Hermien (Na Corona)

Onregelmatig doe ik mee aan schrijfwedstrijden. Het onderwerp moet me liggen, anders wordt het sowieso niets natuurlijk. Ook zijn sommige wedstrijden zo pretentieus dat ik ze aan me voorbij laat gaan.
Maar als ik mee doe, doe ik dat met enorm veel plezier. Soms val ik in de prijzen, dat is natuurlijk een geweldige bevestiging en erkenning! Vaak haalt mijn inzending de prijslijst niet, maar dan heb ik voor mezelf toch de voldoening dat ik fijn aan het schrijven geweest ben.
Vorig jaar, tijdens de lockdown, was er een wedstrijd met als opdracht: Na Corona. Het was in de tijd dat de Horeca dicht was, we maximaal 1 persoon thuis mochten ontvangen , de scholen en sportclubs dicht waren, iedereen een lege agenda had en een andere manier zocht om contact te hebben. Hoe zou het zijn, als de lockdown was opgeheven en Corona geen echte bedreiging meer vormde?
Het moest een kort verhaal zijn, maximaal 500 woorden.
Mijn inzending “Hermien” heeft de jury niet genoeg kunnen behagen. Misschien jullie wel?

Hermien (Na corona)

“Hebben jullie zin om zaterdag te komen eten? “
“O, was leuk geweest, maar Lex moet voetballen en daarna gaan we met z’n allen naar de Lantaarn!”

“Dat is gezellig kind. Zondag dan misschien?”
“Nou eerlijk gezegd liever niet, mam. We hebben het zo vreselijk druk, we zijn blij als we zondag een keer thuis kunnen blijven.”
“O ja, natuurlijk. Even beeldbellen dan, met de kinderen?”
“Haha ,mam, die willen echt niet dat je ze in hun onesies ziet hoor. We spreken binnenkort nog wel een keer af, ok? Ik moet nu hollen, doei!”
Hermien wil nog wat zeggen, maar de verbinding is al verbroken. Ze komt moeizaam overeind en zet de telefoon terug. Dan schuifelt ze naar de gang en trekt haar mantel aan. Ze pakt haar rollator en controleert of ze haar portemonnee heeft.
In de supermarkt zet ze een mandje voor de boodschappen op de rollator. Een potje wortelen, een zakje aardappels, een pakje met 2 tartaartjes, dan heeft ze er morgen ook nog 1. Ze zoekt haar boodschappenlijstje, maar vindt het niet. Ze probeert zich te herinneren wat ze had opgeschreven en loopt door alle paden.
Bij de kassa zet ze haar boodschappen op de band, terwijl de man achter haar ook al begint zijn kar leeg te halen. Ze kijkt om. Hij knalt een scheidingsbordje neer en gaat door met uitpakken.

“ € 28,50”, zegt de caissière. Hermien scant haar pas. Op de display verschijnt ‘pincode invoeren’. “Het gaat toch automatisch?” vraagt Hermien nerveus. “Ja, vroeger tot 50 euro maar nu weer gewoon 25.”
Hermien voelt paniek opkomen, ze weet haar pincode niet meer. De man achter haar zucht hoorbaar. “Doe dit er maar af”. Hermien schuift het tablet chocolade en het Dame-Blanche puddinkje naar de caissière.
“ € 24,98”, zegt die en Hermien houdt opgelucht haar pas bij de automaat.
De caissière begint de boodschappen van de man de scannen en Hermien probeert zo snel mogelijk haar eigen aankopen in het netje van de rollator te doen. Ze heeft ook nog recht op 2 pannenzegels maar durft er niet meer om te vragen.
Ze loopt naar buiten. “Mevrouw!” Ze draait zich om, de caissière houdt het potje wortelen omhoog. Hermien kijkt naar de man die achter haar stond, maar die blijft stug zijn boodschappen inpakken. Ze moet weer helemaal terug.“Dank u wel”, zegt ze nog.
Thuis zet ze theewater op. Ze wil de chocola pakken maar bedenkt dan dat ze die niet heeft kunnen kopen.

Ze zucht verdrietig als ze gaat zitten. Hoe laat is het? Bijna 4 uur. Nog lang geen tijd om te gaan koken. Ze zoekt de afstandsbediening en zet de tv aan. Het journaal begint net.
“Verontrustende berichten over het nieuwe Intrix-virus. Veel sneller dan verwacht grijpt de besmetting om zich heen. Vanavond een extra persconferentie, waarin verschillende maatregelen zullen worden aangekondigd.”
Hermien is geschrokken. Maar dan leunt ze achterover en er verschijnt een beetje glans in haar ogen.

Bie de Lidl

“Weet je wat handig zou zijn? Een kleine buggy! De peuters lopen goed maar sommige stukken zijn net te lang. Ik bestel zo’n paraplu-buggy. Ook makkelijk als kleinzoontje komt vrijdag!”
Zo gezegd, zo gedaan. Leuke blauwe buggy uitgezocht op de Lidl Webshop, levertijd 3 dagen, klaar.
Was het maar zo’n feest.
De buggy kwam. Het was alleen een roze. Praat me nu even niet van stereotypen en genderneutralen en seksistische denkbeelden, ik wil nu geen roze. Ik heb alleen kleine jongetjes en ik ga ze niet in een nieuwe roze buggy zetten. Ja, dat durf ik zomaar hardop te zeggen.
Dus Lidl klantenservice gebeld en uitgelegd wat er mis was. Ik kon deze buggy retour sturen en kreeg dan alsnog de blauwe toegezonden.
4 dagen, een afhaalafspraak en een bezorgafspraak en talloze mailtjes daarover later, kwam er weer een buggy. Deze keer was het een bl.. roze.
Het is toch niet te geloven! Weer gebeld, weer het hele traject doorlopen. Thuis gebleven voor de afhaalafspraak, thuisgebleven voor de bezorgafspraak, mailbox vol laten spammen… en daar was de nieuwe. Hèhè, daar was dan de blau.. ROZE!
Voor de derde keer! Ik zou er om kunnen lachen, maar mijn gevoel voor humor liet me toch echt even in de steek.
Nu was ik niet heel geduldig meer aan te telefoon en mijn ‘geval’ werd nu doorgezet naar de afdeling klachten. Ik moest deze roze buggy nog maar even niet retour sturen, ze zouden contact met mij opnemen.
Niet dus. Van 20 mailtjes per dag ineens naar 0. Dat was even afkicken.

