Mijn boek is af

In deze titel zijn allevier de woorden belangrijk.

Mijn. Het is helemaal van mij, ik heb het bedacht en geschreven.

Boek. Ruim 55.000 woorden, 31 hoofdstukken, 1 verhaal. 

Is. Het bestaat, staat zwart op wit, heeft gestalte.

Af. Klaar, gereed, finished!

En ik ben voldaan en trots. Ik schrijf over alles wat los en vast zit, maar ik heb nog nooit een heel boek voor volwassenen geschreven. Het klinkt cliché, maar het was een echte uitdaging. Hoe ga ik het verhaal opbouwen, wie komen er in voor, wat gaan ze doen, wat gaan ze laten? Wat is het plot, de clou? Allemaal dingen die me tot nu toe weerhielden om er überhaupt maar aan te willen beginnen. Ik wist het gewoon niet. Genoeg onderwerpen voor korte verhalen, voor blogs, maar voor een heel boek? Nope. 

Een schrijfwedstrijd gaf me net dat duwtje wat ik nodig had. Want wat heb ik al vaak voor die drempel staan dralen. Zonder dat ik er over stapte, want ik had geen idee hoe dat moest. 

Ik schrijf geen literatuur en lees het ook maar mondjesmaat. Ik hou van goedgeschreven boeken die prettig lezen en mijn aandacht vasthouden. Heel veel literatuur kan me niet echt boeien, sorry als ik voor sommige mensen vloek nu. Maar ach, wie bepaalt de grens tussen literatuur en lectuur? En is die eigenlijk belangrijk, lees gewoon waar je het meest plezier aan beleeft. Of het je nou laat lachen, intrigeert, misschien zelfs wel frustreert of emotioneert, alles is goed zolang je jezelf er goed bij voelt. 

Wat ik nu kon gaan schrijven voor deze manuscriptenwedstrijd, heeft alles wat mij boeit. Een gemakkelijke stijl, feelgood, beetje spanning, humor en een raadsel. De cozy detective dus, ik heb het in een vorige blog al eens genoemd. 

Al vrij snel had ik een onderwerp bedacht, de hoofdpersonages en wat er opgelost moest worden. Natuurlijk moet het niet in het eerste hoofdstuk al duidelijk zijn wie het gedaan heeft, er moeten een aantal personen opgevoerd worden die de lezer verschillende kanten uit sturen.
Mezelf kennende (ik ben administratief gezien niet de meest geordende) maakte ik een overzicht van de personages met wat relevante details en vulde daarmee een heel planbord. Zo kon ik niets over het hoofd zien en had ik alles keurig op een rijtje. Het beviel alleen niet, ik raakte alsnog in de war, het was een systeem van niks. Er bleken ook online programma’s voor te bestaan, maar die waren weer te uitgebreid en te ingewikkeld voor mij. Uiteindelijk heb ik een simpele multomap gekocht en blaadjes, om de boel bij te houden. En ik ben duidelijk zo ouderwets, dat dit systeem wel werkte voor mij. De personen, de plaatsen, de tijdlijn, wat achtergrondinformatie, het multomapje bewaarde alles keurig voor mij en ik kon toevoegen of weghalen wat ik wilde. Er zijn heel wat papiertjes verfrommeld in de afgelopen tijd, want lang niet alle ideeën zijn goed of uitvoerbaar. 

De afgelopen weken (eigenlijk maanden) stonden hier in het teken van Het Boek. Bert moet er wel gierend gek van geworden zijn op sommige momenten. Hij was mijn proeflezer, mijn vraagbaak, mijn aanhoorder, mijn criticus. En tussendoor moest hij ook nog dealen met dingen als: ‘we eten laat want ik ben de tijd vergeten, of: ‘wil je de tv wat zachter zetten want ik kan me niet concentreren’, of: ‘ik doe mijn lampje nog even aan want ik kan niet slapen’ en ‘wil jij even in je eentje met Lenny gaan lopen, want ik wil mijn hoofdstuk af hebben.’ 

Ikzelf werd er van tijd tot tijd volkomen door in beslag genomen, ik kon dan haast aan niets anders denken dat aan een  plotwending of hoe ik twee situaties logisch in elkaar kon laten overlopen. 

Ik liet mijn koffie koud worden, of ik vergat dat het lunchtijd was en dacht om 3 uur: eigenlijk heb ik best wel trek! 

Ik ging naar Tim en reed op de N34, kreeg een fantastisch nieuw idee en was dat zo enthousiast aan het overdenken, dat ik er pas veel later achter kwam dat ik een hele poos terug de afslag voorbij gereden was. 

Ik schreef zo intensief aan een belangrijk hoofdstuk dat zich op een zondag afspeelde, dat ik om half 5 ’s middags botergaar was en tegen Lenny zei: ‘Kom, ik moet nodig een luchtje scheppen’ en me vervolgens verbaasde dat het zo druk was op zondag in Leens. Het was donderdag. 

Ik droomde erover, ik kon soms aan niets anders denken en moest dan verplicht iets anders gaan doen van mezelf. Niet haken of wandelen, want dan had mijn hoofd genoeg tijd om ondertussen door te malen. Zoiets had ik nog echt niet eerder meegemaakt. 

Maar ik heb vooral enorm veel plezier gehad, veel nieuws geleerd (wat ik laat gebeuren moet tenslotte wel kloppen, dus informatie opzoeken was noodzakelijk) en ik heb me helemaal laten gaan. Sommige dingen had ik tevoren al gepland, andere dingen gebeurden gewoon tijdens het schrijven en ik ging maar door. De opdracht was minimaal 50.000 woorden, ik keek tussendoor regelmatig en hield er rekening mee dat ik hier en daar nog wat ‘vulling’ moest toevoegen om aan die limiet te komen. Maar hoe verder ik kwam, hoe meer vertrouwen ik erin kreeg, dat het me ging lukken met hetgeen ik erin wilde hebben.
En dat was ook zo. Gister overschreed ik die magische grens van 50.000 en ik heb daarna nog ruim 5000 woorden gebruikt om het boek op een goede manier te eindigen. Wat mij betreft staat er niks teveel en niks te weinig in en is het precies zoals het moet zijn. 

Nu laat ik het even rusten. Nadat ik uitgestuiterd ben over mijn prestatie om een heel boek te schrijven, laat ik het een paar dagen voor wat het is. Daarna ga ik het nog een keertje goed doorlezen en eventuele fouten eruit halen, misschien eens de woordvolgorde in een zin veranderen als dat lekkerder loopt. Ik zie het wel, nu gaat dat in ieder geval nog niet gebeuren. Eerst afstand nemen. Uitzoomen. En pas daarna stuur ik het op.

En dan? Wachten natuurlijk, en in spanning zitten. Wat vinden de mensen van de uitgeverij ervan, zijn ze net zo enthousiast als ik? Hoeveel inzendingen zullen er zijn, en van welk niveau? Maak ik een kans op uitgave? 

Werkelijk, ik heb geen idee. Maar hoe dan ook, ik ben mega trots op wat ik gemaakt heb. En het is een heerlijk gevoel dat ik eindelijk iets gedaan heb, waarvan ik wist dat het wel in me zat, maar waarvan ik nooit de manier kon vinden om het eruit te laten komen. 

Mijn boek is af!

Boommarter

Zodra ik je zie, weet ik dat het niet in orde is. Je bent van de schichtige soort, die zich niet aan mensen laat zien. Ik kan me dan ook niet herinneren dat ik ooit een soortgenoot van jou in het echt gezien heb. Ik loop naar je toe, ben je gewond of leef je niet meer? Het is duidelijk het laatste. Uitgestrekt ligt je prachtige koffiebruine lichaampje op het pad, je oogjes gesloten.
Mijn hond komt kijken. Ik wil hem tegenhouden, maar hij deinst zelf al terug. 

Ik kan niet zien waarom je gestorven bent, maar je aanblik maakt me stil. Inmiddels is het gaan regenen, de druppels veranderen je vacht in natte pieken. Bij leven was je vast gaan schuilen.
Het meest ontroeren me je voetjes, zo aandoenlijk met die kussentjes. Ze zijn volkomen gaaf maar je zal ze nooit meer gebruiken. Ik ken je niet, jij had niets met mensen, maar toch voel ik me verdrietig. Zo’n mooi en bijzonder diertje, ik had je graag in leven gezien. Was je een moeder, een vader, een jong? Laat je anderen achter? Ik moet niet zo overgevoelig reageren en knipper snel een traantje weg.

