

foto: Unity.com

Koken met (o)pa

Mijn vader was erg gesteld op correct taalgebruik en hij hield ervan om mooie zinnen te maken. Vooral als hij iets opschreef, in zijn perfecte handschrift. Wat hij schreef, zelfs al was het een kladje voor zichzelf, zag er altijd uit alsof het een gedrukte tekst was.
Mijn vader was ook erg gesteld op lekker eten. Mijn moeder kookte meestal, maar mijn vader kwam altijd aandragen met recepten. In een restaurant probeerde hij te achterhalen welke kruiden er in zijn eten zaten en hoe het vlees of de vis gebakken dan wel gegrild was, als hij een recept tegenkwam in de krant wat hem wat leek moest het uitgeprobeerd worden en zelf verzon hij ook nog wel eens wat.
Als het een blijvertje was, zo’n recept, dan zette hij het op papier. En dan niet in zijn mooie handschrift. Nee, daar moest de typmachine voor tevoorschijn komen.
Met de tongpunt uit de mond van inspanning hamerde hij dan met zijn twee wijsvingers op de toetsen, alsof de letters door het papier heen moesten in plaats van er op. Ging er een letter fout, dan werd die minutieus weggepoetst met Tippex en werd de goede letter erin getimmerd.
Als het recept uitgetypt was, ging hij met voldoende kwartjes op zak naar een winkel waar een foto-kopieerapparaat stond, maakte een aantal kopieën en deelde die met gulle hand uit aan wie het recept maar wilde hebben.

Zoals de meeste lezers wel weten is mijn dochter Irene ook een groot liefhebber van recepten. Haar site Gezellige Gerechten staat boordevol heerlijkheden, haar opa zou zich in zijn handen gewreven hebben van plezier.
Af en toe vraagt ze wel eens: “Mam wat is het recept van dit of dat gerecht, wat jij thuis maakte?” En dan kan het zomaar zo zijn dat er een gefotokopieerd getypt vel van haar opa tevoorschijn komt.
De taal in deze recepten is ongeëvenaard

Bijvoorbeeld :
Stamp vervolgens de aardappels en de wortels/knolselderij goed door elkaar en breng met een verkruimeld stuk bouillonblok (of bij benarde financiën gewoon zout) de stamppot op smaak. Proef dan of de stamppot naar believen is qua smaak en pittigheid en reguleer deze zo nodig met ketjap (indien te zuur), met azijn (indien te zoet) en met zout of maggi (indien te flauw)
Is de knolselderij bij aankoop nog in het bezit van blad, dan verfraaien enige fijngesneden verse blaadjes het uiterlijk van het gerecht.
Tijdens het nuttigen van deze hutspot mag een regelmatig slokje van een beslist eenvoudige droge witte wijn als niet geheel onverdienstelijk aangemerkt worden

Mensen dit gaat over stamppot, niks ‘prak met kuiltje jus’ dus.
Een poosje terug kwam het recept voor linzenschotel tevoorschijn en Irene rolde zowat van haar stoel bij het volgende stukje:

Stort de geweekte linzen in een zeef en vervolgens in een braadpan (zonder zeef) . Dan op de linzen….etc…
Mijn vader,haar opa, wilde niet dat er ook maar enige onduidelijkheid kon ontstaan in zijn beschrijving.

Het waren over het algemeen stevige, eenvoudige gerechten waar mijn vader van hield, maar zijn formulering leek de recepten naar een hoger niveau te tillen.

Bij koolraapstamppot:
Regel daarna de zoutte van de koolraap, de zoutte van de boterhamworst speelt hierin een rol. Stamp de aardappelen erdoor met toevoeging van het karwijzaad. Doe alles in een ingevette open ovenschaal en leg dakpansgewijs de in dunne schijven gesneden goudreinet erop. Aanbevolen wordt de appelschijven in een koekenpan wat voor te braden

Bij groentestoofpot:
De prei wordt in niet te dunne ringen gesneden, de winterwortel grof geraspt, de spruitjes in vieren verdeeld en de paprika eveneens in stukjes of smalle ringen. Naast of in plaats van genoemde groenten kunnen uiteraard ook andere groenten gebruikt worden, echter sperciebonen en snijbonen zijn niet zo geschikt. (….) Is alles gaar, eerst dan wordt de inhoud van het potje witte bonen met aanhangend vocht toegevoegd, daarna het geheel op de vereiste smaak gebracht met maggi.