Omdat er niks gebeurde heb ik alsnog schriftelijk een klacht ingestuurd.
Stilte. Na een paar dagen een mailtje dat ik een klachtenformulier had ingevuld (voor het geval dat ik dat was vergeten denk ik) en dat ze er zo snel mogelijk op terug zouden komen.
Het moet nog gebeuren. Zo snel mogelijk is bie de Lidl blijkbaar een rekbaar begrip.
Ik heb dus drie (ik herhaal: drie! ) roze buggy’s gekregen, de laatste staat hier nog vreselijk in de weg in de doos en ik heb dus alsnog geen buggy om de jongetjes in te zetten.

Het is nu inmiddels een principekwestie. Ik heb besteld en betaald en ik wil geleverd krijgen. Ik ben zelfs bereid concessies te doen , voor mijn part sturen ze alle kleuren van de regenboog, met uitzondering van roze. Maar dit gaat een gebed zonder eind worden, vrees ik. Mijn jongetjes zitten vast inmiddels op de middelbare school als het afgehandeld is, let maar op.


Ondertussen had ik, bij iemand anders, een pakketje breigaren besteld, gemeleerd met rood en blauw. Het werd de volgende dag geleverd. Ik deed blij de doos open en ik zag….roze! Je gelooft het niet maar het was echt zo. Knalroze.


Je mag me ouderwets noemen, maar ik ga geen roze truitje breien voor mijn kleinzoontje.
Dus ook hier weer contact opgenomen. De volgende dag al had ik de goede kleur in huis en de roze kosteloos terug kunnen sturen. Dus zo kan het ook, Lidl!


Het zal lang duren voor ik ooit weer wat ‘bie de Lidl” bestel. Ik denk zelfs nooit meer.
Daar zullen ze vast niet van wakker liggen. Hoeft ook niet, als ik mijn buggy of mijn geld maar krijg. EN GEEN ROZE!

Folklore

Dit bordje intrigeerde me. En daarom ging ik op onderzoek uit waar deze naam vandaan komt.

Augustus 1961

“Denk je er aan dat je om 12 uur thuis bent?”
“Jemig mam, ik ben 16!”
“Ja precies daarom. En je fietst over de hoofdweg en niet midden in de nacht door het bos omdat het je tijd scheelt”.
Erik antwoordt niet maar loopt chagrijnig weg. Kinderachtig gedoe altijd.
Hij stapt op zijn fiets en belt toch nog even als hij langs het keukenraam rijdt. Mam steekt haar hand op en roept: “Doe Franks ouders de groeten!”
Erik heeft het hart niet om te zeggen dat die vanavond niet thuis zijn. Want dan mag hij er natuurlijk niet heen.
Hij trapt hard door.
Heerlijk even geen gezeur over alles wat niet mag. Hij weet zeker dat er bij Frank bier in huis is en er zullen ook wel sigaretten zijn. Dat wordt een leuk avondje.

“Hello Mary Lou”’ brullen de jongens mee met de transistorradio. Op de grond staan lege bierflessen, in de asbak liggen diverse peuken. Erik zit met gestrekte benen op het tapijt en leunt met zijn rug tegen de bank waar Frank languit op ligt.
“Hoe laat komen je ouders eigenlijk thuis?” roept Erik dwars door de muziek heen.
“Morgen!” blèrt Frank, “Dus we moeten wel zorgen dat alles opgeruimd is”. Hij gaat rechtop zitten en buigt zich naar Erik over. “Blijf je slapen?”
“Nee, ik moet om 12 uur thuis zijn”. Erik trekt een gezicht.
“Nou dan mag je wel opschieten want het is bijna kwart voor 12!”
Erik schiet overeind, waarbij hij het snoer van de transistor per ongeluk uit het stopcontact trekt. Het is ineens doodstil en dat werkt ontnuchterend.
“Jemig ik moet weg, anders krijg ik op mijn sodemieter!”
Hij grijpt zijn jack en rent de deur uit. “Sorry dat ik niet help opruimen!”, roept hij nog voor hij op zijn fiets springt en wegspurt .
Wat Frank antwoordt hoort hij niet meer. Hij gaat het vast niet redden om op tijd thuis te zijn. Zijn moeder kan hij nog wel hebben, maar zijn vader…. als die boos is, is Erik echt bang van hem.
Hij remt af als hij het afbuigende pad ziet wat het bos in gaat.