Het voelt niet goed om je zo onbeschermd, in de openheid te laten liggen. Maar ik wil je niet oppakken, daar spreekt toch mijn verstand boven mijn gevoel.
Ik heb stevige schoenen aan en heel voorzichtig duw ik je lijfje met mijn voet van het pad af, en verder weg, in de hoge begroeiing. Daar kan het rustig liggen en opgenomen worden in de aarde. Zo wil ik je het respect geven wat je verdient.
En dan vervolg ik weer mijn wandeling.

Oldtimerverjaardag

Ik wist al een hele poos tevoren wat ik op mijn verjaardag wilde doen. Naar Diever, of all places.  Wat had ik daar te zoeken? Nou eigenlijk niks, ik kwam juist wat brengen. Mijn oude Renault 6. Want het was Oldtimerdag. 

3 jaar terug waren we ook geweest en het was enorm gezellig. Als kersje op de taart waren we daar toen ook nog gescout voor figuratie bij een film. ( zie: Terug in de tijd )
De afgelopen 2 jaar ging het niet door natuurlijk, er mochten immers geen evenementen gehouden worden. Maar dit jaar wel weer, en precies op 9 juli.  Verjaardagscadeautje!
Ik had van mijn liefhebbende man ook al een fysiek verjaardagscadeautje gekregen: een flitsende jaren ’70 jurk om mijn auto in stijl te presenteren.

Ik hou van de details. Vandaar ook in de auto een gehaakte stoelhoes, leuke kussens en een knikkend hondje, plus wc-rol in een gehaakt hoedje op de hoedenplank. 

We kachelden via binnenwegen van Leens naar Diever en het autootje reed heerlijk. In Diever de auto ergens geparkeerd tussen heel veel andere oldtimers in de straten rond de Brink. 
We stonden achter een oude beige Volvo, achter ons parkeerde een zwarte MG, compleet met rieten mand op een rek op de achterkant. Een zeer chic autootje, met chique eigenaars, die erg sympathiek en gezellig waren.


We waren amper uitgestapt toen tegenover ons een rode BMW 1602 met een caravan erachter, met een rotvaart en een gevaarlijke slinger vlak voor een oude boerderij parkeerde, hij miste op een haar na de luiken en had ook niet echt aan de hoogte van zijn caravan gedacht toen hij onder het rieten dak doorschoof, het scheelde maar een haartje of hij had een cabrio-caravan.  ‘Ooeehh’ riepen de chique mensen en wij verschrikt in koor, maar de rode auto kwam tot stilstand en een zeer kwiek klein mannetje stapte uit. 
Wij hadden het enorm getroffen dat we tegenover hem stonden, het was voor ons nu een show op de eerste rang. De caravan ging open en er kwam een niet aflatende stroom spulletjes uit, die zeer zorgvuldig overal waar er plek was neergezet werden. Klapstoeltjes, een tafeltje, een parasol, een Groningse vlag, een houten droogrek, een petroleumstel met koffiekan, het hield niet op. Iedere keer kwam hij ons blij weer wat laten zien, met een heel verhaal erbij waar en voor hoeveel hij dat op de kop getikt had. Een suikerklontjes dispenser, een omaschort, je kon het zo gek niet bedenken of hij had het mee. De man had in zijn eentje gewoon een heel openluchtmuseum mee genomen, het was echt geweldig.


In de loop van de dag is er ook enorm veel publiek op af gekomen en men (vooral de vrouwen) gluurden gretig even naar binnen in de caravan. Iedereen had er wel een herinnering aan, van dat het vroeger bij hun ook zo was, of ‘O kijk, die hadden ome Piet en tante Hermien ook’, dat soort dingen werden voortdurend gezegd.

Zelf hadden we ook niet te klagen over belangstelling. Als ik een euro had gekregen voor iedere keer dat iemand zei: “O een Renault 6! Die hadden we vroeger ook!’ had ik er nog eentje bij kunnen kopen. Wat ik het allerleukste vond, was dat mensen er zo blij van werden. De herinneringen die de auto bij iedereen opriep waren duidelijk mooie, en dat was echt heerlijk om te zien. Ik heb trouwens nooit geweten dat er vroeger blijkbaar zoveel Renault 6-en in Nederland gereden hebben. Wij hadden er in ieder geval nìet eentje. Mijn vader wilde pertinent geen Franse auto want ‘die roesten al in de folder!’ Dat zal ook wel de reden zijn dat mijn auto nu een heel zeldzame verschijning is. 


Het was lekker weer, de gestreepte tuinstoeltjes waren mee en ik zat er prima. Bert wilde wel graag nog wat rondkijken naar al het andere moois en liep af en toe een rondje. En serieus, iedere keer als hij terugkwam trof hij weer een andere man naast me aan.
Die had dan iets gevraagd of wilde iets vertellen over Renaults of vroeger of beiden en hield me dan behoorlijk lang aan de praat. Ik werd er haast melig van, zoveel mannenbelangstelling heb ik normaal niet. En dat op mijn 61e verjaardag!

Met eentje heb ik me echt tranen zitten lachen omdat hij zo vreselijk leuk vertelde.
Hij had vroeger een eend gehad (ok, geen Renault dus maar wel een Franse auto).
Als hij er mee op vakantie ging in Frankrijk moest hij tol betalen en dat ging toen blijkbaar op gewicht. En iedere keer was hij verbaasd dat hij zoveel moest betalen! 
Tot hij een keer de mat kapot had en zag dat er kranten onder zaten. Die zijn ook niet zo zwaar zou je zeggen. Maar toen hij de kranten, die zwartgeverfd waren, ook weghaalde bleek dat de vorige eigenaar de roestgaten in de bodem, en dat waren er nog al wat, had volgegoten met beton!
Er kwam nog een andere man bij en Bert was er inmiddels ook weer en ze zeiden allebei dat zoiets inderdaad vroeger wel gedaan werd, geen haan die ernaar kraaide! Sowieso was het allemaal een stuk gemakkelijker toen, iedereen deed maar wat.  De extra spiegel voor een caravan werd gewoon met een touwtje of elastiek aan de bestaande spiegel gemaakt.
Bert maakte het helemaal bont door te vertellen dat er een klant in de garage kwam die zijn broekriem door het handvat aan de binnenkant van de deur had gehaald en toen de riem om zijn been gebonden, om te voorkomen dat de deur eruit viel. Dus de man stapte met deur en al uit!
Ik zag het gewoon voor me en rolde bijna van mijn klapstoeltje van het lachen. 

De dag werd afgesloten met een rondrit. Uiteraard deden wij ook mee en in een lange file reden we door Diever en omstreken. Wat waren de auto’s vroeger kleurig, wat een verschil met het eindeloze zwart en grijs van nu.

We reden  ook langs een verzorgingshuis voor bejaarden en de mensen die dat konden waren buiten gaan staan, anderen zaten of stonden voor hun raam en iedereen vond het geweldig.  Zwaaiende mensen, blije gezichten, zo mooi. 

Wat minder mooi was, was dat de Renault begon te haperen. En dat waren we niet van hem gewend, het is een trouw autootje. Misschien reden we te langzaam en werd de benzine te heet en ontstond er een vaporlock, dacht Bert. Bij moderne auto’s kan dat niet meer, maar bij zo’n oude nog wel.  Auto aan de kant gezet, even laten afkoelen en daarna deed hij  het wel weer dachten we. Helaas, en dat viel me wel een beetje tegen, stopte verder niemand van de deelnemers, dus we konden ook niet meer aanlsuiten. We wisten ook niet zeker of het benzinepeil te laag was gekomen, het metertje op het dashboard is een heel vrolijk metertje die altijd heen en weer danst. Met andere woorden, je hebt er geen reet aan. Terug naar Diever gehobbeld en daar bijgetankt, maar er ging maar 12 liter in dus dat kon het niet zijn. 

We moesten maar zien dat we thuis kwamen. Maar een km of 3 buiten Diever gaf de Renault het op. Hij deed helemaal niets meer. We konden nog uitrollen tot voor het hek van een huis aan het landweggetje en zouden de Wegenwacht bellen. Geen bereik. Allebei niet.
Gelukkig waren de mensen van het huis zo vriendelijk om de ANWB voor ons te bellen. Keuzemenu op keuzemenu, voorstellen voor app’s en internetsites… man ik verlangde haast terug naar de praatpaal.
Maar uiteindelijk kreeg ik een mevrouw aan de lijn die mijn gegevens wilde hebben, me vervolgens feliciteerde met mijn verjaardag en zei dat er een Wegenwacht binnen het uur zou komen. In dat uur stopten nog wel verscheidene mensen, zelfs fietsers, met de vraag of ze ons konden helpen en dat vonden we heel aardig allemaal.
We hadden vergeten een veiligheidsvestje in de auto te leggen maar ik dacht: ik ga wel gewoon achter de auto staan, mijn jurk is van zo ’n oogverblindende kleur dat het iedereen opvalt.
Het werkte prima. Multifunctionele retrojurk.
Toen kwam dan toch de Wegenwacht en de man was helemaal blij dat hij kon gaan sleutelen. Hij liet alleen het ene na het andere moertje wegschieten en moest Bert iedere keer onder de auto kruipen om moertjes te zoeken.


