Categorie archief: Geen categorie

Wandelen

Het is mijn gewoonte om direct na het ontbijt een flinke wandeling te maken. Het houdt mijn conditie en gezondheid op peil en ik vind wandelen een stuk leuker dan fietsen of fitness.
In mijn woonomgeving kan je heerlijk lopen en het verveelt dan ook niet.
En altijd met mijn wandelmaatje, onze lieve hond Lenny.
Maar sinds een paar weken loop ik alleen. Lenny kan niet meer mee wandelen. Hij is er nog, gelukkig! Al had ik vorige week het gevoel dat we bezig waren met het begin van het afscheid.
Lenny heeft artrose. Niet vreemd voor een hond van ruim elf jaar, maar hij leek altijd maar jeugdig te blijven. Tot voor heel kort zeiden mensen onderweg nog steeds: ‘Hij is nog jong zeker?’
Een week of drie geleden zag ik dat hij niet meer zo soepel liep. En toen hij tijdens een wandeling, toen we nog niet eens op de helft waren, steeds meer ging kreupelen, begon te hijgen en te gapen, dacht ik: hij heeft pijn. Zo kan het niet. Ik belde Bert op en die kwam met de auto om hem te halen. Ik maakte in mijn eentje de wandeling af. Thuis besloten we het eventjes aan te zien, het kon ook zijn dat hij zich ergens verstapt had of zoiets. Maar het verbeterde niet, dus het was tijd voor een bezoekje aan de dierenarts. Zij contstateerde artrose, gaf advies voor korte wandelingetjes, voldoende rust en verder de mogelijkheid om in de tuin wat rond te scharrelen. Ze schreef medicatie voor: vijf dagen lang een heel tablet, daarna dagelijks een halve.
In de dagen daarna zagen we niet echt veel verbetering. Hij leek niet echt meer pijn te hebben maar het lopen ging moeizaam en hij wilde veel slapen. De vijfde dag was geweest, tijd voor de halve pil nu, maar we zagen hem zo weinig opknappen. Bert en ik praatten verdrietig over hoe het nou verder moest en zelfs hoelang het nog verder kon.
Ik maakte mijn ochtendwandeling alleen, terwijl Bert met Lenny een kort rondje liep.
De route die ik liep, waar ik anders zo van kon genieten, kon me niet bekoren. Ik was zo verdrietig om daar alleen te lopen. Ook al wist ik dat Lenny er nog was, me zou begroeten als ik weer thuiskwam, het zou nooit meer worden zoals het was. Mijn lieve wandelmaatje liep niet meer naast me, ik moest het alleen doen. En misschien zou het wel binnen korte tijd zo zijn dat hij er ook niet meer was om me te begroeten… 

En ineens, sinds een paar dagen, zien we Lenny opknappen. Hij is weer veel blijer, en ook actiever. We blijven de adviezen van de dierenarts opvolgen, maar we zijn dolblij dat hij weer happy is. De medicatie heeft blijkbaar een soort spiegel bereikt, Lenny is zichzelf weer. We gaan het niet forceren door meer te vragen van hem dan wat zijn lijfje aankan. Het blijven korte wandelingetjes en scharrels in de tuin. Maar hoe heerlijk is het dat hij nu weer een blije hond is. Dat was immers ons criterium bij de gedachte: hoelang kan dit nog?
Nou, als het zo doorgaat nog heel lang. 


Mijn wandelingen zijn daardoor ineens toch weer een stuk leuker. Ik begin er aan te wennen dat ik in mijn eentje loop. Soms met een mooi muziekje in mijn oren, soms in stilte. Ik heb weer oog voor de omgeving en kan er van genieten. Want hoe mooi is het hier! 

En als ik thuiskom, is Lenny er. Blij om mij te zien, en dat is wederzijds. Ik hoop dat nog heel lang te kunnen zeggen.

Met de kleinzoon op stap

Zes jaar is hij nu, onze Finn. Hij is een dagje vrij van school en we gaan met hem, op zijn eigen verzoek, naar het Spoorwegmuseum.
Dat roept bij mij direct nostalgische gevoelens op. Mijn eigen zoontje ging ook met zijn opa, mijn vader, daarheen. Een gekoesterde herinnering.
Finn laat trots de nieuwe kleren zien die hij aanheeft. Een mooie lichte broek en een stoer zwart shirt met Pokémon figuren erop.
Ik zal nog bolletjes smeren om mee te nemen en Finn vraagt: ‘Opa, zullen wij dan ondertussen nog even voetballen?’
‘Is het gras niet te nat?’ vraag ik, maar Finn zegt: ‘We gaan alleen maar trucjes doen, oma.’
Hij verdwijnt met opa naar buiten en ik maak onze lunchpakketjes klaar.
Als ik daarna even ga kijken hoe het gaat, zie ik juist opa uit de tuinpoort van de overburen komen, met de bal, dus het gaat lekker.
‘Zullen we gaan?’ roep ik grijnzend.
Ze komen binnen, Finns broek is bemodderd en de onderste helft van de pijpen is nat.
‘Moet je nog een andere broek aan?’ vraag ik, maar Finn wil zijn nieuwe broek aanhouden.
Ik knik instemmend en poets de ergste modder weg met een doekje. Nuchter denk ik: de rest droogt wel weer.
Als oma blijk ik veel makkelijker te zijn dan als moeder. Dan had ik wel iets als: ‘Verdorie, je nieuwe broek, kijk nou toch!’ gemopperd. Nu is het belangrijker dat Finn zo fijn met zijn opa heeft gevoetbald, die broek droogt wel weer. 

Eenmaal in het museum vraag ik: ‘Waar wil je graag het eerst heen?’
‘Naar de Ninjabaan!´ is het antwoord.
Ik tuur op de plattegrond, maar zie niets wat daar ook maar op lijkt. 

‘Hoe ziet het eruit?’ probeer ik wat meer info te krijgen.
‘Nou, het gaat zóóóó en dan zóóó΅, ’ gebaart Finn, uitgebreid met zijn armen zwaaiend. Daar word ik eerlijk gezegd niet veel wijzer van. Opa bestudeert de plattegrond zo grondig dat hij hem waarschijnlijk nu uit zijn hoofd kan natekenen, maar ziet ook niets van een Ninjabaan.
‘Weet je wat? We gaan gewoon rondkijken en dan komen we het vanzelf wel tegen,’ stel ik voor.
Dat is goed. We lopen door de hallen en zien grote en kleine treinen. Als we naar een buitengedeelte gaan, roept Finn ineens: ‘Daar is de Ninjabaan!’ en hij holt vooruit.
Het blijkt een speelgedeelte, met hindernissen om overheen te lopen of te klimmen of te kruipen of te rennen. Geen treintje te bekennen, maar voor Finn is het een baan en hij is de Ninja.
We gaan natuurlijk met hem mee en bewonderen al zijn Ninjakunsten. Opa moet ook meedoen, oudere Ninja’s bestaan blijkbaar ook. Oma moet op de tas passen natuurlijk. 