“Niet door het bos”, hoort hij in gedachten de stem van zijn moeder. “Noodgeval!” zegt hij hardop en rijdt het bospad op. Het is aardedonker maar zijn fietslamp geeft nog wat licht, de dynamo zoemt aan het voorwiel.
Mam is bijgelovig, ze is altijd in de weer met oude verhalen. Over bosgeesten die je ’s nachts achterna zitten en weet ik wat niet allemaal voor onzin.
Erik fietst zo hard hij maar durft over het bochtige pad. Hij moet echt op tijd thuis zijn.
Dan hoort hij een geluid achter zich. Een tak kraakt en hij meent gehijg te horen. Hij schrikt, krijgt een onaangenaam prikkend gevoel onder zijn hoofdhuid.
Het pad is mul, daarom verliest hij wat snelheid. Het gehijg komt dichterbij, hij hoort het nu duidelijk. Erik wordt doodsbang, hij trapt alsof zijn leven ervan afhangt. En misschien is dat wel zo! “Sorry mam, dat ik je niet geloofde”, snikt hij in zichzelf. Hij is misselijk, het bier en de sigaretten spelen op. Hij voelt het zuur omhoog komen en krijgt een smerige smaak in zijn mond. Toch trapt hij maar door en door en èindelijk hoort hij dat het gehijg achter zich vervaagt. De rand van het bos is ook bereikt, die bosgeest waagt zich natuurlijk niet verder.
Hij racet naar huis, gooit zijn fiets tegen de keukenmuur en valt bijna letterlijk met de deur in huis.
“Mam”, huilt hij en vliegt zijn geschrokken moeder om de nek.
“Jongen wat is er?”
“Een boshijger”, snikt hij, “Hij zat me achterna!”
Zijn moeder blijft kalm, zet hem op een stoel en schenkt een glas water in. “Hier, drink wat en vertel dan wat er was.”
Dankbaar pakt Erik het glas. Hortend vertelt hij dat hij toch te laat weg gegaan was en het boslaantje genomen had. “Je hebt gelijk mam, er is daar iets! Ik heb het duidelijk gehoord! Het zat me achterna en ik…
De keukendeur gaat open. Daar stapt Eriks vader binnen. “Zo, je bent er dus al”, zegt hij.
“Jij fietst harder dan ik. Ik had al zo’n vermoeden dat je toch door het bos zou gaan. Ik ben naar je op zoek gegaan en zag je rijden. Ik reed achter je aan maar kon je niet inhalen. Wat kan jij fietsen jongen!”
Erik begrijpt maar half wat hij zegt. “Heb je hem gezien, pa, kwam hij ook achter jou aan? Die boshijger?”
Pa geeft mam een knipoog. “Lesje geleerd jongen?”
“Ja”, knikt Erik. Hij neemt nog een slok water en begint wat te kalmeren.
“Waarom ben je niet boos, pa?”
Zijn vader kijkt hem wat verbaasd aan. Heeft Erik het nou echt niet begrepen?
“Ehm, je hebt je straf zo wel gehad” zegt hij. Een plan vormt zich in zijn hoofd.
Morgen maar even langs het gemeentehuis.

“Een prima idee, Hendriks! Dat zal de jeugd uit het bos houden” De burgemeester knikt naar Eriks vader en zet zijn handtekening onder het formulier.
Volgende week is het naambordje klaar”

Augustus 2021

Oké dit onderzoek is geheel en al uit mijn fantasie ontsproten.
De werkelijke oorsprong van het Boshijgerslaantje:
Leden van loopgroep de Boshijgers namen dit pad altijd op hun traject.
Saai he? Ik vind mijn verklaring leuker.

Op Fietse

Waar ik woon, fiets ik niet vaak. Ik ben gewoon geen fietser.
Ik heb een mooie bakfiets, waar ik mee heen en weer naar school fiets en waarmee ik de boodschappen doe. En dat is het op fietsgebied wel zo’n beetje. Want het waait bij ons àltijd. En eigenlijk heb je nooit wind mee. Dan ben ik bij voorbaat al chagrijnig.
Maar we zijn nu op vakantie en dan doe je andere dingen. Zoals fietsen.

Wij vertoeven momenteel in Huis ter Heide, vlak bij Zeist en Soesterberg. Er staan hier 2 prima fietsen in de schuur, dus we besloten tot een fietstocht, want vandaag eindelijk mooi weer!
Broodjes en drinken mee, appeltje,hoe kneuterig wil je het hebben. Bert had deze keer zowaar een linker èn een rechtersandaal in zijn koffer gepakt, maar hij koos toch voor schoenen en sokken. En wat voor sokken.


De route van te voren op internet opgezocht en ik voerde die in, in mijn ultra geavanceerde navigatiesysteem.


Daar gingen we! Bij het eerste knooppunt was de weg afgesloten. Typisch. Bij ons gaat nooit iets van een leien dakje. Dus omfietsen, direct al.
Ok, niet klagen maar dragen. Of trappen in dit geval.
Ik hoopte op een ontspannen fietstocht in een rustige omgeving. Maar mens, je zit in het midden van Nederland, daar is het niet rustig. Nergens.
We fietsten keurig op de paadjes in het bos en langs buitenplaatsen. Samen met:

  • Groepen wielrenners die luid kakelend aan kwamen racen, en ondanks dat het toch nodig vonden om veelvuldig hun TING TING belletjes te gebruiken. Die zoveel mogelijk met 3 naast elkaar bleven rijden, over het stuur gebogen, neus naar de grond om vooral maar niks van de omgeving te zien
  • Bevriende stellen bejaarde e-bikers, mannen voorop, vrouwen daarachter, stug naast elkaar blijven rijdend, ook bij het passeren of wanneer ze ons inhaalden op hun zoemende fiets waar ze nauwelijks een trapbeweging op maakten
  • Families op fietsvakantie, ingebouwd in fietstassen, moeders met een kleuter op zo’n aanhangfiets en vaders met een fietskarretje met peuter die nauwelijks boven nog weer extra bagage kon uitkijken. Of hond
  • Een groep jonge mensen die e-cruisers (een soort moderne solexen) gehuurd hadden, ons met veel gedoe passeerden en vervolgens een heel kruispunt blokkeerden omdat ze moesten overleggen waar ze heen moesten
  • Het sportieve oudere stel wat waarschijnlijk met de camper op vakantie was en nu een tochtje maakte op de elektrische vouwfietsjes, natuurlijk ook weer op volle snelheid, langs ons. Gelukkig wel in stijl in dezelfde vrijetijdskleding.
  • De vader met 2 kinderen in een tweewier- bakfiets, die de zaterdag een beetje leuk wou besteden (die vader, niet de bakfiets) en voor de grap flink ging slingeren
  • Een man en een vrouw in strakke sportkleding op bizare stepdingen, kruising tussen segway, step en spacescooter, die ook moesten inhalen.
  • Een hele groep kampgangers met veiligheidshesjes, waarvan alle 30 deelnemers stuk voor stuk de waarschuwing van de groepsleider “TEGENLIGGERS” herhaalden, op flink volume om nog boven de muziek uit te komen die ook mee was
  • De mountainbikers die helemaal niet waarschuwden maar ineens zowel links als rechts me passeerden, mij in een walm van een zweetcocktail achterlatend
  • De meisjes met bontkraagjes, ondanks het zomerweer, op hun elektrische scootertjes die ook liever mij van het pad reden dan zelf even achter elkaar te gaan rijden
  • De mevrouw die langzaam fietste omdat haar vriendin achtergebleven was, met een rugzak aan het stuur waarvan een losse band gevaarlijk bij het wiel wapperde. Ik waarschuwde haar even omdat pas geleden een van mijn kinderen een rotklap had gemaakt doordat de band in het wiel verstrikt raakte. “O dank u”, zei ze en ze stopte. Een moment later passeerde ze me weer, rugzak met 1 band op 1 opgetrokken schouder, het zag er erg oncomfortabel uit. Ik dacht nog: het voordeel van een rugzak is dat je die op je rug kunt dragen….. Maar als zij scheef op de fiets wilde gaan zitten met opgetrokken schouder zodat die tas niet afgleed….. Ze mocht het uitzoeken van mij.
  • Het mannetje op de snorfiets met zijn vrouw achterop, ze leken zo zijn weggereden uit een komische film