Om een lang verhaal kort te maken, het bleek de bobine. Ik vind dat een heel gezellig woord maar daar hadden we niks aan want het ding was stuk. En we hadden geen extra mee en de Wegenwacht had verbazend genoeg ook geen bobine uit 1976 bij zich.
Hij zorgde wel voor een bergingsauto maar die bracht de auto vanavond niet meer thuis, dus wij konden ook niet mee.
Maar wij hebben echt een heel lieve familie, mijn zwager en schoonzus hebben ons helemaal uit Diever opgehaald. De man zou net aan zijn biertje beginnen op de zaterdagavond maar voor ons liet hij het staan. 

Toen zij er waren, was de bergingsauto er nog net niet en moesten we dus nog weer wachten en daarna zou het nog zeker 5 kwartier terugrijden zijn. En niemand had nog gegeten dus we besloten ter plekke dat we onderweg gezellig samen wat zouden eten,  en zo geschiedde. Ging ik toch nog uit eten op mijn verjaardag! 

UIteindelijk waren we om kwart over 9 thuis. Moe maar voldaan zoals we dat dan zeggen.

De Renault wordt komende week thuisgebracht. Hij was ineens zo klein op die grote bergingsauto. Kereltje toch. Ik heb geen binding met moderne auto’s. Die zijn er voor het gemak. Deze is er voor het gevoel, de emotie, de herinnering, de nostalgie. Voor mij en voor heel veel andere mensen, dat blijkt wel op zo’n dag als vandaag. 

Man vs Vrouw

Ja, ik weet het,  gister al een blogje en nu weer. Maar soms komt dat zo uit.
Deze week is het (hier) weer eens de Grote-Verschillen-Show. Tussen man en vrouw wel te verstaan. En dan bedoel ik de manier van in het leven staan. 
Dit dus:

Echt, ik ben blij dat ik een vrouw ben. Maar toch zou ik soms best wat mannelijker willen zijn. Ik denk dat het mijn leven een stuk gemakkelijker maakt.

Voorbeeld: 
Ik had kaartjes gewonnen voor de TT voor afgelopen zondag. Man en zoon gingen er samen heen en ik was heel lief ook vroeg opgestaan om ze uitgeleide te doen. En om even te verzamelen wat ze mee zouden nemen. En toen appte ik dus dit aan mijn dochter:

Zo is het namelijk precies.


Morgen is man jarig en komt er visite. Klein groepje, gewoon gezellig. En dan sla ik gewoon heel stom aan het stressen over boodschappen en menu’s en huis netjes maken en het gordijn waar de hond iedere keer tegen aan ligt uitwassen en…. WAAROM?!
Echt, deze mensen komen niet keuren, ze komen voor de gezelligheid. En ze verwachten geen gekaramelliseerde eendenlevertjes op een bedje van zeekraal, gegarneerd met gekonfijte kolibrietongetjes in balsamico-vinaigrette, als borrelhapje.
Ik ben de afgelopen maanden echt wel heel goed tot rust gekomen in mijn hoofd, maar blijkbaar zijn oude gewoontes slecht uit te roeien. Knap irritant.

Maar vanaf nu is het afgelopen. Ik ga genieten van de voorpret en feestvreugde.
Hou ik van bakken? Ja! Hou ik van koken? Ja! Hou ik van gezellige mensen? Ja!
Nou, dan combineren we dat mooi voor Berts verjaardag, zo simpel is het.
En oké , met iets meer dan een krat bier en een leverworst. Want ik hou niet van leverworst. Ik griezel er zelfs van. Die witte knarsjes erin… brrrr.

Weet je wat, ik ga net als Heer Bommel doen! (ook een man dus). Een eenvoudige doch voedzame maaltijd, in aangenaam gezelschap. Hij heeft het begrepen.  
Ik misschien toch eindelijk ook wel. Anders zat ik nu geen blogje te schrijven maar rende ik als een kip zonder kop door het huis met poetsdoeken en pollepels. 
Misschien ga ik het dan toch leren. Zal ik dan ook alvast maar een glaasje Port nemen? 

Er zit een luchtje aan

Het was een stralende zondag, toen het meisje haar 6e verjaardag vierde. Ze had een cadeau gekregen, waarover ze tot dan toe niet eens had durven dromen.
Een poppenwagen, zo mooi dat het amper speelgoed leek. Het was een kleine uitvoering van een echte kinderwagen en ze was sprakeloos van bewondering. Vier hoge wielen met smalle witte banden en dunne spaken, aan een glanzend chromen onderstel. Leren riempjes zorgden voor de vering, de bak was van donkergroene skai met een brede witte band opzij. De kap kon omhoog en omlaag, aan de duwstang hing een boodschappennet. Ze kreeg er van haar zus en broer ook nog lakentjes en dekentjes bij en een wagenspanner met pastelkleurige eendjes. Het was allemaal bijna te mooi om te bevatten.
Ze was zielsgelukkig, toen ze in de tuin, met haar nieuwe wagen speelde.
De buurmeisjes kwamen op visite, van de een kreeg ze een feestjurkje voor haar pop, een witte met kant en roze bloempjes. Van de ander een setje met poppenspullen: flesjes en bekertjes en bordjes met lepels en dat maakte het spelen nòg mooier.
De zon scheen en de liguster bloeide, de onopvallende bloempjes gaven een zware, vreemd zoete geur af, die ik voor altijd zal associëren met dat moment.
Want natuurlijk was ik dat meisje. Het kind wat die intens gelukkige herinnering altijd heeft bewaard. Het complete plaatje, met alle details, staat me nog steeds voor ogen.
Als de liguster bloeit (het lijkt wel een boektitel voor een streekroman) en ik die geur ruik, dan voel ik me acuut gelukkig.

Geuren zijn enorm belangrijk voor mij. Ze bepalen sfeer, ze roepen herinneringen op, ze zorgen voor emoties. Ik heb er al eens eerder over geschreven (Cumarine

Maar zojuist liep ik langs een perkje wilde rozen en toen gebeurde het weer, dat ik terug ging in de tijd. Bij onze lagere school stonden ook wilde rozen. Ik was altijd in de zomervakantie jarig, dus trakteren moest een paar dagen eerder, soms zelfs op de laatste schooldag. Dan stonden de ramen van het klaslokaal open en dreef de weeïge geur van de bloeiende wilde rozen binnen. En nu is het nog steeds voor mij: ruik ik wilde rozen? Dan ben ik bijna jarig. 

Uiteraard heb ik in mijn leven nog veel meer geurherinneringen verzameld. Gelukkig zijn verreweg de meeste goede herinneringen. Ja, er zijn ook geuren die nare associaties geven, maar die koester ik natuurlijk niet, integendeel.
Maar een keertje douchen met de oranjebloesem-schuim die ik mee had naar Rome, of die met kokos waar Turkije-met-Irene herinneringen aan zitten… heerlijk. Ogen dicht, genieten!

De algemene dingen zoals de geur van zonnebrandcrème, die je herinnert aan lange hete zomerdagen, of de geur van versgebakken speculaas, die je aan Sinterklaas doet denken, hebben we volgens mij allemaal wel.
Maar heb jij ook van de specifieke geuren waarbij je een mooie herinnering hebt? Ik ben heel benieuwd! 

Wie schrijft, die blijft!

‘Ja, dat kan wel wezen, maar waar blijf je nou de laatste tijd?’ Het kan zomaar zijn dat je dat dacht. Ik heb een aantal zeer trouwe lezers van Daagse Dingen, waar ik echt heel blij mee ben, maar die kunnen wel het gevoel hebben dat ik ze een beetje in de steek laat momenteel. Sporadisch een blog, wat korte verhalen die al eerder geschreven zijn, hoe zit dat? Ik zal het uitleggen! 

Ik ben dus gestopt met de kinderopvang en heb momenteel geen andere baan ,dus je zou zeggen dat ik tijd zat heb om te schrijven. Nou, dat valt in de praktijk nogal tegen. Of eigenlijk mee, om het eens lekker verwarrend te maken. Juist omdat ik meer tijd heb, durf ik het aan om aan grotere schrijfwedstrijden mee te doen. Dus ik schrijf me bij tijd en wijle haast ongans,  zodat ik er zelfs over droom. Maar dat zijn geen blogs voor Daagse Dingen. 