Na een poosje spelen gaan we weer verder kijken.
We komen bij de Vuurproef, een attractie waarbij we nog niet weten wat ons te wachten staat. Er is een wachtruimte vol met van die hekjes om de rijen te ordenen, maar omdat het een gewone doordeweekse dag is, is het erg rustig en kunnen we in één keer doorlopen.
We kunnen daarna een kleur kiezen welke ingang we willen en Finn kiest voor rood. We stellen ons netjes op de genummerde cirkels op, al is er verder niemand. Maar Finn is erg van de regeltjes dus we doen dat. Er verschijnt een voor ons bekende man op een scherm, het is Rutger Hauer. Oud, natuurlijk. Het is al zo lang geleden dat ik als klein meisje die knappe blonde ridder Floris op tv zag. Het enige programma dat we op zondag mochten kijken, maar dat terzijde.
Met een licht Amerikaans accent doet hij een verhaaltje wat Finn niet zo kan boeien.
Begrijpelijk wel, het is ook een beetje saai voor een kind van 6. Maar dan komt er een jonge enthousiaste vrouw die machinist is, in beeld, en ze zegt ons de trein in te stappen. Wij mogen zelf gaan rijden, dat is onze vuurproef!
Omdat wij echt de enigen zijn op dat moment, kunnen we op de voorste drie stoelen gaan zitten. Fnn tussen ons in, hij zal de machinist zijn, Opa links als de stoker en oma rechts als  de remmer. En daar gaan we.
Voor ons raam wordt een film afgespeeld alsof we over de rails rijden en onze stoelen wiebelen en trillen een beetje.
De stem van de vrouw tettert door de cabine wat we allemaal moeten doen, die arme Finn wordt er doodzenuwachtig van, want hij weet het niet. Ik zie zijn gezichtje steeds meer betrekken en sla mijn arm om hem heen. ‘Er gebeurt niks, je hoeft niks te doen, het is maar een film. Alles is net alsof.’
‘Weet ik,’ zegt hij met een trillend stemmetje. Hij moet bijna huilen. Ik hou hem goed vast en zeg: ‘Je bent weleens in een achtbaan geweest, toch? Dit lijkt er een beetje op, maar het is niet eens echt deze keer!’
Maar ik begrijp wel dat hij het eng vindt. Onze trein raast door een berglandschap, we vliegen bochten door en o help, de baan houdt bij een ravijn ineens op… We vallen in het gat maar komen wonder boven wonder weer op rails terecht. We rollen uit op een station en komen tot stilstand.
‘Ik wil er uit!’  roept Finn en we stappen gauw uit. Bibberig loopt hij mee naar de uitgang en buiten zegt hij: ‘Ik wil nergens meer in!’ De tranen zitten hoog.
Ik voel me best schuldig, maar er stond nergens een waarschuwing dat het te spannend was voor jonge kinderen.
‘Kom, we gaan nog even naar de Ninjabaan.’ stel ik voor. Het lijkt me goed als hij even lekker kan ontspannen.
Dat wil hij wel en hij rent over een betonnen golvende baan. Maar er ligt zand op, hij slipt en hij valt.
Ach en dat is teveel, nu komen dan de tranen. Ik til hem op, hij huilt even uit en dan gaat het weer. We controleren zijn heup, alles is nog heel. Dan nog maar even fijn met Opa verder spelen en wordt hij weer vrolijk. 

We eten een broodje in de zon en gaan daarna nog weer naar binnen. Er is nog zoveel te zien! Modeltreintjes, een seinwachterhuis, er staan zuilen met mannetjes erop die van alles vertellen over wissels, kolen en seinen, en Finn wil alles horen. Hij drukt op de knoppen voor de verhaaltjes en gaat er rustig bij zitten om te luisteren. 


Het is zo heerlijk om alle tijd te hebben. En Finn is in zoveel dingen geïnteresseerd 

We luisteren ook naar wat deze mevrouw te vertellen heeft: 

Het is een stationswerkster, die een oogje hield op alleenreizende vrouwen en meisjes. Dat ze veilig waren voor mannen met onzedelijke intenties. Er waren ook speciale coupés voor vrouwen, om dezelfde reden.
Verschrikkelijk toch, ik moet uiteraard direct denken hoe actueel het probleem nog steeds is…
‘Wat bedoelt ze, oma?’ vraagt Finn. Ik wil die lieve zesjarige niet belasten met grote mensenproblemen en zeg:’Deze vrouwen zorgden ervoor dat mensen die alleen reisden een beetje geholpen werden.’
‘Oké!’ zegt hij en huppelt weer verder.
We zien de grandeur van de OrIënt Express,en de eenvoud van de coupés Derde Klasse.
Er zijn oude filmbeelden. Uiteraard in zwart- wit.
‘Was alles vroeger zwart-wit, ook de mensen?’ vraagt Finn. Och, ik kan me dat zo goed voorstellen. Alles wat je van vroeger ziet is immers zwart- wit, dus kleur was blijkbaar nog niet uitgevonden.
Opa legt uit dat alleen de kleurenfilm en -foto’s nog niet uitgevonden waren, maar dat verder alles er net zo kleurig uitzag als nu. Dat neemt Finn dan voor kennisgeving aan, want begrijpen doet hij het niet. Het is ook erg ingewikkeld, dat ben ik met hem eens.
We nemen een kijkje in een posttrein en Finn zegt:’Dat is voor Tim!’ Zijn oom werkt als postbezorger, en we sturen hem een foto van deze trein, want dit wil Finn laten zien.


Bovenin het museum is een grote metalen galerij en daar gaan we via een trap op. Er blijkt ook een TechLab te zijn daar, en dat is echt helemaal het einde.
Er wordt van alles uitgelegd over treintechniek en overal mag je aankomen en alles uitproberen. Finn kan er geen genoeg van krijgen, alles is even mooi.
Hij ontwerpt zijn eigen trein en mailt de foto daarvan naar mama. Hij probeert hoeveel trekkracht hij heeft, hoe hij elektriciteit op kan wekken en nog honderd andere dingen.
Alles samen met opa, want die is er zelf ook erg in geïnteresseerd.
Daarna doet hij nog een examen Treintechniek op de computer en hij slaagt nog ook! 

Als we ál die dingen gedaan hebben, gaan we nog even buitenspelen. Dan zegt Finn: ‘Ik moet plassen’ en ik antwoord: ‘Ik ook, dus ik ga even met je mee.’
Opa blijft lekker op het muurtje bij de Ninjabaan zitten.
Als wij weer terugkomen, fluistert Finn me snel toe: ‘Ik ga me verstoppen voor opa!’
‘Is goed’ fluister ik terug en ik loop in mijn eentje verder.
‘Ik ben Finn kwijtgeraakt!’ zeg ik en zie opa terstond wit wegtrekken.
‘Echt?’ Hij staat al overeind, klaar om alarm te slaan. Blijkbaar heb ik iets te goed geacteerd.
‘Nee joh!’ zeg ik snel. Ik hoor een zucht van verlichting. ‘Maar je moet hem zoeken.’
Opa gaat braaf op zoek, het is niet zo moeilijk want hij hoeft alleen maar op het gegiechel af te gaan.
Daarna moet er nog in het zand gespeeld worden en eten we zandtaartjes en zandpasta en ook nog een zandpizza. Onnodig te zeggen dat het allemaal heerlijk is. 

Maar we zijn nog niet klaar, Finn wil nog meer zien en doen binnen. We doen nog een ‘Wat ben jij?’test en Finn blijkt een bedenker te zijn. 