En vrijwel iedereen wilde dus harder dan wij. Waarom? Echt waarom heeft iedereen zo’n haast?
Wij fietsten zo tussen de 13 en 15 km per uur. Dat is normaal dacht ik.
Nee, dat is ouderwets. Dat doen alleen mensen op mechanische fietsen die wat van het bos willen zien en daarbij ook nog een beetje gezond in beweging zijn.
Iedereen moet blijkbaar zo snel mogelijk van A naar B, zelfs als het een tochtje voor ontspanning is.
Ik heb een hekel aan de snelweg, al die drukte van het verkeer om me heen, teveel prikkels. Maar zo krijg ik ook een hekel aan een fietstochtje, zelfs in een mooie omgeving zonder tegenwind.
Teveel drukte van het verkeer, teveel prikkels. Alleen maar bezig om op het paadje te blijven, en geen ongelukken te krijgen. Samen fietsen was er nauwelijks bij, Bert heeft het grootste gedeelte van de ruim 30 km achter mij aan gefietst. Ik merkte op een gegeven moment dat ik verkrampt in het stuur zat te knijpen. Niet zo ontspannend dus.

‘Fietspad’ dekt allang de lading niet meer, behalve auto’s rijdt alles er op.

Ik voel me op deze manier een ouwe taart, die het gewone van vroeger wil behouden en daarvan genieten.
Maar dat klopt ook niet helemaal, want tegenwoordig zitten juist ouwe taarten op e-bikes met de accu op de hoogste stand.
Ik ben gewoon geen fietser, dat blijkt maar weer.

Jan Soldaat

We gaan op vakantie en we nemen mee….. van alles, maar geen jas want die zijn we vergeten. Allebei dus ook hè, toch een soort ANWB-stelletje.
Dat had wel invloed op de plannen van vandaag. We wilden gaan wandelen op Landgoed Boekensteyn, maar het miezerige weer zei: jongens jullie hebben geen jas, ga lekker iets binnen doen.
En dat deden we. Naar het Nationaal Militair Museum.
Ik had het idee dat we naar vliegtuigen en straaljagers en andere voertuigen gingen kijken, Bert zou z’n hart op kunnen halen.
Die dingen waren er inderdaad,maar nog zoveel meer! Ik had het echt zwaar onderschat en had ook niet gedacht dat ik het zelf zó boeiend zou vinden.


Vanaf de ochtendschemering der mensheid zijn volken al met elkaar in oorlog geraakt en helaas tot op de dag van vandaag.
Het museum registreert dat, zonder er een oordeel over uit te spreken.
En dat had ik nou eerlijk gezegd niet verwacht. Het was geen lofrede op het militaire aspect van de geschiedenis, puur een overzicht. En daarom raakte ik er veel meer in geïnteresseerd dan ik van te voren had gedacht.
Wat ik erg mooi vind daar, zijn de ‘kleine’ verhalen. Geen breed uitgemeten verslagen van grote veldslagen, maar individuen aan het woord. En in beeld.
Ik bekeek en beluisterde bijvoorbeeld het onderdeel: ‘Wat zou jij doen?’
Vier soldaten uit vier verschillende tijdperken vertelden iets over hun situatie en vroegen stuk voor stuk: wat moet ik doen, wat zou jij doen? Je kreeg als kijker/luisteraar twee keuzes. Tikte je jouw keuze aan, dan vertelde de soldaat de gevolgen daarvan.
En weet je? Je kon dus eigenlijk nooit de goede keuze maken. Ik werd er zo door aan het denken gezet, het is niet zo simpel als het mij soms lijkt. Ik kan wel roepen dat ik pacifist ben, maar wat doe ik als mijn geliefden bedreigd worden?
Het voert veel te ver om hier een hele verhandeling over te gaan schrijven, maar ik was echt onder de indruk.

Er waren ook foto’s, heel veel foto’s. Van mensen, meest mannen en jongens. Groepen mannen en jongens, die soldaat waren in hun tijd. Talloze gezichten keken in de camera en ik dacht: stel nou eens dat ik mijn vader herken op een foto. Of mijn oom. Of tussen die groep langharige dienstplichtigen mijn broer. Hoe gaaf zou dat zijn! Dit waren immers allemaal vaders en ooms en broers.
Jan Soldaat is die gewone man, die jongen. En dat maakte het meeste van alles indruk op mij.
Ook die Jan Soldaat waar geen foto’s van zijn omdat de camera nog niet bestond. Maar van wie zijn leren harnas is bewaard gebleven. Of zijn maliënkolder.