Wat heb ik dan wel onder handen? 
In mei heb ik een heel jeugdboek opgestuurd naar een Vlaamse uitgeverij. Die schrijft sinds de helft van de vorige eeuw jaarlijks een wedstrijd uit. De winnende boeken worden uitgegeven voor basisscholen, om de leesvaardigheid en het leesplezier van kinderen te stimuleren. Dit doen zij dus al jarenlang, er zijn al veel titels verschenen, maar ik heb er nooit aan meegedaan. Waarom niet? Geen tijd, geen durf, geen ideeën, zo simpel was het.

Maar ineens had ik nu alledrie en waagde ik het erop. Het onderwerp en het plot mocht je helemaal zelf bedenken, als het maar boeiend zou zijn voor kinderen in de bovenbouw van de basisschool. Het was een hele klus, omdat ik wel iets van niveau wilde maken. Dus het kwam neer op schrijven, herschrijven, bijschrijven, afschrijven…. Maar het is gelukt! Ik heb een boekje afgeleverd, netjes voor de deadline, waar ik zelf trots op ben. Waar gaat het over? Zeg ik niet! Stel je nou eens voor dat mijn inzending wordt uitgekozen voor uitgave, dan zie je het vanzelf! (reken maar dat ik het dan van de daken schreeuw)
Helaas moet ik wel tot november op de uitslag wachten, maar dat is altijd zo met schrijfwedstrijden. Na de opwinding van de deadline en het inzenden, volgt een eindeloos lange periode waarin je helemaal niks meer hoort. Logisch, alle inzendingen moeten gelezen en beoordeeld worden. Maar als je zelf erg enthousiast en trots bent, dan wil je eigenlijk de week erna al horen: ‘Geweldig, je inzending sprong er helemaal uit, we gaan het uitgeven!’
Jammer dan, zo werkt het niet, dus geduld is een schone zaak.

En nu heb ik een nog veel groter project. Voor de wedstrijd waar ik nu voor aan het schrijven ben moet ik minstens 5 x zoveel woorden gebruiken als voor het kinderboek. Het minimum is 50.000 woorden. Als je bedenkt dat wat ik nu hier geschreven heb 484 woorden zijn, kan je je wel indenken dat het een aardige klus is.

Hiervoor is er wel een thema, namelijk een cozy dectective! En dat is zoooo in mijn straatje! Ik ben een fan van Miss Marple, van Rosemary & Thyme , van Agatha Raisin! Cozy wordt overigens hier met een z geschreven omdat de term ‘cozy detective ‘ uit Amerika komt.
In tegenstelling dus tot het Engelse ‘cosy ‘, wat ik ook gebruikt hebt in de naam van mijn website www.cosymodus.nl, waarop je allemaal huiselijk en gezellig haakwerk kan bestellen, ik maak namelijk alles volgens jouw wensen. Ok, dit is een uitstapje maar ik mag vast wel even reclame voor mezelf maken. Kijk gerust even op de site!

Wij vertalen ‘cosy ‘ meestal met ‘gezellig’. Maar wat is er nou gezellig aan misdaad?  Niks natuurlijk, behalve dat die misdaden gepleegd worden in een gezellige en vaak landelijke omgeving en er een of andere amateur- speurneus het raadsel oplost. Cozy kunnen we dus beter als ‘kneuterig’ vertalen. 

Zelf zo’n cozy detective schrijven vond en vind ik wel een enorme uitdaging. Wie is mijn amateur detective, wie is de side-kick, waar speelt het zich af, wat gebeurt er überhaupt!
Het hele plot zit inmiddels in mijn hoofd, losse eindjes waar ik niet uitkwam heb ik netjes af kunnen werken omdat Bert mij ideeën daarvoor aan de hand deed, en ik heb ondertussen ongeveer de helft geschreven.
Maar wat is dit spannend! Ja, ik hoop natuurlijk dat het verhaal wat leuke spanning geeft, maar het is eert nu spannender hoe ik het moet doen! Alles moet tenslotte kloppen, het moet boeiend zijn, er moet een klein beetje humor in. Ik moet personages bedenken, ik moet een misdaad bedenken, ik moet motieven bedenken, ik moet …. nou ja eigenlijk alles bedenken. En opletten dat ik niet clichématig ben, dat ik geen plagiaat pleeg, dat ik de lezer niet te snel laat weten wie ‘het’ gedaan heeft…

Kortom, ik ben er heel druk mee. Zowel in mijn hoofd als qua tijd. Want ook hier zit een deadline aan natuurlijk. Overigens mag je ook een onvoltooid script insturen, maar dat is niet iets voor mij. Ik moet het af hebben, dan is het goed.
En uiteraard vertel ik ook hier niet waarover het boek gaat! Top secret, cozy of niet.

Zo, met deze uitleg heb ik A:  een nieuwe blog geschreven, B: uitgelegd waarom het de laatste tijd was stil was hier en C: stiekem een beetje reclame gemaakt voor Cosymodus, Huiselijk Haakwerk op bestelling. Want daar heb ik ook nog tijd voor hoor, tijdens het haken kom ik vaak juist op de mooiste ideeën! 

(foto: pixabay)

De vlucht

Ik deed mee aan een mooie schrijfuitdaging, met fotokaarten: Kies 2 willekeurige nummers en ontvang een blauwe en een groene kaart. Schrijf hierover een kort verhaal van rond de 2000 woorden. 
Ik kreeg deze kaarten en schreef hierbij onderstaand verhaal:

(kaarten: 18.02publishing)

De Vlucht

“Klaar voor je grote dag?” Corvus strijkt neer naast zijn kleinzoon en kijkt hem met zijn priemende kraaloogjes aan.
“Ik wil ook mee!” dringt Carrion zich ertussen, voordat haar broer heeft kunnen antwoorden.
“Nee”, zegt Corvus resoluut. “Jij kwam minstens 3 dagen later uit je ei, dus je moet gewoon nog even wat sterker worden. Ik beloof je dat jij ook met me mee mag als je er aan toe bent”. 
Hij wendt zich tot Crowbar, die van zijn ene poot op zijn andere staat te hippen. “Zenuwachtig?”
Crowbar knikt maar zegt dan stoer: “Maar ik kan de hele dag wel vliegen!”
“Dan gaan we!” roept Corvus en hij stijgt met grote vleugelslagen op van het nest. Crowbar doet zijn best om net zo imposant te starten, maar tot zijn ergernis wordt het een onhandig gefladder en hij negeert wijselijk het krassende lachje van Carrion. 
Als hij zijn balans gevonden heeft voelt hij zich zekerder en zweeft uitdagend over het nest.
“Tot ziens, zusje!” schettert hij en voegt zich dan haastig bij zijn grootvader. 

Die vliegt met een rustige zekerheid en Crowbar probeert hem te imiteren.
Corvus went zijn blik naar hem en roept: “Rust en regelmaat!” Crowbar ontspant terwijl hij zijn ritme vindt en het duurt niet lang tot hij net zo gelijkmatig vliegt als zijn grootvader. 
Hij geniet. Hij geniet tot in de punten van zijn slagpennen. Dit zweven, dit vliegen, deze ultieme vrijheid! Niet meer afhankelijk van het nest, weg van zijn zusje en zijn ouders, dit is leven!
“Nu gaan we wat hoger!” roept Corvus en Crowbar merkt tot zijn geluk dat hij hem moeiteloos kan volgen. Hij overstijgt zelfs letterlijk de oudere vogel en hij voelt zich onoverwinnelijk. 
“Ik ben de Koning van de Wereld!” roept hij uit en hij weet dat hij dit moment nooit meer zal vergeten.
Corvus duikt naast hem op en roept: “Kom! Ik wil je wat laten zien!” 
Crowbar volgt zijn grootvader en samen vliegen ze hoog boven … ja wat is het eigenlijk? Crowbar herkent het niet. Het lijkt een rivier maar er is geen water, het lijkt op rots maar het is recht en onnatuurlijk gevormd.
“Koning van de Wereld zei je toch?” vraagt Corvus. “Er is nog eens iemand geweest die dat van zichzelf zei. En die heeft dit laten maken.” 
“Wie was dat?” vraagt Crowbar nieuwgierig. “En wat is het, wat we hier zien?”
“Ik vertel je straks alles”, zegt Corvus. “Ik wil nu eerst dat je goed kijkt. Heel goed kijkt”
“Het is een rivier van steen!” zegt Crowbar. “En hij lijkt eindeloos!”
“Wat zie je nog meer?” dringt zijn grootvader aan. “Dood”zegt Crowbar. “De bomen zijn dood. Ze zijn bruin en verdord en ik zie geen dieren.” 
“Juist”, zegt Corvus.  “Kom, we landen even. Dan kan ik je er rustig over vertellen. Je bent er aan toe”. 