Maar hij kon ook heel best genieten van de wat meer culinaire gerechten. Als er maar flinke hoeveelheden knoflook en kruiden inzaten was het goed.
Vanavond eten we zo’n gerecht waar (o)pa’s recept onontbeerlijk bij is. Ik kwam gister namelijk in het winkeltje van de Hortus in Haren een salieplantje tegen. Op de een of andere manier kan ik nooit salie kopen, niet vers en niet gedroogd. Dus nu ik het zag moest het gelijk mee.
Want dan kunnen we weer eens “Salie-Braadstuk” eten!
Een stuk vlees waar je knoflook en salieblaadjes insteekt, wat een poos met olijfolie moet marineren en wat vanavond dan met toegevoegde witte wijn in de oven gebraden wordt.
Ook met de beschrijving van dit recept was mijn vader weer op z’n best:
Vanwege het gebruik van olie en wijn zal behoudens een mogelijk plaatselijk korstje het vlees een lichte kleur behouden. Afhankelijk van de gebruikte ingrediënten zal na het braden de “jus” meer of minder helder zijn, dit doet niets aan de smaak of kwaliteit af.
Wordt noodwendigerwijze in plaats van verse salie gedroogde salie gebruikt, dan moet rekening gehouden worden met de intensere geur en smaak van het gedroogde product.

Ik hoef niet noodwendigerwijze het gedroogde product te gebruiken, ik heb gisteravond heerlijk verse salieblaadjes in het vlees gestoken.
En pa, ik heb ook een lekkere chardonnay gekocht. Ik denk dat een glas daarvan bij het eten vanavond zeker als niet geheel onverdienstelijk aangemerkt zal worden.
Wie weet maak ik samen met Irene en met mijn zus Toos (die ook diverse recepten in haar bezit heeft) nog wel eens een kookboekje met een literair tintje:
“Koken met (o)pa” !

img_20190716_1128542371716656478698763272.jpg

Geen vooruitgang

Ben ik een autoliefhebber? Nee, niet speciaal. Een auto is handig, het is fijn als hij goed rijdt en prettig zit,  dat is het wel zo’n beetje. Ik heb geen voorkeur voor merken of types, en eerlijk gezegd begin ik me nogal te ergeren aan de eindeloze stroom nutteloze snufjes in nieuwe auto’s. Ik vind het bijvoorbeeld erg vervelend als een auto uit zichzelf op slot gaat als je wegrijdt, ik word er claustrofobisch van.
Wat ik nog veel vervelender vind, is dat alle functies nu via software geregeld worden. Ik ben echt niet zo behoudend dat ik bang ben voor nieuwe dingen, maar een heleboel vind ik zo totaal onnodig. Wat is er mis met een sleutel omdraaien bijvoorbeeld. Wat mankeert er aan met je voet het gaspedaal regelen. Alles moet blijkbaar nu computergestuurd. Als er iets aan je auto mankeert is het 10 tegen 1 een softwarestoring en geen mechanische. Alles is dan ontregeld, terwijl de auto zelf het eigenlijk nog prima doet. Automonteurs zijn meer aan het storingzoeken tegenwoordig dan aan het sleutelen.
Ik haat het idee van de zelfrijdende auto, het is een suffe, afstompende en betuttelende manier van reizen. Zo vreselijk passief, alles wordt voor je gedaan. Weer een stukje zelf  denken inleveren. Wie bepaalt eigenlijk dat alles wat kan, ook moet? Ik heb nog niemand gesproken die zegt: “Ja leuk, een zelfrijdende auto!”  Maar ze komen er wel.
Als tegenstelling is de autosport nog nog nooit zo populair geweest als tegenwoordig.
Het zo behendig mogelijk rijden, mogelijkheden zien, risico’s inschatten….. we vinden het allemaal prachtig wat Max en z’n rivalen doen. Maar zelf zitten we straks als een zoutzak in onze zelfrijdende auto’s terwijl we gelaten naar onze bestemming worden vervoerd. Vreselijk toch.