Er werden ook wat hiaten in mijn geschiedeniskennis opgevuld. Natuurlijk had ik geleerd over de Hollandse Waterlinie en het steeds terugkerende succes daarvan. Toch zijn de Nederlandse strijdkrachten daar op den duur mee opgehouden. Waarom? Omdat er een luchtmacht ontstond. Vliegtuigen laten zich niet tegehouden door water. Zo logisch, maar ik had er nooit echt over nagedacht.
Waarom was de Tweede Wereldoorlog een wereldoorlog als het er vooral om ging dat Duitsland zijn naziregime in Europa manifesteerde? Waarom waren er Jappenkampen, wat had Pearl Harbour ermee te maken? Nu pas heb ik begrepen dat Japan en Duitsland een pact hadden gesloten. Op de een of andere manier heb ik altijd die link gemist.

Het grote materieel staat en hangt inderdaad ook in het museum. Vliegtuigen, bommenwerpers, straaljagers. En allerlei rollend materieel. Als laatste gingen we dat ook bekijken.


“Kijk” zei Bert “Mijn vader had ook zo’n tank”.
Je verwacht het niet. “Jouw vader had ook zo’n tank”, herhaalde ik.
Maar Bert was bloedserieus. Hij legde uit dat er na de oorlog allerlei materieel van de Amerikanen en Canadezen was achtergebleven. Dat werd van wapens ontdaan en weer verhandeld.
Dus het is echt waar, mijn schoonvader had vroeger een tank. Gekocht bij de Fa. Van der Stoel in Usquert.
Er kwam een kraan met grijper op om suikerbieten te laden. En pa de Vries had een loonbedrijf, dus die crosste met zijn little tank over het Grunneger laand.
Bij aankoop waren de versnellingen geblokkeerd om de snelheid te beperken, maar pa haalde die blokkade er weer af en jakkerde op rupsbanden met 80 km per uur van akker naar akker.

Zoiets als dat verhandelen van achtergebleven materieel, daar had ik ook werkelijk nog nooit over nagedacht. We leren altijd de grote lijnen van de geschiedenis. Maar vaak is dat heel afstandelijk, terwijl we er zelf toch ook een onderdeel van zijn.
Wie weet bijvoorbeeld wat het vergeten van onze jas later nog blijkt te hebben betekend.
Meer hierover in een later blog. Dan vertel ik ook over de helikopter van mijn moeder.
O nee, dat is niet waar. Ik ben gewoon een beetje jaloers denk ik.


Commentaarrrrr

Jaren geleden schreef ik in een blog dat ik liever Olav Mol hoorde dan Allard Kalff (Racen )
Jongens, ik kom daar op terug.
Hij becommentarieert tegenwoordig iedere F1- wedstrijd en ik trek nogal eens mijn wenkbrauwen op.

Niet dat ik de wedstrijd helemaal aan het volgen ben, maar Bert kijkt natuurlijk en ik krijg er veel van mee. (Wat op zich ook wel weer leuk is want de jongetjes die hier komen die fan van F1 en vooral natuurlijk van Max Verstappen zijn, vinden het best leuk als ik met ze mee kan praten als ze ‘smaandags hier komen, maar dat terzijde)
Verder geloof ik het allemaal wel, ik zit dan heerlijk iets voor mezelf te doen ondertussen. Maar Olav wauwelt zo doordringend dat ik ofwel geïrriteerd ofwel geamuseerd raak, dat ligt aan mijn stemming. De man is werkelijk niet te stoppen. Hij lult maar door en dan vooral met heel veel langerekte keel-rrrrrrr’s. Het is een soort tic misschien maar ik vind dat echt superrrrrrrrr irritant.
Ok, het zij zo, ik moet het ermee doen. Ik heb er al eens over gedacht om een bingo-kaart samen stellen, de Olav Mol Bingo.
Wat er in ieder geval op moet is dan die rrrrr, maar ook de uitdrukking: “Met twee vingers in de neus”.
Wat bedoelt hij daar nou mee! Dat het gemakkelijk gaat ofzo? Mij lijkt het knap lastig om met een snelheid van ruim 300 km per uur in de F1- auto, met je integraalhelm op, twee vingers in je neus te steken. En ook nog eens volkomen overbodig. Riskant zelfs! Maar echt, iedere zondag komt het minstens 1x voorrrrrrrrbij.
Hij geeft ook zo veel informatie! “Dit is misschien wel een gevolg van de oorzaak”, zei hij zojuist. Ik was perplex. Dit verklaarde alles wat ik me had afgevraagd.
“Hij gaat uitaccelereren” moet ook op de bingokaart. Volgens mij moet je gewoon accelereren. Dit klinkt als kantoortaal, maar dan in de sport.
Ondertussen zat ik te haken, ik volg een telpatroon. En raakte in de war van Olav: “Het is 1.09, 1.09, 1.09, 1.09, 1.09!” Ja we snappen het Olav, het is 1.09. Ik was allang blij dat er geen rrrrrr in het woord zat.
“Tik ze maar af bovenaan jongens!” riep hij. Werkelijk geen flauw idee wat hij bedoelde dus ik heb niks getikt.
“Oooo, kijk! Wat u niet wilt dat u gebeurt, doe dat ook een ander niet!”
“Geschiedt” zei ik hardop. “Huh, wat?” vroeg Bert.
“Wat u niet wilt dat u geschiedt! Anders rijmt het niet”, legde ik uit. Alsof Olav dat kon horen.