“Hier?” vraagt Crowbar. Hij voelt zich onprettig in deze omgeving, maar hij begrijpt dat zijn grootvader het belangrijk vindt.
“Wat ik je nu ga vertellen hoorde ik van mijn grootvader. En die weer van zijn grootvader en zo verder, een eindeloze rij voorvaderen. Jij moet me beloven dat jij dit ook weer aan jòuw kleinzoon zal vertellen.”
Crowbar knikt. Het bevalt hem dat zijn grootvader hem als een volwassene behandelt, dat hij nu deel mag gaan uitmaken van die lange familietraditie. Het voelt gewichtig.
“Heel lang geleden was er een volk van tweebeners. Niet zoals wij, ze waren veel groter, ze hadden geen veren en ook geen vleugels. Ze hadden zelfs nauwelijks haar, de meesten waren kaal als een worm. Misschien waren ze familie van de viervoeters, ik weet het niet precies. Ze hadden wel voorpoten maar die gebruikten ze niet om te lopen, maar om dingen te pakken en te dragen.
Er waren er veel, heel erg veel. De meesten waren goed. Maar een aantal waren slecht en wilden de anderen overheersen. Toen dat lukte kregen die onderling ook nog strijd en uiteindelijk bleef er éen machthebber over. Die noemde zichzelf de ‘Koning van de Wereld”. Corvus kijkt even schuin naar zijn kleinzoon.
“En hij kon niet eens vliegen”, mompelt Crowbar. Hij vindt het verhaal tot nu toe nog niet zo boeiend en heeft geen idee waarom zijn grootvader dit nou allemaal zo belangrijk vindt. 
“Inderdaad”, knikt Corvus. “Het volk noemde hem Heerser. Hij had de macht. En die steeg hem naar zijn hoofd. Hij wilde iets speciaals hebben, iets dat aan iedereen op de hele wereld liet zien dat hij Heerser was.
Hij ontbood zijn dienaar Hielenlikker, de enige die hij vertrouwde. Die stelde voor om deze stenen rivier te laten maken. Het zou een monument zijn wat zelfs vanuit de lucht te zien was, het zou een grens zijn om zijn volk binnen te houden, het zou een weg zijn om bewakers op te zetten.”

Corvus kijkt naar Crowbar, die ondertussen aan een scheefzittend veertje onder zijn vleugel zit te frunniken.
“XIAU!” krast hij hard.  Crowbar schrikt op. “Ja nou, ik had jeuk en…”
“Xiau!” zegt Corvus nogmaals. 
“Ja u ziet me, maar wat wilt u daarmee zeggen?” Crowbar snapt het niet.
“Xiau was een van de Tweebeners die aan het werk moest voor de Heerser.  Samen met talloze anderen werd hij door Hielenlikker en zijn helpers gedwongen om aan de stenen rivier te werken. “Muur” noemden zij het. Xiau was goed en vriendelijk. Maar hij had het moeilijk. Weggehaald uit zijn huis moest hij werken van zonsopgang tot zonsondergang. Rust kreeg hij alleen op een plek die snel gebouwd was, een paar uur slaap op een koude harde vloer tussen heel veel lotgenoten. Eten was er nauwelijks, 2 keer per dag iets vloeibaars wat ‘soep’ genoemd werd. Xiau wist niet of hij het zou overleven. Hij verloor alle moed en alle kracht. 

Op een avond zat hij met gesloten ogen op de  vloer van het onderkomen toen hij een zacht gekras hoorde. Hij opende zijn ogen en zag een van ons volk voor zich zitten. Het was een verre voorvader van ons, jongen, hij heette Banggai”.

Crowbar knikt, en krijgt wat meer belangstelling. De naam Banggai is beroemd in zijn familie en Crowbar had altijd al het idee dat het een soort held geweest was.
“Banggai was intelligent en nieuwsgierig”, gaat Corvus verder. “Hij had het tochtige stenen nest gezien en hij wilde er meer van weten. Een tijd lang hield hij de plek in de gaten, en hij zag dat het overdag leeg stond, maar dat aan het eind van de dag de tweebenige werkers dodelijk vermoeid arriveerden. Ze kregen hun schamele maal van een paar schreeuwende, weldoorvoede wachters en probeerden daarna uitgeput wat slaap te krijgen.
Eén bepaalde werker viel hem op, omdat hij met zijn rug tegen de wand ging zitten in plaats van te gaan liggen. Zijn ogen waren gesloten maar Banggai wist dat hij niet sliep. Een sfeer van wanhoop en pijn hing zo duidelijk om de werker heen dat Banggai het kon waarnemen. En hij nam nog iets waar, de geest van de tweebener schreeuwde geluidloos om hulp.
Banggai was voorzichtig, maar ook getroffen. Hij vroeg zich af of hij contact kon maken met dit wezen”.

“En lukte dat?” vraagt Crowbar. Hij is nu geboeid geraakt en wil graag weten hoe het verhaal verder gaat.
“Ja”, zegt Corvus eenvoudig.“Banggai en de werker spraken een andere taal. Maar hun geest kon communiceren zonder woorden. Ze vertrouwden elkaar van het begin af aan. Banggai liet toe dat de werker hem aanraakte. De werker liet toe dat Banggai op zijn schouder neerstreek. Alles heel voorzichtig, want dit contact moest tussen hun beiden blijven. Iedere andere werker, of nog erger wachter, zou het kapot maken, daar waren ze beiden van overtuigd. 

Avond aan avond wachtte Banggai de werker op, op de rand van de opening in de wand waar de werker altijd ging zitten. Ze maakten dan oogcontact maar zeiden verder niets. Pas als de anderen sliepen en de wachters buiten rond hun vuur zaten te drinken, vloog Banggai naar de werker toe. Wat in het begin een zacht gekras was, in onze eigen taal, veranderde op den duur in andere klanken, die ze beiden konden spreken en verstaan.
Banggai leerde de naam van de werker, Xiau. En andersom leerde Xiau de naam van onze voorvader.
En dat was niet het enige. Door de aanwezigheid van Banggai begon Xiau weer een doel te krijgen om ’s morgens wakker te worden en ’s avonds terug te keren naar het onderkomen. Het contact met Banggai voorkwam dat hij het opgaf. Hij moest nog steeds uitputtend werk doen, maar hij kon het nu beter verdragen”.

“En toen?” vraagt Crowbar. Hij heeft geen idee hoe dit verhaal gaat aflopen. “Die ‘muur’ is er dus, maar de Tweebeners zijn verdwenen. En de natuur daar is dood, hoe zit dat dan?”
“Dat komt straks”, zegt Corvus. “We gaan het allemaal niet te zwaar maken jongen, het is nu tijd voor wat anders!” Hij stijgt op en roept. “Kom! Probeer maar eens om mij in te halen!”
Dat laat Crowbar zich geen twee keer zeggen, hij lanceert zichzelf bijna om maar zo snel mogelijk weg te vliegen. Hij doet graag met zijn grootvaders spel mee, maar hij wil ook weg van deze nare plek. Corvus draait en duikt, Crowbar doet zijn best om hem daarin te volgen. Hij geniet van de ontspanning en schettert luid van vreugde.
Grootvader leidt hem weg van de deprimerende plek, ze komen weer in groene en gezonde natuur. Uiteindelijk strijken ze neer op de tak van een grote boom. “Hè hè”, zucht Corvus, “Even uitrusten. Dat deed je geweldig jongen, je hebt me goed bij kunnen houden!” Crowbar glimt van trots.
“Ik heb dorst!” zegt hij dan.  “Ik ook”, zegt Corvus, “gelukkig is er hier vlakbij water”.
Ze vliegen langzaam weg van de boom en landen bij een kleine stroom. Als ze gedronken hebben zegt Crowbar: “Grootvader, is dat onderkomen er nog, waar Banggai en Xiau waren? ” 
“Daar kunnen we ook nog wel even heengaan als je dat wilt” antwoordt Corvus,”al is er eigenlijk niets te zien”.
“Ik wil het wel graag”, zegt Crowbar en grootvader knikt. “Kom maar dan” . Ze stijgen weer op een vliegen samen  boven de bomen totdat Corvus zegt: “Daar! Zie je dat witte? Dat is het”. 
Crowbar daalt en ziet de onnatuurlijke scherpe vormen, de kale witte wanden met gaten erin.
Hij landt voorzichtig op de rand van zo’n gat en kijkt naar binnen. Niets, helemaal leeg. Geen voorwerpen, geen geluiden, doodse stilte. 
“XIAU!” roept hij en de echo klinkt als een antwoord. 
“Wat is er van hem geworden?” vraagt hij dan.  