Ik heb een oude auto. Eentje zonder computer. En ik ben er erg zuinig op. Toen de auto gebouwd is, was ik zelfs nog te jong voor rijles, dus het is echt een oldtimer.

R6
Het is een auto met een choke, met 4 versnellingen, met metertjes in plaats van digitale cijfertjes. Een auto met een sleutelbos, zonder centrale deurvergrendeling, zonder elektrische ramen.
Dus als er iets mis is, kunnen de andere deuren en/of ramen nog gewoon open. De ventilatie is mechanisch en werkt supersnel. Ik zet gewoon een schuif in het dashboard open, het kost geen energie en het gaat niet stuk. De voorruit is binnen no-time ontwasemd, zonder computergestuurd systeem.
In deze auto kan ik echt autorijden. Want er wordt niks voor me geregeld. En dat is leuk.
Natuurlijk komt er ook een nostalgisch gevoel bij. Het geurtje, het geluid, het interieur… echo’s uit mijn jonge jaren. Ik heb wat accessoires toegevoegd, die het voor mij extra leuk maken. Een gehaakte stoelhoes, kussens in retro-motief op de achterbank, een wc-rol hoedje en een knikkend hondje op de hoedenplank. In de 70- er jaren maakte men  een auto nog een beetje gezellig en persoonlijk. Ik hou daar van.
Deze auto is nu 43 jaar oud. En met wat zorg en onderhoud kan hij nog heel lang mee.
Volgens mij zal een auto uit 2019 geen klassieker zijn in 2062. Want er zal niets meer werken van de systemen die er nu ingebouwd worden en bovendien is er  niets karakteristieks aan de auto’s van nu. Niets wat de moeite waard is om te bewaren.
Geen vooruitgang, maar verarming.

 

Oma’s liefde

“Dag lief jongetje”, zei mijn moeder toen ze mijn zoontje voor het eerst in haar armen hield.
Ik heb dat moment altijd onthouden, omdat er uit die eenvoudige woorden en uit haar blik zoveel intense liefde sprak voor haar nieuwe kleinzoon, dat het mij raakte tot in mijn ziel.
Nu mocht ik nogmaals dat moment beleven, alleen was de rolverdeling veranderd. Nu was ik de oma die zei: “Dag lief jongetje,” terwijl ik voor het eerst de intense liefde voor een kleinkind voelde.
Dit kindje, zo’n niet te beschrijven aanwinst voor onze familie. Kind van mijn kind. Zo gewenst, zo lang verwacht, zo geliefd.
Klein nieuw mensje, nieuw leven, nieuw stukje wereld. Jij groeide in de buik van je moeder, zoals zij in mijn buik is gegroeid . Een natuurlijke gang van zaken, letterlijk zo oud als de mensheid, maar zo bijzonder en wonderlijk dat het niet te bevatten is.
Ik heb zo’n grote wens gehad om oma te  worden. En het heeft zo mogen zijn. Ik ben me er heel erg van bewust dat ik van geluk mag spreken. Er zijn veel moeders met dezelfde grote wens die, om wat voor reden dan ook, die wens nooit in vervulling zullen zien gaan. Het is niet iets vanzelfsprekends.

Toen ik nog voor de klas stond, als juf op de basisschool, mocht ik wel eens vriendenboekjes invullen. Het poëzie-album dat ik vroeger zelf aan mijn juf gaf om in te schrijven, is niet meer gebruikelijk. De albums zijn vervangen door invulboekjes, het leuke daaraan vind ik dat jongens ze ook hebben.
Dus als juf vulde ik braaf mijn naam, favoriete eten en lievelingsdier in, en bij de vraag: “Wat wil je later worden?” was mijn antwoord steevast: “Een lieve oma”
En nu, sinds een paar dagen, mag ik dat in de praktijk gaan brengen. Want ik wil echt heel graag een lieve oma zijn. Eentje bij wie het fijn is om te komen, leuke dingen mee te doen, die graag gezien bezoek is, die vertrouwd en veilig is. Oma. Het is een bijzonder woord.
Ik heb een goed voorbeeld gehad aan mijn eigen moeder. Zij was een geweldige oma voor haar kleinkinderen, zelfs toen ze geestelijk meer en meer moest inleveren.
Ik hoop en bid dat ik gezond en fit mag blijven. Maar vooral heel veel liefde mag geven. Die heel speciale liefde, die alleen aan oma’s is voorbehouden.