Laatste ronde.
“En daar komt Max Verstap… BENG! KEDENG!” Ik keek verschrikt op. Was hij nou toch nog op de valreep gecrasht? O nee, hij had juist gewonnen. Het was een vreugde uiting. Ok, dat kan.
Tuurlijk vind ik het leuk als Max wint en voorrrrrrral ook voor het orrrrrrranje publiek daar op de tribune, wat speciaal naar Oostenrijk is gekomen. Er bestaat tenslotte nog meer dan voetbal.
Er kwam nog een interviewtje met Mex Versteppen, gelukkig even door iemand anders dan Olav.
Maar die was ondertussen onvermoeibaar aan het doorblaten en presteerde het om te zeggen dat het nu tijd was voor de “ceremoniatiële dingen op het podium die erbij horen” .
De spellingscontrole heeft het moeilijk hoor, nu ik dat woord typ.
Ik kreeg het bekende trieste gevoel toen ik de inhoud van 3 magnumflessen champagne zag verstuiven, na het geschud van de heren op het podium.
Nog steeds niet vervangen door spuitwater. Jammerrrrrrrrr

Foto: motorsport.com



J/M

Al die aandacht voor genderneutraal en stereotiepe rolverdeling… Ik ben weer terug in de jaren ’70.
Toen ik mijn opleiding voor kleuterleidster deed en het ook een hot item was.
Ik heb het persoonlijk nooit helemaal begrepen. En ook niet ervaren, dat ik in een meisjesrol gedwongen werd omdat ik een meisje was. Misschien zat ik in een bevoorrechte positie, ik mocht spelen waar ik mee wilde, of het nou mijn poppen waren of de meccano die mijn broer had. Ik vond het leuk hoor, met stangetjes en schroefjes en moertjes, maar wat ik maakte was geen hijskraan maar een stapelbed voor mijn poppen.
Nu ik dit aan het schrijven ben schiet het me toch te binnen dat het niet helemáál waar is wat ik zeg.
Ik werd op de lagere school wel verplicht om te handwerken omdat ik een meisje was, terwijl de jongens handenarbeid hadden. Dat vond ik toen wel stom, ik wou ook figuurzagen en verven. Waarschijnlijk had ik dan poppenmeubels gemaakt maar het gaat om het idee.


In de tijd van mijn opleiding waren handwerken en handenarbeid vervangen door ‘crea’ en dat was voor de hele klas. Prima, dan kan iedereen uitvinden wat hij/zij leuk vindt.
De andere kant was dat de stereotypen zo krampachtig vermeden moesten worden, dat het weer bijna verplicht werd dat jongens met poppen gingen spelen en meisjes met auto’s. Schiet je ook niks mee op natuurlijk.
Wat mij betreft: laat ieder gewoon doen wat hij of zij leuk vindt. En ik blijf gewoon hij en zij zeggen want daarin is het grootste gedeelte van de natuur verdeeld. Ik erken daarbij zonder meer dat er mensen en wie weet ook dieren zijn, die voelen dat ze de een zijn in het lichaam van de ander en dat er mensen zijn die voelen dat ze allebei zijn.
Wat er nu volgens mij een beetje gebeurt is dat je opgelegd krijgt om na te denken over je vrouwelijkheid dan wel mannelijkheid dan wel hybriditeit en zo weer ergens toe gedwongen wordt.

Het zou fijn zijn als iedereen het eens niet zo goed weet voor een ander. Zowel met in een rol dwingen als met dwingen uit die rol te stappen.
Ik kijk graag naar kinderen, hoe ze zich ontwikkelen. Ik ben in de gelukkige omstandigheid dat de kinderen die hier komen in liefdevolle gezinnen opgroeien en dat alle ouders het geluk en welbevinden van hun kind het belangrijkste vinden. Dus ik zie inderdaad niet de kinderen die worden geforceerd tot iets wat ze in wezen niet zijn.
Maar zie ik ‘mijn’ kinderen, vaak al vanaf de geboorte, dan zijn er zonder te willen generaliseren duidelijke verschillen tussen jongens en meisjes. In aanpak van dingen, in oplossen van probleempjes, in interesse.
Er is hier speelgoed voor alle leeftijden, alle interesses. Meisjes en jongens gaan daar anders mee om. Van mij mag dat. Moet dat zelfs, als ze zich daar goed bij voelen. Alles is voor iedereen beschikbaar maar toch zie ik (ik werk nu al 40 jaar met kinderen) steeds opnieuw hetzelfde patroon.
Een patroon is geen gebruiksaanwijzing, het is een globaal overzicht. Met ruimte voor uitzonderingen, variaties op het patroon. Meisjes zijn anders dan jongens. En van mij mag dat zo zijn.
Er spelen hier op dit moment twee peuters van 2 jaar. Ze zijn druk aan het kletsen, niet alles is verstaanbaar. Twee woorden komen veelvuldig en duidelijk naar voren: auto en piemel.
Ik laat het aan jou over om er een stereotiep aan te plakken.



Prietpraat (11)

Toch weer tien nieuwe Prietpraatjes verzameld!
Dus hier is aflevering 11:

Ik heb hier een 5-jarige filosoof:
“Waarom is 100 eigenlijk veel? Het is alleen maar een 1 en twee nullen!”
Ik ben hem het antwoord schuldig gebleven…..

Twee jongens van 5 en 6 jaar spelen samen.
De een zegt: “We doen een slaapfeestje!”
“Hè nee hoor”, zegt de ander. “Ik wil gewoon een wakkerfeestje

Er komt een kleuter huilend aanlopen. Ik vraag wat er gebeurd is.
“Ik heb een schaaf! Ik struikelde over de stoeprempel”

Mijn werk is nog wel eens een gespreksonderwerp. Ik begin er niet over hoor, dat doen ze zelf. Ze hebben er alleen niet zo’n hoge pet van op.

Kleuter tegen mij: “Jij hoeft niks meer tegen Pietje te zeggen hoor! Ik heb hem al waargeschuwd”

Kleuter: “Het komt wel goed uit zeg, dat jij een oppas bent. Jij bent toch altijd thuis”

Jongen van 7: “Jij hebt echt de meest simpele baan die er bestaat. Je hoeft alleen maar voor kinderen te zorgen en het zijn niet eens je eigen kinderen”

Ok dan. (mompelt iets over een eigen bedrijf opgebouwd hebben….)

Eten is ook belangrijk

De twee jongens van 5 en 6 jaar zijn aan het bouwen.
“We maken een Pizzeria!” zegt de een enthousiast. “Waarom niet een patatteria?”vraagt de ander verongelijkt.