“Ik zal het vertellen”, zegt Corvus.
“ Op een nacht zei hij tegen Banggai; “Ik ben bang dat ik ga sterven. Maar ik wil dat niet hier.” Er kwam vocht uit zijn ogen en Banggai begreep dat het van angst en verdriet was. “Ik help je”, zei Banggai en vertelde hem zijn plan.
De volgende ochtend zagen de wachters een lichaam liggen bij de kuil die de werkers gebruikten om hun behoefte in te doen. Er zwermden zwarte vogels om heen en eentje zat zelfs op de borst en pikte naar de plek waar zijn ogen zaten.
“O, laat maar, die is al dood”, riepen de wachters tegen elkaar. “Die wordt zo wel opgevreten, scheelt ons weer werk” . Ze keken niet meer naar het lichaam om. Toen iedereen was vertrokken naar de bouwplaats ging Xiau, want die was het natuurlijk, rechtop zitten. Banggai en zijn familie leidden hem rustig en voorzichtig naar een veilige plek in het bos.
Ze brachten hem water en voedsel en verzorgden zijn wonden.
Xiau heeft nog een flink aantal maanden in hun midden geleefd en was gelukkig.Toen hij stierf, was dat in vrijheid. “
Corvus kijkt zijn kleinzoon aan en ziet dat die onder de indruk is. “Kom, zegt hij, we gaan hier weg”.
Crowbar gaat mee maar laat het verhaal nog even op zich inwerken. Hij is trots op Banggai en op zijn volk, maar voelt zich triest vanwege Xiau.
Maar als hij weer vliegt, vult het gevoel van vrijheid en geluk zijn hart weer. Toch wil hij nog éen ding weten.
“Grootvader, waarom is alles bij die ‘muur’ zo dor en doods? “ roept hij.
Corvus komt naast hem vliegen. “Wat er precies gebeurd is weet ik niet”, zegt hij. “Maar het komt doordat de Heerser alles vergiftigde. Zijn eigen geest als eerste, en daarna alles in zijn omgeving. Deze tweebeners hadden de beschikking over onnatuurlijke middelen en wapens en dat werd hun eigen ondergang. Wij hebben besloten dat niet verder te onderzoeken. Het leidt immers tot niks goeds.”
Crowbar knikt instemmend en raakt daardoor direct uit balans. “Hahaha”, krast Corvus en dat maakt de stemming gelijk weer luchtig.
“Kom jongen!” roept hij dan. “Wie het eerste thuis is!”

Als Crowbar bijna bij het nest is, verstopt hij zich op een tak dichtbij tussen de bladeren. Hij ziet Carrion in het nest zitten. “Ik zie jou!” roept ze en Crowbar herhaalt zachtjes “Xiau”. Hij grinnikt in zichzelf. Dan vliegt hij naar Carrion toe en strijkt met zijn wang langs de hare. “Hallo lief zusje, daar ben ik weer!”
Corvus landt ook op de rand van het nest en zegt: “Wees maar trots op je broer, want hij heeft zijn eerste lange vlucht fantastisch goed gedaan!”
Carrion kijkt met stralende oogjes naar Crowbar. “Geweldig! En weet je? Over drie dagen mag ik met grootmoeder mee!” zegt ze. “Ze wil me wat laten zien” . 

The Empire strikes back

Trouwe lezers weten dat ik wel van tuinieren hou. Niet het spic-en-span gebeuren, maar het in toom houden van al te wilde groeisels en ondertussen me verwonderen over de ontelbare levensvormen en vormpjes in het kleine eco-stelsel van onze tuin.
Door mijn voorkeuren is de grens tussen wild en verwilderd soms wat vaag, maar ik heb toch echt het liefst een tuin waarin veel natuur te zien is, zowel in flora als in fauna. 

Nu ik de kinderopvang niet meer heb, kan ik ook mijn zoon vaker helpen met zijn tuin. Hij woont in een hoekhuis met aan 3 kanten tuin en het is erg veel om in je eentje te onderhouden. Helemaal als je zo in elkaar zit, dat je meer energie verbruikt dan de gemiddelde mens, om je dagelijks leven op orde te houden.

Gister was ik er ook weer en ging in de voortuin aan het werk.
Zoals gezegd, het is een hoekhuis en aan de andere kant van de straat is een grote berm met daarachter weilanden.
Waar een berm ongerept en prachtig is als er grashalmen, boterbloemen en paardenbloemen groeien, zo waardevol voor insecten en vogels, is het bij de tuin die er 10 meter vanaf ligt ineens armoedig en onverzorgd en niet sociaal geaccepteerd.
Wat dat betreft zit de mensheid maar vreemd in elkaar vind ik. Iedereen is het erover eens dat insecten van levensbelang zijn voor de wereld, en gooit vervolgens zijn bestraatte tuin vol met azijn, om op die manier het enige wat er nog kan groeien, ook tegen te gaan.  Dat je daarmee de grond compleet vergiftigd met zuur en dus ook al die van levensbelang zijnde insecten, dat is blijkbaar dan ineens niet erg. Er zijn nauwelijks nog tuinen met bomen of grote struiken, dus ook geen vogeltjes. Die zouden trouwens toch niks te eten hebben want die insecten en zaaddragende plantjes zijn al dood door het azijnzuur. En dan wel een insectenhotel, een nestkastje en een vetbolletje aan de betonnen schutting hangen, want dat staat zo leuk en ecologisch betrokken.
Ok, ik heb mijn punt gemaakt en zal nu stoppen met afdwalen voordat dit blogje net zo zuur wordt als al die azijn.

Want o ja, ik ging in de tuin werken. Wat extra tuingereedschap en mijn knielbankje mee, op naar Drenthe. Meneer Zeikstra was ook mee. Lenny dus. Echt wat kan die hond zaniken. Dan mag hij daar in huis en in de achtertuin lekker rondstruinen, maar nee er moet gejammerd en geweeklaagd worden. Want ik ben in de voortuin en dat maakt hem de eenzaamste en meest verwaarloosde hond van het westelijk halfrond. Hij werd pas stil toen hij ook in de voortuin mocht, het maakt hem dan blijkbaar niet uit dat hij dan aan de lijn moet. Ik snap hem niet.
Die voortuin was overwoekerd door gras. Hetzelfde gras wat in de berm groeit, dat staat daar natuurlijk heerlijk zijn zaden weg te laten waaien en wrijft zich in de halmpjes dat het vermenigvuldigen zo goed lukt.
En nee, zeg nou alsjeblieft niet: het is een kwestie van bijhouden. Want zo ongecompliceerd is het niet.
Die voortuin is qua samenstelling een diepe ellende. Het is een hoekhuis. (dat heb je na 3x vertellen vast wel begrepen) En ik heb het idee dat toen de huizen gebouwd werden, de voortuin van het laatste huis (dit huis dus) is gebruikt als bouwput voor alle rommel die er overbleef. De grond zit namelijk helemaal, maar dan ook helemaal, vol met puin. Een eindeloze hoeveelheid steenresten. Dit is slechts een stukje oppervlak:

Er zijn serieus al een aantal spaden gesneuveld in de afgelopen jaren.
Graswortels zijn dun. En die kruipen tussen die stenen door, maar dat maakt ook dat ze zo ongeveer vastgemetseld zitten in de grond. En ze gaan zo diep! Volgens mij is het Australisch gras, dat zich vasthoudt aan zijn roots.
En het is natuurlijk groeizaam weer nu, alles ‘brult de grond uit’, om met mijn vader te spreken.
Daar kan geen ‘kwestie van bijhouden’ tegenop, echt niet. 

Dus ik ging werkelijk een gevecht aan. Stukje voor stukje probeerde ik de grond grasvrij te maken.
Er staan een paar leuke struiken: hibiscus, bonte kardinaalsmuts, oleander en brem. Ik prikte en harkte daar keurig omheen, was niet van plan om die planten in mijn strijd te betrekken. Toch voelde de hibiscus zich blijkbaar bedreigd en stak mij venijnig met z’n puntige takken. Ik zei hem daarmee op te houden. Toen ik tot bloedens toe 3x was aangevallen werd ik ook kwaad. Wie niet horen wil moet maar voelen, dus ik knipte onherroepelijk een paar takken af. Eigen schuld. Ik heb hem daarna ook niet meer vernomen.
Behalve gras groeiden er ook een paar planten Ridderzuring. Die hebben, net als paardenbloemen, een penwortel, dus die moet je uitsteken.