We spelen in een cabine waarbij er van alles tegelijk moet gebeuren om de trein in werking te krijgen en rijden zo van Groningen naar Italie via Amersfoort. 


Er is ook nog een lift naar beneden, dan kom je in een mijn met karretjes uit. Dan denkt Finn blijkbaar aan die vorige attractie, want hij zegt: ‘Nee, ik wil niet in de lift.’
Geen probleem, het hoeft echt niet. Maar een medewerkster heeft het gehoord, ze wenkt ons en fluistert: ‘Kom maar, ik doe deze deur voor je open, dan hoef je niet in de lift als je dat eng vindt.’
Zo lief meegedacht, ik bedank haar dan ook als we inderdaad door die deur naar binnen gaan. We blijven er niet zo lang, Finn vindt het alsnog te spannend, dus we zoeken snel het daglicht weer op.
Hij mag nog een klein cadeautje uitzoeken in de museumwinkel. Het wordt een heel moeilijke keuze tussen een pen met een bewegend treintje, een keycord en een klaparmbandje. Alle voors- en tegens van ieder item worden zorgvuldig tegen elkaar afgewogen en uiteindelijk kiest hij de armband. De koning te rijk loopt hij ermee de winkel uit en wij worden voortdurend getrakteerd op alle fantastische dingen die hij met de armband kan. En dan ineens zegt hij: ‘Zo. Nu wil ik wel naar huis.’
Ik kijk op mijn horloge. Het is vier uur geweest en we waren er vanmorgen om elf uur al.
We hebben dus ruim vijf uur doorgebracht in het museum! Ongelooflijk.
Als we richting de uitgang lopen, komen we nog iets tegen wat we willen zien. De koninklijke trein. We gaan er nog even in en ik verbaas me over het interieur maar ook over de lengte van de trein.
‘Dat is natuurlijk omdat de koning zijn soldaten allemaal mee moet nemen,’ verklaart Finn. Voor een zesjarige is dat eenvoudig genoeg, en ik heb geen enkele behoefte om er tegenin te gaan. We lopen langs een ruimte met sanitair en ik zeg: ‘Kijk daar heb je de koninklijke pispot.’ Daar moet hij echt verschrikkelijk om lachen en herhaalt het nog een keer of tien. Eindelijk stappen we de trein weer uit en nog giebelt hij over mijn opmerking.
Dan zijn we toch bij het hek waar ‘Exit’ op staat en komen we bij de parkeerplaats.
Onderweg naar huis appt mijn dochter: ‘Vraag hem even wat hij wil eten. Ik heb wel in huis natuurlijk, maar het is zijn feestdag.’
Ik breng de boodschap over en ook het antwoord:  ‘Hij zegt: McDonald’s’
Vervolgens zit ik te stikken van het lachen omdat mijn dochter op de app reageert met ‘Shit! Die zag ik niet aankomen.’ 
Maar, beloofd is beloofd, hij mocht kiezen, dus strakjes gaan we met z’n allen naar de grote M.
Wij komen er zelf echt nooit, maar hoe leuk is het om de dag zo af te sluiten, met iets wat Finn geweldig vindt.
Eenmaal thuis duurt het niet lang voor mama ook weer komt. Nog even wachten tot papa de kleine Lucas van het KDV heeft opgehaald, zij gaan dan rechtstreeks naar de Mac.
Maar dat wachten valt niet mee…..

Heerlijk, deze dag. Urenlang samen rondgestruind, alle tijd voor elkaar, ik heb zo genoten.
En als daarna ook nog, als we bij de ingang van McDonald’s komen, er van die lieve Lucas een zeer verrast en enthousiast: ‘Opaaaaaa!’ klinkt en dan ‘Oma ook!’ is dat nog een extra gouden randje.

Dromen

Ik ben een dromer.

‘s Nachts droom ik in mijn slaap. Altijd ben ik druk, maak bizarre dingen mee, ontmoet mensen die er allang niet meer zijn of die niet bestaan, ik kom altijd tijd tekort en meestal als ik wakker word, kan ik niet de woorden vinden om te beschrijven wat ik meemaakte in mijn droom. Mijn dromen zijn vaak fel gekleurd en propvol. Daarom heb ik regelmatig dat ik me niet zo uitgerust voel als ik wakker word. Ik moet altijd bijkomen en voel me soms nog doodmoe van al die chaos die ik in mijn slaap meemaakte. Soms is mijn droom best leuk, maar meestal  ben ik blij dat ik wakker word en de droom vervliegt.
Mijn onderbewuste is blijkbaar een hectische plek. Het zal wel ergens goed voor zijn, die heisa, maar het mag van mij wel wat minder allemaal.

Overdag droom ik ook. Maar die dromen zijn geruststellend en kalm. Want die dromen bepaal ik zelf. Als ik lekker in mijn vensterbank zit, of een mooie wandeling maak bijvoorbeeld. Ik heb oortjes in met mijn favoriete ambientmuziek en laat me meevoeren.
Die dromen hebben zachte kleuren, mooie plekken, lieve mensen en dieren en er is tijd genoeg.
Mijn bewustzijn lijkt in niets op mijn onderbewustzijn. 

En toekomstdromen? Jazeker, ik heb een gedroomde toekomst. Geen idee of ze werkelijkheid gaat worden, maar ik hoop het wel natuurlijk. 


‘Je moet je dromen najagen’ hoor ik weleens. Dat vind ik nou net niks . ‘Najagen’ heeft voor mij veel te veel de associatie met stress, en het impliceert ook iets onbereikbaars.

Liever wil ik mijn dromen volgen. Dan kom ik wel op de goede plek uit…

Lastig

Zelfpromotie dus. Ongemakkelijk en vaak voor mij een ‘ach laat maar’ gevoel.
Vanwege:

  • Het is misschien opschepperig.
  • Ik ben bang voor de teleurstelling van desinteresse.
  • ‘Ze’ zullen wel denken: O, daar heb je er weer zo een, of: O, daar heb je haar weer.

Ik volg meerdere collegaschrijvers op Instagram en als die iets over hun werk posten vind ik dat leuk en terecht. Maar zelf ben ik een beetje bang om mijn werk te promoten. Ik post dan ook erg weinig.

Toch ben ik trots op de boeken die ik geschreven heb en sta ik achter mijn werk. Maar zelfs nu ik deze zin typ, zegt er een stemmetje in mijn achterhoofd: schep niet zo op.
En dat maakt het allemaal zo dubbel.
Ik ben echt superblij als iemand me in de winkel of bij de bibliotheek aanspreekt om te zeggen dat hij/zij mijn boek heeft gelezen. Als het dan ook nog met plezier gelezen is, ben ik helemaal in de gloria.
Maar zelf reclame maken of iets als een boektour zelfs maar overwegen… ik voel me daar dan weer heel oncomfortabel bij. 