“Was het leuk gister?”, vraag ik na het weekend aan een kleuter
Ja! Wij aten Barbie Kieuwen!” *

Ik geef de kinderen wat Pommbär-tjes, gezellig op een vakantiedag.
“Lekker, berechipjes!” zegt een kleuter
Ikke ook berepisjes!” roept de peuter

De kinderen spelen politieagentje. Er worden zware straffen bedacht.
“Ik ga even donuts voor ons halen!” roept de 5-jarige. “Maar niet voor de boeven! Die krijgen alleen groente!”

*kom je er nou niet uit: “Barbecuen”

Prik

Het lampje van het antwoordapparaat knipperde. Ik drukte het in en er klonk een blikkerige stem die monotoon opdreunde: ”U-heeft-een-af-spraak-op-(datum)-om-(tijd).”
Het leek Robin de Robot van Bassie en Adriaan wel. Verder geen afzender of zoiets, maar ik dacht: volgens mij is dat van de GGD. Blijkbaar had ik het huistelefoonnummer opgegeven in plaats van mijn mobiel en dan krijg je een ingesproken sms. En hoe snel de techniek ook gaat, dit klinkt nog als iets uit de tijd dat het ‘jaar 2000’ nog science fiction was.
Maar goed ik had het ook zeer ouderwets handgeschreven in mijn papieren agenda staan, dus ik had er al op gerekend dat ik mijn 2e prik zou gaan halen.
De eerste keer kon ik zo doorlopen, zwaaide ik gezellig naar een bekende en stond snel weer buiten.
Nu stond er een verkeersregelaar op de parkeerplaats en een rij mensen voor de ingang.
Ik zette de auto netjes waar ik heen gedirigeerd was en sloot met gepaste afstand aan in de rij. Het was heerlijk weer. De man voor me draaide zich om en zei: “Nou het is in ieder geval droog”.
“Lekker zo, in de zon hè?” antwoordde ik.
“Ik heb zonneallergie” zei de man nadrukkelijk. “Wat vervelend”, leefde ik mee.
Ik had mijn face-shield in de hand, ik krijg het erg benauwd van een mondkapje en dit is een alternatief daarvoor.
“Ik zie dat u dezelfde hebt”, wees de man en hield zijn identieke exemplaar omhoog. Vervolgens kreeg ik een hele verhandeling over al zijn gezondheidsproblemen en waarom hij geen mondkapje kon dragen. Ik zei af en toe maar eens “hm-m” of knikte wat. De rij mocht van mij wel wat sneller doorschuiven.
Toen begon hij over de operatie aan een abces op zijn ellenboog en dat het er nu zo raar uitzag. Ik zegende de zonneallergie waardoor hij lange mouwen had en ik het niet hoefde te aanschouwen.
Inmiddels stond hij bij de ingang en de persoon die de mensen ontving vroeg naar een identiteitsbewijs en of hij een gezondheidsverklaring bij zich had. Tot mijn starre verbazing zei de man: ” Die heb ik niet nodig.” Maar ik bemoei natuurlijk niet.
Toen was ik aan de beurt. “Heeft u alles bij u?” vroeg de gastheer, “Identiteitsbewijs, gezondheidsverklaring? Laskap? Bloemetjesjurk? ”
“Jazeker”, zei ik, “Stond allemaal in de brief. De bloemetjesjurk was nog even zoeken maar het is gelukt.”
“En het gebak voor de medewerkers?” ging hij verder. “Oei, ik heb de kleine lettertjes niet gelezen”, zei ik en de man vond dat hilarisch. Het moet ook supersaai zijn om de hele dag dezelfde vragen te stellen.
Ik moest in de rij voor Pfizer, er was een andere voor Moderna. Vandaar dat het zo druk was.
Toen ik aan de beurt was om in een prikhokje te gaan, werd ik aardig ontvangen door een mevrouw die mijn gegevens controleerde en me verzocht om op de blauwe stoel te gaan zitten.
Daar kwam de prikzuster binnenstevenen en keek direct naar mijn face-shield.
“Heeft u toestemming voor dat kuchscherm?” viel ze snibbig met de deur in huis. Ik begin meestal met ‘goedemorgen’ of iets vergelijkbaars.
“Jazeker”, zei ik. Ze had immers niet gezegd van wie ik toestemming nodig had en ik vond dat het mocht. “Astma?”blafte ze. Ik wou haast zeggen: “Nee, Annelies” maar ik dacht niet dat ze dat leuk zou vinden. Dus ik knikte braaf. Geen reactie. Ze ging rechts van mij zitten en pakte een injectienaald. “Ik wil graag in mijn linkerarm geprikt worden”, zei ik snel. “Dan moet u omdraaien!”, kribde ze. Wat een arbeidsvreugde.
Binnen een halve seconde was ik ingeënt en het hokje weer uitgebonjourd, ik hoefde blijkbaar niet eens een pleister.
Wat ik wel wou was mijn rijbewijs terug en een bevestiging van vaccinatie. Maar de andere mevrouw riep me vriendelijk terug en gaf me mijn spullen.
Toen moest nog even een poosje in de wachtkamer zitten. De vorige keer was ik al verwend met de aanwezigheid van een lolbroek en verdorie, vlak na mij kwam hij ook weer binnenzeilen.
“Kom je me nog even onderzoeken hahahahaha (tegen de mevrouw van de EHBO) want mijn vrouw weet niet dat ik hier ben hahahhhahaha. Nou ik ga zo weer naar huis hoor, hahahhahaha, want er is geen koffie, hahahahaha ”. Van mij had hij direct wel gemogen ,maar gelukkig zag hij een bekende, ging daar zo dicht bij zitten als mocht en vuurde daar zijn grappen en grollen op af.
Ik ging weg toen de klok zei dat ik mocht, lekker de zon weer in. Ik stapte in mijn auto en reed achteruit de parkeerplek af en draaide naar waar ik vandaan was gekomen.
Er werd driftig op mijn raampje getikt! Ik deed het een stukje open en keek vragend.
Een totaal onbekende man, in gewone kleding dus geen verkeersregelaar en ook niet iemand van de GGD, vertelde met veel ge-gebaar dat ik via de andere kant de parkeerplaats af moest. Het is mij een raadsel waar de man zich mee bemoeide:
A. Er was geen route of in- en uitgang aangegeven
B. Er waren geen verkeersregelaars die zeiden dat ik een andere kant op moest
C. Er reed he-le-maal niemand op het stuk waar ik geparkeerd had.
Dus ik wuifde vriendelijk en dacht: bekijk het, en reed gewoon de parkeerplaats af waar ik wou. Verkeersregelaar groette nog even. Alles dik in orde dus.
Geheel trouw aan mezelf wist ik vervolgens niet meer welke kant ik de weg moest opdraaien, koos uiteraard de verkeerde kant en reed over een brug waar ik op de heenweg helemaal niet langs gekomen was. Maar ik deed alles vol zelfvertrouwen, mocht de man van de parkeerplaats me nog nagekeken hebben. Ik heb dan wel een face-shield maar ik hou niet van gezichtsverlies.
Overigens woon ik inmiddels lang genoeg in deze omgeving om op den duur iets bekends te zien, dus ik ben zonder problemen thuisgekomen, gevaccineerd en wel! Ik ben er klaar mee.