Maar goeie genade wat zijn deze penwortels achterlijk lang! Ik bleef maar verder graven en graven en het einde van de wortel kwam maar niet in zicht. Ik zat inmiddels zo diep dat ik verwachtte een veenlijk aan te treffen. Zag de krantenkoppen al voor me. “Vrouw doet belangrijke archeologische vondst en ziet hiermee droom in vervulling gaan” . Wie weet kon ik van het bedrag wat het Drents Museum zou bieden, een hovenier inhuren die de hele puinzooi in de voortuin af zou graven en er goede aarde voor in de plaats storten. 
Het budget hiervoor is namelijk niet aanwezig. Vroeger kon mijn zoon een beroep doen op Buurtsupport, die kwamen met serieus gereedschap in de tuin helpen voor een bescheiden vergoeding. Helaas is dit mooie initiatief, net als vele andere sociale voorzieningen,  wegbezuinigd door onze fantastische regering. Frustratie waar ik nu niks mee kon.
Behalve botvieren op de Ridderzuringpenwortel. Mooi woord voor galgje trouwens.
Ik trof geen veenlijk aan. Zelfs geen potscherven van het Trechterbekervolk. Alleen maar brokjes baksteen en brokjes dakpan en uiteindelijk een toch nog afgebroken wortel van de Ridderzuring. Dus het puntje zit nog steeds in de grond, volgende week zal er wel weer een klein riddertje blij zijn irritante hoofd boven de grond uitsteken. 

Er liep een meneer met een hond voorbij en Lenny vond het nodig om die de stuipen op het lijf te jagen door heel hard te gaan blaffen en vooruit te springen. De hond was echter niet onder de indruk. “Hij is doof”, legde de man uit. Hij begon een heel gesprek over honden en ik ging even netjes staan, vond het onfatsoenlijk om in de grond te blijven graven ondertussen.
Mijn blik dwaalde over de tuin, ik schoot toch al wel op, vond ik. “Nou, ik ga weer” zei de man. “Succes verder, u heeft nog genoeg te doen zie ik”. Altijd fijn als iemand je een hart onder de riem steekt.
Ik ploeterde nog een poosje door, tot zoon thuis kwam van het werk. Hij had een lekker biertje in huis gehaald en dat smaakte briljant na al het harde werken. Toen ik uit het raam keek zag ik wel degelijk een groot verschil met hoe het er ‘s ochtends had uitgezien. The Empire was nog niet helemaal overwonnen maar zijn ongewenste gelederen waren flink uitgedund.

‘s Avonds gingen zoon en ik samen naar de bioscoop, naar The Lost City. Geweldig leuke film.
Over een schrijfster die een belangrijke archeologische vondst doet.
Zie je wel? Dat kan heus wel!

Knikkers 

(Kort verhaal)

“Wil jij de knikkerbaan voor me pakken?” vraagt Milan aan zijn moeder. Ze knikt en reikt naar de bovenste plank van de speelgoedkast. “Alsjeblieft” zegt ze, terwijl ze de doos met onderdelen aan haar zoontje geeft. Hij mompelt iets wat op ‘dank je’ lijkt en installeert zich in kleermakerszit op zijn speelkleed. Hij stalt alle onderdelen voor zich uit, legt ze daarna in een bepaalde volgorde en begint te bouwen. Zijn moeder kijkt ernaar en vraagt zich af waarom hij altijd zo systematisch te werk gaat. Zelf is ze enorm chaotisch, van haar kan hij het niet dus hebben. Ze grinnikt inwendig en richt haar aandacht weer op haar boek. Als ze hoort: ”Mam! Kijk, hij doet het!” kijkt ze op en laat het boek uit haar handen vallen. De knikkers rollen van beneden naar boven.
Dat heeft ze vast niet goed gezien. “Doe het nog eens?” vraagt ze. Milan legt een knikker in het onderste geultje en weer ziet ze duidelijk dat hij omhoog rolt.
“Hoe kan dat?” roept ze. “Nou gewoon” zegt Milan. “Zo heb ik hem gebouwd.”
Ze is verbijsterd en weet niet hoe te reageren. “Maar dat bestaat toch helemaal niet”, zegt ze.
“Een knikker kan alleen maar van boven naar beneden rollen!”
“Natuurlijk bestaat het wel!” Milan begrijpt de vertwijfeling van zijn moeder niet. “Ik heb het toch zo bedacht?”.
Zijn moeder kan geen woord uitbrengen. Haar kind, deze vierjarige, kan maken wat hij bedenkt en daarbij de natuurwetten veranderen. Ineens schiet haar een term te binnen. De magische fase.
“Hoe bestaat het”, fluistert ze voor zich uit.
Milan wordt alweer in beslag genomen door een verdere uitbreiding van zijn knikkerbaan en let niet meer op haar.
Ze raapt haar boek op, legt het weer op haar schoot, maar leest niet verder.  Dan staat ze op en gaat naast haar zoontje op het speelkleed zitten.
“Mag ik je helpen?” vraagt ze.
“Tuurlijk”, zegt Milan, “Maak jij dan deze kant verder?”
Ze kijkt goed naar wat hij al heeft gebouwd en maakt het op dezelfde manier na.
Milan geeft haar een paar knikkers.
Ze legt vol verwachting een knikker in de onderste richel. Die komt in beweging en rolt langzaam helemaal naar boven.

(Foto: Pixabay)

Allemaal aanhaken!(duo-blog)

We kregen leuke reacties op onze gezamenlijke blog van 100 jaar geleden (Terras weer)  Dus we gaan het gewoon nog eens doen!
De cursieve tekst is van Irene, de andere (deze dus) van mij. 

Het is de hoogste tijd voor een duoblog! Afgelopen weekend was de Handwerkbeurs. We zijn daar wel eens eerder geweest, maar de laatste keer was jaaaaaren geleden. Dit vroeg om een uitje. Want sowieso, ik kwam er achter dat ik nog maar 1 (!!!) keer, samen met mams zonder baby/dreumes/peuter een dagje uit heb gedaan, namelijk het dagje shoppen van onze vorige duoblog.

Dat zei ik net ook. 

Dus, het was tijd. (Jahaa!)

Ik besloot met de trein te gaan. Of nou ja, dat is niet eerlijk. Jan opperde het. Die zei: “Dan heb je 3 kwartier heen en 3 kwartier terug totale qualitytime voor jezelf, omdat je dan even niks hoeft te doen”. Zo geschiedde.

Ik ging met de auto, want als ik ook met het openbaar vervoer zou gaan, mocht ik haast wel de avond tevoren alvast vertrekken. Bovendien ken ik mezelf en komt er niks van qualitytime, ik ben dan alleen maar aan het hyperventileren over bustijden, treinaansluitingen, perronnummers en stationsnamen. 

Netjes op tijd (want weggaan kan soms nog wel eens even langer duren, “mamaaaaaaaa niet gaaaaaaan,” en dan moet je de handjes van je broek plukken) wilde ik de deur uit. En dat lukte, ik werd door twee mannen uitgezwaaid. Veel te vroeg stond ik dus ook bij de bushalte. Maar dan wel weer net ietsje te laat voor de vorige bus. Afijn het zonnetje scheen, dus prima. Maar al wat er langs kwam, niet mijn bus. Het duurde, en duurde. En jeeeej uiteindelijk was ie er. Maar wel te laat! Ik hoopte dat ik de trein nog zou halen.

Wat ik wel de avond tevoren had gedaan was op ‘van A naar Beter’ kijken of ik mijn route normaal kon rijden. Er waren geen wegwerkzaamheden of afsluitingen aangekondigd. Maar ze waren er heus wel! Vlak voor de afslag naar Boerakker, alwaar ik de A7 op zou gaan richting Heerenveen en daarna Zwolle, stond er aangegeven dat de toerit naar de A7 was afgesloten en ik de M moest volgen om bij Marum alsnog de A7 op te kunnen.
Stomme van A naar Beter! Als jullie Beter hadden opgelet had ik een andere, makkelijkere weg kunnen kiezen in plaats van nu door allerlei dorpjes te moeten kachelen. 

De deuren waren op het station nog niet goed en wel open of ik sprintte de bus uit. Ik had nog 3 minuten en moest op spoor 2 zijn, gelijk de eerste trap af dus. Ik rende langs de kiosk, waar NIEMAND stond. Dus, of het nou een slimme keuze was of niet, ik spurtte naar binnen, hijgde dat ik een kopje thee wilde (die ik ook echt in moordend tempo kreeg met een “succes!” er achteraan geroepen) en tegelijkertijd met het fluitje van de trein schoot ik naar binnen. Tot zo ver het relaxte reizen. Omdat ik zo laat was had ik weinig keuze in plek en schoof me op een stoel in zo’n vierzitsbankje waar twee oudere dames zaten en een man met een serieus hoofd in een serieus boek.