Vanmiddag trok ik toch de stoute schoenen aan. We waren in de bibliotheek, bij een ontzettend leuk boekconcert van twee vrouwen , die naar aanleiding van boeken, Ierse en Schotse liedjes zongen.
Het was totaal niet mijn bedoeling om mijn eigen boek erin te betrekken. Maar toen ze vertelden over detectives, over kastelen en Schotland, dacht ik uiteraard aan De dood in het vizier.
Ik zat enorm te dubben of ik ze na afloop aan zou spreken, dat er nóg een boek was dat precies daarbij paste.
Ja. Nee. Ja, ik probeer het. Nee toch maar niet.
Na de laatste ‘nee’ zei Bert: ‘Waarom niet? Laat het ze gewoon zien, dit is toch een mooie kans?’
Goed, dacht ik, ik doe het. Op de bibliotheekcomputer gekeken of het boek ‘thuis’ was en het moest inderdaad in de kast staan bij de categorie Spanning en Avontuur.
Ik vond mijn boek, nam het mee en wachtte rustig tot ik één van de vrouwen kon spreken.
Uiteraard kende ze mijn boek niet, dat had ik ook niet verwacht.
Helaas was dat zo’n beetje het hele gesprek. Ze ging druk verder met snoeren oprollen en ik droop af. Echt zo voelde dat en ik foeterde op mezelf dat ik het me zo aantrok.
Het kon toch niet zo zijn dat die vrouwen na ieder optreden werden aangesproken door schrijvers met een boek dat in hun thema paste? Was ik dan zo’n suffe figuur die als een soort groupie contact probeerde te zoeken?
Aan de andere kant, wat maakt het uit? Was ik nu minder trots op mijn boek? Nee, ook niet. Dubbel, dubbel. Alweer.
Maar goed, zowel mijn man als mijn zoon zeiden: ‘Je hebt het in ieder geval geprobeerd.’
En dat is ook zo, ik hoef niet achteraf te denken: nu heb ik een kans verloren laten gaan.
Als ik het zo bekijk, heb ik in ieder geval mezelf overwonnen.

Onversaagd

In mijn hoofd was ik bezig met een blog (deze dus) en ik was niet de enige die blijkbaar druk was met het onderwerp deze week.
Ik heb twee leuke schrijfcollega’s, die ik nog nooit in levende lijve heb ontmoet maar waarmee ik online regelmatig contact heb. Beide plaatsten iets over waar ik over wilde schrijven: slakken.
De een was vol verwondering over de romantische escapades van de hermafrodiete naaktslakken, die ze van dichtbij meemaakte, de ander was iets prozaïscher met deze Facebookpost: 

Ik kreeg van de foto een andere associatie dan Suske en Wiske.
In de Efteling wordt bij de achtbaan Joris en de Draak  ‘Drakenjagers onversaagd!’  geroepen als je in je karretje zit te wachten tot de rit start.  En dan komt er nog een heel heroïsch verhaal achteraan.:
https://www.youtube.com/watch?v=ggrrgmLmu_4

‘Slakkendoders onversaagd!’ galm ik nu en denk aan mijn riddertjes in de tuin.

Leuk zijn ze he? Alleen doen ze niks anders als hun muur bewaken. Jammer. Want weet je wie er echt onversaagd zijn? Ja, de slakken dus. Jarenlang heb ik, omdat de riddertjes niks deden, zelf tegen ze gestreden. Ik had een moestuintje en wilde zo graag wat oogsten.
Maar de slakken kwamen in grote getale. Zichtbaar en onzichtbaar. Van alles heb ik geprobeerd om ze uit mijn moestuintje te weren.
Koffiedik. Eierschalen. Koperdraad. Knoflook. Bier. Uienschillen. Al die dingen zouden zorgen dat slakken ontmoedigd werden en de boel met rust zouden laten.
Niks hielp. Ze zijn gewoon niet te ontmoedigen.
Het is momenteel uienoogsttijd (mooi scrabblewoord) en ik zag van de week op een landweggetje dit: 

Ze vreten gewoon met een stelletje zo’n ui op! Hoezo zouden ze dan ontmoedigd raken als ik uienschillen in mijn tuintje gooi?
Ik heb ook geprobeerd om dagelijks in de avondschemering (dat zou de beste tijd zijn) slakken te verzamelen. Ik had een emmertje en had steeds zo’n 60 tot 80 slakken daarin, iedere avond weer. Wat ik er mee moest doen was ook nog een dilemma, want ik wil ze ook niet zomaar doden. Ze zitten me alleen in de weg, en dat is geen reden om dieren te doden vind ik. Dus ik liep dan met mijn emmer een eind weg en dumpte de slakken in de berm van het fietspad of ergens anders waar ze niemand tot last zouden zijn. Het bestaat niet dat ze die afstand in een etmaal konden afleggen om weer terug in mijn moestuintje te zijn de volgende avond, maar toch haalde ik dan nog weer zo’n emmer vol eruit.
En dan nòg, als ik de volgende ochtend keek, was mijn rucola tot op de grond toe afgeknaagd, de basilicum was weg, de peterselie had alleen nog wat sprietjes. 

Ik werd er volkomen moedeloos van en heb het na 9 jaar opgegeven. De slakken hebben gewonnen. Nou ja, of niet, want nu moeten ze ergens anders hun eten opzoeken. 

Maar ze zijn niet tevreden met alleen de tuin blijkbaar. Werkelijk iedere ochtend hebben we slakkensporen in huis. En degene die dat zilverige draadje achtergelaten heeft, is onvindbaar. Op de bank en de stoelen, op de schoenen in de gang, op de kussens in de vensterbank. Slakkenslijm.  Blegh.
Soms zijn ze wel zichtbaar. Dat zijn de grote. Hier is niet overheen te kijken toch: 

Of ook wel voelbaar, dat je in de zomer met je blote voet op iets kouds en glibberigs wegglijdt in de bijkeuken, en het blijkt een naaktslak.
Ze rukken op hoor, volgens mij zijn er nu veel meer naaktslakken als vroeger.
De stiekeme stille slijmerige slakkeninvasie is in gang gezet. Wereldoverheersing, let maar op.



Beurs

Na jarenlang dubben is Bert zo’n anderhalf jaar geleden begonnen met een nieuwe hobby: modelspoor. En dat beginnen hield in: veel oriëntatie, plannen maken, plannen weer afkeuren en uiteindelijk het besluit: modelspoor voor buiten, in de tuin.
Hadden we nu in Engeland gewoond, dan was het zo voor elkaar geweest. Daar is de Garden Rail een fenomeen, met eigen tijdschriften, verenigingen en beurzen.
Maar aangezien we in het noordelijkste gedeelte van het nuchtere Nederland wonen, waar men dingen snel onnodig, kinderachtig en raar vindt, valt het nog niet zo mee om juist die hobby te faciliteren.
Bert laat zich daar gelukkig niet door uit het veld slaan en gaat op zijn eigen manier door. Inmiddels is er een overkoepelend plan, een 3D printer en 100 kleine plannetjes en zo begint de hobbby langzaam maar zeker een fysieke vorm te krijgen. 

Voor zijn verjaardag kreeg hij kaartjes voor de Modelspoorbeurs in Houten. Kaartjes is meervoud, dus ik mocht ook mee. Leuk!
Helaas was er bizar weinig informatie te vinden op de betreffende website. De gulle gevers, in de vorm van dochter en schoonzoon, hielden daarom een slag om de arm: ‘We hopen dat je het leuk vindt, al hebben we geen idee wat je kan verwachten.Drie tafels van verzamelaars? Stoffige restanten van winkeltjes die bijna failliet waren? Alleen modelspoor voor binnenshuis? Geen idee.’
Er was geen lijst van standhouders, geen plattegrond, geen… nou ja, er was niks. Alleen het adres.
Maar we gingen er heen, toch echt wel vol verwachting en daarnaast met een heerlijk lunchpakket, wat bij het cadeau was inbegrepen.