Nu ben je nog heel klein
je ligt tegen me aan
mijn wang tegen jouw haartjes
ik laat mijn tranen gaan

Over een paar maanden
zit je op mijn schoot
te frummelen aan mijn knoopjes
en denk ik: je wordt groot

Nog later ga je lopen
je houdt mijn hand goed vast
Met kromme waggelbeentjes
van de tafel naar de kast

Samen eendjes voeren
samen met de bus
samen een puzzel maken
”samen” is zo knus

Ik hoop op heel veel “samen”
met liefde en geluk
maar met jou, lief kindje
kan de toekomst niet meer stuk

Nu ben je nog heel klein
je ligt tegen me aan
mijn wang tegen jouw haartjes
ik laat mijn tranen gaan

thumbnail_IMG_1006

Controle

Het is natuurlijk al lang bekend dat alles wat je op internet doet, gevolgen heeft. Gelul over privacy en aangescherpte regels veranderen daar helemaal niets aan. Toch blijf ik me echt verbazen over hoe ver het gaat. Het cookie-geneuzel heeft daar denk ik wel veel mee te maken. Ja, je moet toestemming geven, maar als je een site bezoekt wil je die zien, dus je klikt op accepteren.
Het is me allang duidelijk dat ik , als ik een keer online naar iets gezocht heb,  daarna prompt advertenties over dat onderwerp krijg op facebook, op banners en pop-ups. Maar het gaat voor mijn gevoel steeds verder. Alsof een alziend oog en afluisterend oor hier in huis rondwaren.
Bijvoorbeeld: Bert kijkt op tv een documentaire over Shell en CO2 uitstoot. We praten daar even over samen. Vervolgens krijgt hij advertenties op zijn mobiel over Shell, en over CO2 uitstoot-vermindering.
We overleggen samen (zonder online activiteiten) over de zonnepanelen die we zouden willen hebben. En hoppa, daar komen de advertenties voor zonne-energie als Bert de telefoon weer opstart.
Het lukt me niet om echt te begrijpen hoe dat kan. IP-adressen, Google-accounts, tot zover heb je me nog. Maar daarna raak ik het spoor bijster. En ik word er niet vrolijk van. Want ik hou er niet van als ik dingen waar ik mee te maken heb niet begrijp.
Gisteravond ging ik op internet op zoek naar sandalen, omdat de mijne ineens waren veranderd in rare losse flappen. Last van de hitte denk ik. Ik was online op mijn laptop.
Vanmorgen doet Bert zijn telefoon aan en ziet advertenties van Sarenza en Van Haren.
Hoe dan?
Ondanks dat ik me bewust ben van de macht van Google en van het gebrek aan privacy op internet, verontrust en benauwt me dat.
Wij tweetjes zijn maar een minuscuul stipje in de ether. Een amoebe. Maar toch worden we in de gaten gehouden. Net als die andere 7,5 miljard mensen op de wereld. En in mijn idee door een relatief kleine groep mensen. Maar wie zijn “ze “ dan? Het komt me allemaal zo ongelooflijk en mysterieus voor, als een complottheorie. Toch lijkt het de werkelijkheid te zijn.
Zelfs als je echt zou willen, kan je niet eens meer afstand nemen. Je kan niet meer zonder internet, er is dan geen betalingsverkeer, er is geen informatie, er zijn geen alternatieven meer. Ik heb altijd geprobeerd om heel bewust gebruik te maken van het internet, maar inmiddels heb ik het idee dat het niet meer kan. Dat we er al zo diep inzitten dat er geen andere mogelijkheden meer zijn. En dat we onszelf daarmee uit handen hebben gegeven, ook al denken we dat we bewust bezig zijn en zelf de controle hebben.
Ik weet niet hoe het nog verder zal gaan. Jullie?
digitization-4136387__340