Ik zat achter een militaire colonne mijn ziel in lijdzaamheid te bezitten. De wagens waren gecamoufleerd maar ik zag ze heus wel! En het duurde lang.

Ik had niet eens zin om te lezen of te haken, ik moest even bijkomen, dus staarde met mijn kopje thee lekker uit het raam. Uiteindelijk was de thee op en besloot ik toch een stukje aan mijn blauwe knuffelbeer te haken. Inwendig moest ik grinniken. Ik met naald en draad in de weer, beide oude dames bezig op een iPad. Omgekeerde wereld.

Toen ik eenmaal de A7 op kon, ging het vlot. En valt er over het uur daarna eigenlijk niet echt iets te melden.

Ik was al snel in Zwolle. Ik zou lopen naar de beurslocatie want dat was maar 15 minuten. Maar ik had niet gekeken waar ik heen moest, en aan welke kant ik het station af moest. Hoefde ook niet. Ik zag een kudde dames, sommigen alleen en sommige samen, met vrijwel allemaal een rugzak, de zuidkant van het station aflopen. Noem me een volgzaam schaap maar ik dacht “dit kan niet anders, zij gaan naar de beurs” dus ik liep er achteraan. Het liep me allemaal wel iets te traag dus uiteindelijk liep ik vrijwel voorop, er liep nog 1 vrouw voor me. Ik appte moeder al dat ik er vanuit ging dat iedereen naar de beurs ging en dat ik anders heel ergens anders uit zou komen, want vol goed vertrouwen liep ik nog steeds achter mijn voorgangster aan.

In Zwolle zelf waren er stiekem toch ook weer wegwerkzaamheden en bleek de baan waar ik moest voorsorteren helemaal niet toegankelijk. Hullup! Ik deed op hoop van zegen maar wat eigenlijk, toch kwam ik bij de parkeerplaats van de IJsselhallen. Ik was gepast trots op mezelf.

Inmiddels liep ik te gieren (men moet wel denken) want ik liep uiteindelijk voorop en als een soort reisleider had ik een hele sliert dames achter me aan. A.k.a. rups.  Maakt niet uit, we vonden het!

Een besnorde man in een veiligheidshesje dirigeerde me helemaal naar de achterkant van de parkeerplaats. Misschien had hij mijn parkeerkwaliteiten ingeschat.
Want ik parkeerde echt op een wijvenmanier. Ruimte voor 4 auto’s en dan toch nog wat heen en weer moeten rijden om de auto in een vak te krijgen.
En toen aan de wandel! Dat kan ik wel goed hoor. 

Al snel was moeder er ook en togen we naar binnen.

Om geen risico te lopen op net zo’n scanner debacle voor mij als de vorige keer, had Irene beide kaartjes op haar mobiel staan. Maar niet te geloven, de eerste zei ‘piep’ en de tweede niet! En toen nog niet! Pas een paar pogingen later lukte het. Ik claim deze keer dus het eerste kaartje! 

 Eerst plassen. Waar zou dat zijn? Wederom opperde ik om een stoet dames te volgen. Zelf nadenken hoefde niet meer. Vervolgens tijd voor koffie (thee) en wat lekkers, en daarna beurstijd! 
Het was erg leuk, we hebben veel gezien en ik heb leuke aankopen gedaan. Oke ik moest wel voor de derde keer terug naar een bepaalde kraam omdat ik maar niet kon kiezen, maar het lukte, ik kocht leuke dingen.

We hadden zo’n leuk idee gezien: kussens die half van stof, half gehaakt waren. Dat wilden wij ook en Irene kreeg uiteraard een idee voor kerst. We stonden bij de kraam met quiltstofjes te kijken en erover te praten. De mevrouw in de kraam zei: “Ik hoor jullie over kerst! Die stofjes liggen aan de andere kant.”
“Wij gaan naar de andere kant! Dank u wel!” zeiden wij exact tegelijk in koor, dezelfde intonatie, zelfde pauze tussen de twee zinnen. Mevrouw moet wel denken dat wij of niet goed bij ons hoofd waren of dit van te voren samen hadden ingestudeerd.
Er was een stofje bij wat het persé moest worden. Alleen was het lapje met het patroon in de breedte geknipt en wij hadden dat in de lengte nodig. Jammer hoor, want als je ergens je zinnen op gezet hebt, wil je geen alternatief. Toen we wegliepen zag ik een voorbeeld hangen, wel in de lengte! Omdat we te netjes waren om dat van de wand af te trekken vroeg Irene het aan de meneer (die vast bij de mevrouw hoorde) of er nog een was. De goede man begon prompt de hele stapel lapjes uit te vouwen, maar hij vond er een!
Toch gelukt dus, leuk! 

Moeder ging ook wat kopen. Een blouse. Dus. Kraaaaaaamen vol garen, lapjes, innovatieve handwerktechnieken, nee hoor mams koopt kleding. Ik denk dat ze de volgende shopsessie met een haakpatroon thuis komt.

Ik heb ook werkelijk geen idee waarom er een kledingkraam op een handwerkbeurs stond, maar wat maakt het uit, ik heb die blouse! En hey, hij is van stof gemaakt, of niet dan!

We hebben ons verder keurig gedragen, er is niks raars gebeurd. Denk ik. Of ik heb het verdrongen. 

Ja, je hebt het verdrongen blijkbaar, dat ik met het hengsel van mijn tas gezellig een mevrouw op een scootmobiel meetrok. Mevrouw bood mij nog een plekje op haar schoot aan, maar ik heb dat vriendelijk afgeslagen, terwijl ik ondertussen haar stuur weer uit mijn tas probeerde te bevrijden.
En dat ik nog een andere mevrouw opving die per ongeluk haar evenwicht verloor en die heel blij was toen wij haar verzekerden dat wij haar steun en toeverlaat wilden zijn. 

Ik heb nog wel een enorme quest naar theezakjes gedaan. Serieus, je weet dat je een beurs hebt met 237846283 vrouwen, zorg dan dat de thee voorraad compleet is! Maar het mocht de pret niet drukken, het lukte.

Die thee, die hoorde bij de lunch. Want Irene zei rond 12 uur heel degelijk: “We moeten zometeen brood eten”.
Echt ik verzin dit niet, zo zei ze het. Huismoeder hè, dan krijg je dat. Maar stiekem kreeg ze wel gelijk, want wat wij aten kan je geen broodje noemen. Wij aten brood. 

Daarna gingen we weer kraampjes bezoeken, kleurtjes kijken, ideeën bediscussiëren en stiekem overal aanzitten.

Op een gegeven moment waren we wel verzadigd van de beurs en besloten we weer huiswaarts te gaan.
Maar we gingen niet ,want iedere keer moesten we toch nog iets bekijken, boekje doorbladeren, piepen over haakpakketjes en uiteindelijk toch nog een kopje thee nemen. 

We dronken de thee bij een statafeltje tegenover de stand van Brother Naaimachines. Er was een gecomputeriseerde (is dat een woord?) borduurmachine aan het werk, er werd een Minnie Mouse gepleegd.
Aanbieding, nu voor slechts €13.999,- stond erbij. Wat??? Ik ging even dichterbij kijken of ik niet een 9 teveel had gelezen. Wat nog heel veel geld was overigens.
Er stonden een paar vrouwen bij en eentje zei: “Zouden mensen dat echt kopen? “
“Waarom niet?” vroeg de Brothermevrouw, het klonk achteloos.
“Voor een bedrijf dan toch zeker?” vroeg een van de dames.
“Welnee”,zei Sister. “Het is net als met een auto hoor, mensen willen het nieuwste model”
Ik ergerde me aan het superieure toontje en de arrogante houding. Wat mij betreft kon ze beter op een heel chique beurs voor snobs gaan staan.
Waar niet een bekertje thee ,maar een glas champagne in de prijsklasse van mijn hele budget voor de handwerkbeurs geserveerd wordt.
De thee was op, de voeten moe, de inkopen gedaan, we gingen nu echt naar huis!

Mams liep zo’n beetje mee naar het station, maar de auto stond op een uithoek van de parkeerplaats geparkeerd. Tsja waarom ook niet.

Nou, scroll even terug dan, naar de aankomst, dan weet je waarom dat was.

Verder ging de terugreis heel voorspoedig. Er waren geen rare dingen, ik hoefde niet te rennen, het was eigenlijk best heel normaal. En, het was super en ontzettend gezellig om weer eens met z’n tweetjes samen iets te doen!

Daar ben ik het helemaal mee eens! En ik verheug me al op het sauna-arrangement wat we over twee weken met ons tweetjes gaan doen. EINDELIJK weer!