Ik was al eens in de Expo Houten geweest voor de Handwerkbeurs.
Zalen vol kramen met wol, haak- en breigaren, lapjes, kraaltjes, knoopjes, naaimachines, patronenboeken, nog meer garen en heeeeel veel kakelende dames. Nee, ik sluit Irene en mijzelf hier niet van uit, wij kakelden gewoon ook. Hoe zou het nu zijn?
Direct bij binnenkomst keek ik mijn ogen uit. Wow! Een ander woord had ik er niet voor. Blijkbaar was het heel niet nodig geweest om informatie op de website te zetten of reclame te maken, want iedereen die ook maar iets te maken had of te maken wilde hebben met modelspoor was er. De zalen waren stampvol met standhouders en het was heel druk met publiek.


Het was echt de omgekeerde versie van de handwerkbeurs. Daar liepen toen talloze vrouwen rond, een heleboel met van die ellendige trolleys. Die zijn handig voor boodschappen, maar een aanslag op je enkels in drukke gangpaden en ruimteverslinders als je probeert om naast zo iemand ook nog een glimp op te vangen van wat er in een kraampje aangeboden wordt. De enkele man die er toen was, zag er een beetje gelaten uit zoals hij dan achter zijn vrouw aansjokte en wekte mijn medelijden op.
Maar hier! Nu waren het talloze mannen, meest van middelbare leeftijd en ouder. Ik weet niet of ik ooit zoveel geruite overhemden en gestreepte polo’s bij elkaar gezien heb. Hier werd niet met trolleys gesleept, maar stoer met rugtassen gesjouwd. Eerlijk gezegd weet ik niet waar mijn voorkeur naar uitgaat, want zo’n rugtas is in een vol gangpad eveneens een ruimteverslinder en met mijn lengte kreeg ik er regelmatig een in mijn gezicht geduwd of tegen mijn hoofd gemept als de eigenaar zich omdraaide.
Ik was nu een van de erg weinige vrouwen, maar wij sjokten niet gelaten achter onze mannen aan, dat zag ik wel. Deze vrouwen vonden het zelf ook leuk om te kijken naar de treintjes en alle toebehoren, ikzelf inbegrepen. 

Bert was als een kind in een snoepwinkel, hij liep stralend van kraam naar kraam. Er was best veel aanbod van de grotere schaal modeltreinen en rails waar hij mee werkt. 


Sommige kraameigenaren zaten verveeld op hun krukje op hun telefoon te klooien, maar anderen waren enthousiast om informatie te geven en vragen te beantwoorden.
Van de eerste categorie vraag ik me dan echt af wat ze komen doen. Pleur je handel op een tafel, ga er met een chagrijnig gezicht achter zitten en doe alle moeite om geen contact te maken met je klanten. Waarom?  

Op een gegeven moment hadden we zin in onze lunch. Omdat iedereen dat blijkbaar had, was er vrijwel geen zitplaats te vinden. Na veel gezoek zag ik een tafeltje waaraan drie mannen zaten te eten, maar er waren ook nog twee stoelen vrij. Vriendelijk gevraagd of we erbij mochten komen zitten en even vriendelijk antwoord gekregen dat het mocht.
We pakten onze lunch uit en ik opende mijn flesje bruiswater. Dat woord ‘bruis’ had een waarschuwing kunnen zijn: 

Waarom nou weer. En hoezo had Bert geen enkel probleem met zijn blikje cola, dat in dezelfde tas dezelfde beweging had gehad.
Toen we klaar waren met eten, zei ik tegen Bert: ‘Ga jij nog maar even lekker in je eentje rondkijken, ik vind het wel even goed zo.’
Soms is dat immers gewoon prettig, dan kan je net zo lang of kort ergens blijven kijken of praten als je zelf wilt.
En ik was een beetje overprikkeld geraakt van de drukte, dus ik zat daar prima.
De drie mannen zaten nog te praten, eentje kreeg een appje.
‘Dat zal mijn vrouw wel zijn, we zouden vanmiddag nog weg. Die begint vast te mauwen waar ik blijf,’ zei hij en een van de mannen reageerde lacherig.
Ik ergerde me. Blijkbaar stoer, om je vrouw belachelijk te maken tegenover je vrienden, ook al ben je al over de zestig.
De mannen gingen en een andere verscheen. Een heer om te zien, met een keurige tas, waaruit een zorgvuldig verpakt broodje opgediept werd, nadat hij eerst op hoffelijke toon had gevraagd of hij bij mij plaats mocht nemen.
‘Eet smakelijk,’ zei ik en hij antwoordde: ‘Dank u. Ik ga mijn best doen maar ik kan het niet beloven.’ Zijn ogen twinkelden, en de mijne ook toen ik zei: ‘Het was mijn wens en geen gebod’. Ik mag dit soort humor meer als een opmerking over een mauwende vrouw.
‘Zo,‘ zei hij toen hij zijn broodje ophad. ‘Nog even ophalen wat voor mij gereserveerd is en dan heb ik alle beschikbare pecunia uitgegeven. Zodoende moet ik mij daarna huiswaarts begeven.’
Ik knikte hem vriendelijk toe, hij liep weg en ik bleef nog heerlijk zitten mensen kijken. Tot Bert er weer aankwam en ik nog even meeging naar de laatste zaal, waar het gelukkig wat minder druk was.
Bert had ook een budgetje gereserveerd, maar nog niets gekocht. Toen hij geschikte rails zag, vroeg hij de verkoper welke kromming de bochten hadden.
De standhouder bleek Duits en verstond het dus niet. ‘Welche Ecke?’ probeerde Bert. Geen resultaat. ‘Wieviel grad ist die eh eh,’ wees Bert de bocht aan.
‘Keine Ahnung,’ zei de verkoper schouderophalend. Ondertussen at hij een broodje en kruimelde hij over zijn spullen.
Daar hebben we wat aan, zulke handelaren! Eigen schuld, Bert kocht dus niks.
Bij een ander zag hij een wissel, die wilde hij wel graag hebben. Ook een Duitse meneer. Die alleen contant geld aannam.
Ja jeetje, dat zijn we toch niet meer gewend! Bij iedere Nederlandse kraam stond ‘ Pinnen mogelijk’ en bij sommige zelfs ‘Alleen Pinbetalingen’.
Dat was nou ook wat. Eindelijk na een paar uur wikken en wegen een keus maken en het dan alsnog niet kunnen kopen!
We gingen naar de infostand, of er een geldautomaat was. Ja die was er, maar die was inmiddels leeg. Maar bij die en die stand kon je misschien wel contant geld pinnen. Daar links en dan weer links en dan die stand met al die kisten.
Ik vond het zelf nogal een vage aanduiding, maar Bert had voor ogen waar het moest zijn en nogmaals doorkruisten wij dus de beurs.
Bert moest lang wachten voor hij aan de beurt was, de standhouder had, gelukkig voor hem, een stel klanten die dingen wilden kopen in plaats van alleen geld pinnen. Uiteindelijk kon Bert zijn vraag stellen en het was nog maar net op tijd want Johnny Cash was bijna door de contanten heen.
Toen maar hopen dat de wissel inmiddels niet aan een ander verkocht was en weer terug naar die kraam.
Ik kuierde wat rond toen Bert zijn zaken deed en zag een standhouder aan zijn collega’s jamkoeken uitdelen. ‘Lekker hoor, mijn kleindochter heeft ze gebakken!’
Ineens ontroerde me dat zo. Zo’n kleine scene die niets met treinen of handel te maken had. Maar met de liefde van een kleindochter en de trots van een opa. 