Meneer Wijdbeens

Toen wij zondag heerlijk oubollig een toertochtje maakten met de oldtimer (compleet met kaart op schoot, ik noemde het op facebook al ‘Strava voor oude mensen’) reden we meest over landweggetjes. Er was niet veel verkeer, afgezien van een aantal fietsers. Over het algemeen waren het stelletjes in, wat we vroeger noemden, de Vut-leeftijd. Maar de Vut (vervroegde uittreding) bestaat niet meer, het is nu de Blut (belachelijk late uittreding) Mensen gaan nu zo laat met pensioen dat ze gelijk aan de scootmobiel toe zijn ben ik bang.
Enfin, deze stellen zaten samen op de fiets, man meestal in streepjespolo en korte broek, vrouw in makkelijke driekwartsbroek en zomers bloesje. Vrouw aan de rechterkant van de weg, man midden op de weg.
Echt. Allemaal. Waarom midden op de weg? Om hun vrouw te beschermen tegen de woeste stroom verkeer? O nee, die was er niet. Afgezien van een enkele oldtimer, die hen ronkend achterop kwam rijden. Dan krijg je de volgende situatie:
Man blijft stug doorfietsen midden op de weg. Ik neem gas terug, omdat ik weet dat de auto dan een paar fikse knallen geeft. Spaart weer een claxon uit. Man blijft hardnekkig midden op de weg fietsen. Onze ramen staan open , ik hoor de vrouw roepen: “Auto!” Man gaat 10 centimeter naar rechts, zodat ik alsnog vrij krapjes erlangs kan. In mijn achteruitkijkspiegel zie ik dat, zodra ik voorbij ben, man weer midden op de weg rijdt.
En dat was niet éen stelletje. Minstens 6 x was ’t hetzelfde. En iedere keer andere stellen. Waarom hebben die mannen zoveel meer ruimte nodig dan de vrouwen? Zou het een soort oergedrag zijn, een kwestie van territorium en intimidatie? Jammer, ik was eerlijk gezegd niet geïntimideerd door de streepjes en de e-bike.
Toch denk ik dat het wel een soort instinct is, wat in duizenden jaren evolutie niet verdwenen is. Eigenlijk vind ik dat op zich best interessant. Dat ondanks onze digitale maatschappij de lichaamstaal nog steeds heel belangrijk is, al zijn een heleboel mensen zich daar misschien niet eens bewust van.  Vrouwen nemen minder plek in dan mannen. Ik zie geen vrouw wijdbeens op een bank zitten, met haar armen gespreid over de leuning. Natuurlijk is het ook aangeleerd gedrag, vrouwen moeten netjes zitten, benen bij elkaar. Ondanks de jarenlange emancipatie is de lichaamstaal van de vrouw nog altijd nederig en zedig. Mannen mogen wel wijdbeens zitten, die hoeven niet zedig te zijn.
Maar er is toch een beetje een verandering op komst, in de acceptatie althans. Dat blijkt al uit de term ‘manspreading’ , ( in 2015 officieel opgenomen in de Oxford Dictionary.) Het schijnt vooral in het openbaar vervoer een grote ergernis te zijn als mannen daar aan doen. Ik ga heel weinig met de trein of de bus, maar ik vind het ook erg onprettig als ik naast een man zit die de mijne niet is en ik zijn been tegen mijn dij voel. Ga weg!
In Madrid en New York zijn er nu bordjes in de bus en in de metro:

screenshot_20190623-192757~27075882456235029571..jpg

Van mij mag het. Want kom op heren, het is echt geen kwestie van anatomische noodzakelijkheid om zo te zitten. Het is ruimte opeisen van een ander. En in het openbaar is dat niet sociaal. Niet op de weg, niet in de trein, niet op een bankje in het park.
Dit oergedrag is niet meer van deze tijd.

(bron illustratie:  Volkskrant)