Simpel

Zelfkennis: ik ben best intelligent maar mijn gevoel voor humor is bedroevend simpel.
Wil je me aan het lachen maken, struikel dan of verspreek je, succes verzekerd.
Ik ben zo iemand die het mopje “ Het is groen en het zit op een hekje….. Verf” vreselijk grappig vindt en helaas iedere keer opnieuw ook nog.


Vroeger kwam ik al niet meer bij om Doc, een van de 7 dwergen van Sneeuwwitje, die alle woorden door elkaar haalde. “Welkom Hoge Uwheid, Stajemeit!” etcetera. En met de loop der jaren is wel de ouderdom maar niet de wijsheid gekomen want ik ben nog net zo simpel.

Het is soms een beetje genant als ik moet lachen, want dan kan ik niet meer stoppen. Mijn kinderen fluisterden in de bioscoop wel eens dringend “Maham!” als ik in scene 7 nog steeds zat te gieren om een grapje in scène 2.
Of iemand doet iets geks of verspreekt zich en ik kan nooit meer ophouden met lachen.

Dat ik inmiddels al 17 jaar met Bert samen ben is niet mijn verdienste. Op de eerste date notabene, moest ik wel zo hard en vooral veel te lang lachen omdat hij in zijn ijswafel beet, die omklapte en als een masker zijn halve gezicht bedekte (nu zouden we zeggen: een soort mondkapje van koek) dat ik dacht dat hij ontzettend op mij zou afknappen. En ik had het hem niet eens kwalijk kunnen nemen.
Het is echt erg, onderweg in de auto naar huis zat ik er weer om te gieren en thuis vertellen ging al helemaal niet.

Versprekingen vind ik ook erg leuk. Dochter vertelde van de week dat ze in het pannenkoekenhuis ging bestellen, ze had een appel-spek pannenkoek gekozen.
“En ik wil graag een spekkel” zei ze tegen de serveerster. Goed dat ik er niet bij was, want ik had onder tafel gelegen.
Het hoogtepunt der versprekingen is voor mij wel eentje die al 40 (!) jaar geleden gemaakt werd. Ik zat met een paar anderen in de feest/activiteiten-commissie van ons muziekkorps en we zouden een fietspuzzeltocht uitzetten. Ik maakte de vragen en R. de route. Ik vroeg: “Gaat er nog een stukje door het bos? “
“Trajie drel”, antwoordde R. Ik verslikte me in mijn koffie en had minstens een half uur nodig voordat ik kon vragen wat hij bedoelde. En zelfs die vraag kon ik alleen nog maar piepend uitbrengen. Ik moest bijna gereanimeerd worden.
“Traject drie wel” had het moeten zijn. Nu ik dit vertel heb ik alweer lachtranen in mijn ogen. De arme R. voelde zich nogal ongemakkelijk door mijn buitenproportionele lachbui maar ik kan het niet helpen, zo gaat dat bij mij.
Maar zelf verspreek ik me ook hoor. En daar moet ik net zo dom om lachen als om die van een ander. Toen ik wilde vertellen dat ik naar The Planets Funniest Animals ging kijken, maar het had over The Funniest Planimals vond ik dat nog leuker dan het hele programma.
Het helpt ook wel eens als ik geïrriteerd of kwaad ben. Een verspreking relativeert het ineens en dan is het niet zo zwaar meer.
“Hou nou eens op!” riep ik zojuist naar de hond, die de halve ochtend al knoertvervelend liep te doen in de tuin, terwijl ik zo lekker op mijn stoeltje wilde handwerken. “Ik wil meer dan drie haken kunnen steken voordat ik weer achter jou aan moet!” Het effect van mijn bozigheid ging direct helemaal verloren , ik schoot zelf in de lach en hond was blij.

Dat ik moet lachen om struikelpartijen is niet bijzonder, gezien de jarenlange reeks van Lachen om Homevideo’s en aanverwante programma’s. Heel veel mensen vinden dat leuk. Het is natuurlijk helemaal niet grappig als iemand zich pijn doet, het is puur de gekkigheid van de bewegingen. Slapstick.
Maar ook genant. Ik herinner me dat mijn vriendin me vroeger een keer wegsleurde omdat een man op het station zo’n haast had dat hij van de trap afviel, zijn aktentas vrolijk zelfstandig mee de trap afhuppelde en beneden nog een stukje doorschoof. Het was zeer onbeschoft van mij om onbedaarlijk in de lach te schieten maar ik kan het echt niet helpen.
De man stond overigens weer op, het is niet zo dat ik hem had laten liggen als het fout afgelopen was. Ik ben niet ongevoelig. Ik lach ook niemand uit.
Ik lach puur om de situatie.

En om mopjes die eigenlijk te dom zijn voor woorden.

Er springt een kikker van een flat. Kwak.