Bert kwam blij aanlopen met de wissel en we stopten die zorgvuldig in mijn tas.
Toen waren we klaar. Ook Berts pecunia waren op en we hadden alles gezien wat er te zien was.
We gingen niet huiswaarts maar Huis ter Heidewaarts, waar nog een fantastisch etentje op ons wachtte.
Voor het eten ging Bert nog met de kleinzoons taartjes bakken in de zandbak.
Daar zat net zoveel liefde en trots in als in de jamkoeken op de beurs, ik weet het zeker. 

Belevenis

Meestal als ik iets bijzonders heb gedaan, schrijf ik er vlak daarna een blog over. Maar deze keer wilde het maar niet komen in mijn hoofd.
Ik had zeker iets bijzonders gedaan. Samen met mijn schoonzoon ben ik vorige week maandag naar het Archeon geweest om deel te nemen aan het Romeins Festival. En niet als publiek, maar als Romeinen.
Het was een fantastische dag. Dus waarom zo lang gewacht met schrijven erover?
Misschien klinkt het vreemd, maar ik was in een andere wereld. En ik had tijd nodig om het te laten landen, toen ik weer gewoon thuis was.
Sowieso ben ik iemand die alles intens beleeft. En dit was iets wat ik niet eerder had ervaren, het was haast magisch. 

Al heel wat weken terug zei Jan: ‘Ik heb contact met iemand van de re-enactmentgroep LEGIO II Avgvsta en ik mag een dag meelopen op het Romeins festival in het Archeon. Heb jij daar ook zin in? ‘
Ja, dat had ik, ik was ontzettend enthousiast. En buiten dat: aan welke schoonmoeder wordt nou gevraagd om zoiets samen te doen? Dat we zo’n leuke band hebben is iets wat ik koester.
We kozen een datum, vulden wat online gegevens in,  kregen informatie terug en we hadden er zin in.
Hiervandaan is het Archeon heel ver, dus de zondag ervoor ging ik al naar Irene en Jan en de jochies. Maandagochtend werden we om 9 uur verwacht en zo hoefde ik niet voor dag en dauw de deur uit, vanaf hun huis is het maar iets meer dan een half uur rijden. 

Het Archeon was nog niet open voor publiek, maar wij konden er al wel in. Dat was al een bijzondere ervaring op zich, om op een vroege zomerochtend daar door een stil park te lopen. Langs de prehistorische huisjes, er liepen moederkippen met talloze kuikentjes te scharrelen, alles was zo sereen alsof er geen 21e- eeuwse drukte bestond.
In het Romeinse gedeelte was het ook nog heel stil, toen we naar de herberg liepen waar we ons zouden melden. In de herberg was niemand te zien en we keken elkaar een beetje aarzelend aan. Toen kwam er een jonge vrouw met een jongetje aanlopen, allebei in Romeinse kleding en zij vertelde ons dat we op de bovenverdieping moesten wezen.
Daar aangeland kwamen we in een zaal vol leven. Drie re-enactmentgroepen, uit Italië, Engeland en Nederland zaten aan het ontbijt. De meesten al in Romeinse kleding, sommigen nog niet. Direct kwam er iemand naar ons toe en we werden gastvrij ontvangen. Mochten ook nog wat ontbijt nemen als we wilden en we lustten inderdaad wel iets. Jan werd gekoppeld aan een andere jongeman, hij zou legionair zijn vandaag. En ik maakte kennis met een vrouw van mijn eigen leeftijd, zij was de priesteres van de groep en mijn aanspreekpunt van de dag. Ze zorgde voor een prachtige outfit voor mij en ik voelde me serieus direct anders toen ik het aanhad. Een groene tunica met een geweven gordel, een rode palla die op mijn schouder vastgespeld werd met een koperen fibula. Alles helemaal in stijl, zelfs de schoenen. 
Even later zag ik Jan ook weer, die zag er inmiddels ook uit als een echte Romein. 

Hij zou die ochtend training krijgen met de andere soldaten en in de middag meelopen met de show in de arena. Dan zou hij ook een harnas aankrijgen, dat hoefde eerst nog niet. 

Ik maakte kennis met andere burgers, meest vrouwen en ik kon zelf bepalen wat ik wilde doen. Werkelijk iedereen was even vriendelijk en gastvrij en gaf me het gevoel dat ik enorm welkom was.
Ik kreeg ook een aardewerken beker te leen, zo kon ik voortdurend water bij de hand hebben, want het was een heel warme dag.
Het park was inmiddels open voor publiek en ik figureerde de hele dag als Romeins burger.
Wat ik heel bijzonder vond is dat ik me totaal op me gemak voelde. Ik had geen moeite met alle blikken, alle onbekenden, alle drukte. Ik was, samen met de andere Romeinse dames, in een eigen wereld.
In de ochtend nam ik deel aan een tempelceremonie. Uiteraard had ik geen idee wat er van me verwacht werd, maar ik werd netjes meegenomen door de anderen.
‘Je moet je hoofd bedekken,’ fluisterde iemand naast me en ik schoof direct de palla over mijn haar.
‘Pluk nog even een takje kruid,’ zei een ander zachtjes en wees naar de kruidentuin waar anderen ook iets uitzochten om te plukken.
Ik koos een bloeiend takje rozemarijn en sloot weer aan in de kleine stoet.
Voor de tempel stond een klein altaar met een reukofferschaal. We stelden ons op in een halve cirkel en de priesteres leidde een ceremonie waarbij je in je hoofd zelf kon invullen hoe je dat wilde ervaren. Oei dat is een vage zin, maar ik bedoel dus te zeggen: het was niet zo dat je nu moest bidden tot een godin waar je niet in gelooft. Het was een uiterlijk ceremonieel, het publiek kon zien hoe het er vroeger aan toe moest zijn gegaan, maar als deelnemer kon je je eigen waarden aanhouden, er werd niets van me gevraagd wat tegen mijn gevoel in ging.
Toen we bij de tempel weggingen, zag ik Jan langsmarcheren met zijn groep legionairs. Och die arme jongen, het zweet liep in stralen van zijn hoofd af, het was ook zo warm. En dan had hij nog niet eens een harnas aan!
Maar hij gaf me wel een stralende lach, hij vond het fantastisch.

En verder de dag? Hij vloog voorbij. Ik heb gehandwerkt met linnen, ik heb geholpen met strengen maken, overal rondgekeken, praatjes gemaakt, vragen beantwoord van publiek en vooral: genoten.
In de middag kwam Irene met de jongens ook kijken. De jongste, hij is nu ruim anderhalf, keek me vreemd aan.
‘Kijk Lucas, daar is oma!’ zei Irene, maar Lucas schudde zijn hoofdje en zei beteuterd: ‘Nee’. Dat was zo schattig, zo ziet zijn oma er toch niet uit!
Maar toen ik ging praten en tegen hem lachte, zag hij dat ik het toch was, en toen was het goed.
We gingen met z’n vieren in de arena naar de show van papa Jan kijken en ook dat, ik val voortdurend in herhaling, was zo bijzonder!
De entourage, de geluiden, het meemaken, ik kan gewoon niet goed verwoorden hoe dat voelde!
Na de show was Jan verder vrij om de middag zelf in te vullen en kon hij ook Finn, zijn oudste, laten voelen hoe zwaar de helm is, hoe de wapens vastgehouden moesten worden.
Met elkaar hebben we ook nog de gladiatorenshow bijgewoond, dat was een echt spektakel en ik vroeg me af of ik dat vroeger, als Romeinse wel gedaan zou hebben. Dan was het geen spel maar echt, wreed en bloederig. Zou ik dat  wel aangekund hebben, of was het gewoon iets wat erbij hoorde? 

Tegen sluitingstijd gingen Irene en de jongens weer naar huis, wij bleven nog en weer was het bijzonder om in het park te zijn als er verder geen publiek meer was.
UIteindelijk trokken we onze eigen kleding weer aan en direct was ik weer gewoon Annelies.
In de bovenzaal van de herberg kregen we allemaal nog lekker eten en er was zelfs voor mij iets vegetarisch geregeld, zo lief!
En toen zat het er echt op en gingen we naar huis.

Waarom moest het zo lang duren voordat ik dit verslag schreef?
Omdat het meer was dan een verkleedpartij.
Nogmaals, ik was in een andere wereld, een andere tijd. Maar ook met een ander soort mensen.
Ik kende niemand behalve Jan, maar toch voelde het direct vertrouwd. Het waren gelijkgestemden, misschien is dat een woord wat het meest beschrijft wat ik bedoel.
Iedereen was in hetzelfde geïnteresseerd, had hetzelfde enthousiasme en dezelfde behoefte om die te delen.
Niemand was dik, dun, oud, jong, vreemd, raar, groot of klein. Iedereen was een onderdeel van deze dag, sfeer en beleving, en iedereen genoot daarvan.
Ieder had zijn of haar eigen karakter en uitstraling, maar respecteerde de ander en verwelkomde die. Ook mij. Zelden heb ik me ergens zo welkom gevoeld als daar.

Het is fijn om er op terug te kijken. Fijn om dat samen met Jan zo beleefd te hebben. En om, zonder zweverig te willen zijn, te proberen een stukje ervan te bewaren in de gewone dagelijkse wereld.


Off-day

Ongetwijfeld heb je dat ook wel eens: zo’n dag dat werkelijk alles tegenzit. 

Een financiële tegenvaller en dan nog een. Zijn we te naief, of hadden we dit moeten weten? Nee, we konden het niet weten want als er iemand geen duidelijkheid biedt dan is het wel de belastingdienst en als er één ding bizar gecompliceerd is, is het wel het Nederlandse belastingstelsel. En als er iets is wat geen antwoord geeft op vragen vooraf, alleen wat vage ‘ja dat hangt er van af’s’, dan is het wel de belastingdienst.
Goed, ik heb mijn punt nu wel gemaakt, het waren flinke tegenvallers. Geen fijn begin van de dag.

Een servicebeurt voor de fiets die ik vorig jaar gekocht had. Eerst al een hoop gemail en geregel omdat ik niet wist hoe ik de fiets in het dorp 25 km verderop moest krijgen. Nou hoor ik je haast zeggen: ‘Nou, gewoon fietsen’, maar dat lukt me niet. Het waait hier altijd te hard en mijn longconditie kan dat gewoon niet aan en aangezien het geen e-bike is, krijg ik geen hulp bij het trappen.
Familie was zo lief om hun fietsendrager uit te lenen, gelukkig heeft de auto die we nu hebben een trekhaak, dus het kon.
Fiets weggebracht, we zouden wel een telefoontje krijgen als hij klaar was. Tijd kon niet gegeven worden.
Nog een beetje winkelen in dat dorp en toch maar naar huis, met een lege fietsendrager.
Halverwege: telefoon. ‘Uw fiets is klaar.’
‘O mooi, dan draaien we weer om.’
‘We zijn alleen wel dicht tussen 12 en 1.’ (Het was 5 voor 12.)
‘Maar dan kan ik hem toch wel even ophalen, zeker?’
‘Er is dan niemand.’
Ja jemig, dan moeten we nog weer een uur zoekbrengen in dat dorp, of nog een keer terugkomen vanmiddag. Wat een timing.
Op mijn verzoek zetten ze de fiets dan maar in het gangetje van de werkplaats, dan kon ik ‘m zo meenemen.
Ieder ander die daar toevallig liep trouwens ook, maar ik nam het risico.
Gelukkig, daar stond de fiets. Op de fietsendrager gezet en weer naar huis.
Had ik nou maar even een rondje gefietst daar bij die fietsenmaker nog. Want nu kwam ik er thuis pas achter dat de fiets beroerd reed. Dat was voor de servicebeurt niet aan de orde, dus het was juist een enorme verslechtering in plaats van verbetering.
Fietsenmaker gebeld. Ik kreeg een hele verhandeling over opgepompte banden, maar ik voel echt het verschil wel tussen op harde banden fietsen of een gehaper in iedere omwenteling van de trappers. 
Uiteindelijk werd er afgesproken dat de fiets gehaald zou worden. Fijn natuurlijk. Service. Maar als dat nou voorgesteld was in de eindeloze mailwisseling vooraf, had het ons een hoop gedoe bespaard.

Dat ik merkte dat de fiets beroerd trapte, kwam doordat ik halsoverkop naar de winkel moest.
Ik was namelijk jam aan het koken, ik had ruim 2 kilo pruimen gekregen.
Het was ’s morgens al een queeste geweest om jampotjes te kopen, maar dat was uiteindelijk gelukt. Natuurlijk weer duurder als waar ik op had gehoopt, maar oké.
De pruimen waren erg rijp dus ik had er een kledderzooi van om ze te ontpitten en in stukjes te snijden. In de pan, geleisuiker en citroensap erbij en koken maar. Ik heb al vaker jam gekookt, en het lukt altijd wel. Vandaag niet. Het bleef dun. Heel dun. Toch de verkeerde hoeveelheid geleisuiker dan? Volgens het recept niet maar volgens de pruimensap wel.
Gauw op de fiets naar de Jumbo. (Allemachtig wat trapt dat ding beroerd, waarom is dit, wat is er gebeurd, wat hebben ze in vredesnaam gedaan, waren we maar nooit gegaan, kan het nou nooit eens in 1x goed, waarom…o ik ben er.)
Vakken vol suiker, klontjes, staafjes, basterd, poedersuiker, kandij, maar, je raadt het al, geen geleisuiker. Wel gloeiende gloeiende….%*(Q%@&% 
O, daar staat nog wat anders. Van Gils, geleisuiker speciaal. Zo werd de jam wel duur, maar nu weggooien was ook zonde. Vooruit dan maar.
Haperend en foeterend weer naar huis getrapt. Jam verder maken, met die speciale suiker. Het bleef dun. Ik snapte er werkelijk niets van en nu nog steeds niet.
In vredesnaam dan maar wat blaadjes gelatine weken. Fu** de kraan stond nog op heet en ze moeten in koud water weken. Alle blaadjes plakten aan elkaar en aan de schaal en waren niet meer te redden. Hoeveel blaadjes had ik nog over? Net genoeg. Weken, uitknijpen, bij de jam. Nul resultaat.
Inmiddels was ik in staat om de pan jam of wat daar voor door moest gaan, door de toch al kleverige keuken te smijten. Toch maar niet gedaan.
Met tranen in mijn ogen van frustratie de potjes gevuld, in de hoop dat de jam bij afkoeling nog gaat indikken.

Ik vond deze dag helemaal niet leuk. Ik was moe, onvoldaan en jankerig, en had niet het idee dat er ook maar iets gelukt was.
Toen ging de telefoon.
Een klein gezichtje verscheen, en ik hoorde ‘OoooommmmA! Oooma! Oma!’
Op slag was al mijn frustratie verdwenen.
‘Hoi, lieverdje!’ riep ik blij. Er volgde vanaf de andere kant een brabbelverhaal op conversatietoon, met veel ‘oma’ s ertussen en ik gaf (hopelijk de juiste) antwoorden.
Dit gesprek was precies wat ik nodig had. Een opkikker van mijn jongste kleinzoon.
Bij iedere ‘oma’ smolt ik nog een beetje verder.
Wat maakte ineens die stomme belastingdienst, de beroerde servicebeurt en mislukte jam nog uit.
Dit was rijkdom. Toch nog een fijn besluit van de dag. 

P.S. Stiekem is de jam uiteindelijk best lekker geworden. Gelukkig.

Leuker kunnen we het niet maken

Vandaag voel ik me erg opstandig. Je hebt wel eens van die buien dat je alle meegaandheid en vergoelijking en relativering laat varen. Nou ja, ik schrijf ‘je’ maar laat ik het persoonlijk houden. Ik dus. Waar gaat het deze keer om? Om dit: 

Ja, om 1 euro. Maar het is een principekwestie, dus ik ga jullie er gewoon deelgenoot van maken.
Ik keek vanmorgen op de bankrekening en zag onder andere dit:  

Wel verdorie. Hoezo moet de belastingdienst een euro hebben terwijl ze míj nog een euro schuldig zijn? 

Want kijk, dat leg ik even uit. Ik had nog wat zorgtoeslag tegoed van vorig jaar, en dat was € 11. 
Wat ik overgemaakt kreeg? € 10. 
Raar, maar het ging maar om 1 euro dus ik had geen zin om daar achteraan te gaan.
Tot vanmorgen dus. Als zij gaan beginnen over 1 euro, dan ga ik dat ook doen. 

Ik belde de belastingtelefoon, stond niet eens zo lang in de wacht en ik kreeg een mevrouw aan de lijn. Ik zei: ‘Het gaat maar om een euro, maar toch wil ik weten hoe het zit.’

Ze ging het voor me uitzoeken en zette me in de wacht. Dat duurde. En duurde. En.. o daar was ze weer. ‘Mevrouw? Bedankt voor het wachten. Om u te kunnen helpen moet ik nog even het een en ander verifiëren. Wat is uw geboortedatum?’
Ik gaf die door en verwachtte nog een aantal vragen maar ze zei: Dank u, ik ga het voor u nakijken’, en zette me weer in de wacht.  Geen idee wat ze dan in die eerste wacht had gedaan, maar oké.
‘Mevrouw? Bedankt voor het wachten. Ik zie dat u € 11 terug krijgt.’
‘Ja, dat staat op de beschikking, maar ik kreeg € 10.’
‘Dat heeft te maken met ons betalingssysteem.’
‘Wat dan?’
‘Dat heeft te maken met de afronding in ons betalingssysteem.’
‘Maar € 11 is een rond bedrag.’
‘…..’

‘Mevrouw?’

‘Ja het betalingssysteem, de afronding eh, het heeft daarmee te maken.’ ‘Nou, dat begrijp ik niet, maar ik begrijp wel dat ik die euro dus niet krijg. En die afronding in het betalingssysteem was niet van toepassing op de euro die er nog afgeschreven is voor de auto die ik heb verkocht?
‘…… eh..’
Nu kreeg ik toch een beetje medelijden, dwars door mijn opstandigheid heen. Zij doet ook alleen maar haar werk als telefoniste en heeft de regels niet gemaakt.
‘Laat het verder maar,’ zei ik dus. ‘Het ging mij om het principe.’
‘Heeft u verder nog vragen?’ vroeg ze, omdat het in haar protocol staat. Volgens mij hield ze ondertussen haar vingers gekruist dat ik niks meer te zeiken had.
‘Nee, dank u wel. Goedemorgen.’
Ik kreeg nog een bandje met de vraag of ik mee wilde werken aan een telefonisch onderzoek van 12 vragen. Daar had ik geen zin. Beetje gratis werken voor de belastingdienst, tsss. Zo opstandig was ik nog wel. 
Nu ik erover nadenk, had ik het wel moeten doen en dan na 11 vragen stoppen. In verband met afronding in mijn antwoordensysteem. Gemiste kans, jammer.

Zo Genaamd

Vroeger vond ik het niet zo leuk om Van Bloois te heten. Er was, natuurlijk met uitzondering van mijn familie, niemand anders die zo heette. Ik moest mijn achternaam altijd herhalen en, zodra ik het kon, ook spellen.
Liever had ik een gewone naam gehad, zoals Van Dam, of De Vries.
‘Hoe?’ of ‘Wat’? was steevast de reactie als ik mijn naam gezegd had.
Vele variaties heb ik voorbij zien komen op lijsten en post enzo. 
Blois. De Blos. Blovis. Blooijs. Booi. Bloos. (ja bijna altijd werd de ‘Van’ vergeten). De meest bijzondere was Blokvis.
En als mensen mijn naam eerst geschreven zien en het dan gaan uitspreken is er negen van de tien keer een aarzeling.
Nu nog steeds. ‘Mevrouw Van eh,  Bl…. Blwah? Zeg ik het zo goed?’
Tuurlijk blijf ik altijd vriendelijk, ik snap het best. ‘Nee hoor, gewoon uitspreken zoals je het schrijft.’
‘Ah, Bloois dus?’ 
‘Ja, Van Bloois dus.’
Mijn man heeft het omgekeerde, want die heet De Vries. Die hoefde nooit zijn naam te herhalen vroeger of te spellen. En nu nog steeds niet.
Als hij in een wachtkamer zit en er wordt: ‘Meneer De Vries!’ geroepen, dan staan er zo drie meneren De Vries op. Dat dan weer wel.  

Nu ik ouder ben, vind ik mijn naam wel mooi. Ik gebruik dan ook geen pseudoniem voor het schrijven omdat het makkelijker in het gehoor zou liggen. Van Bloois is een prima naam, ook al moet ik nog steeds het riedeltje zeggen wat ik al bijna zestig jaar gebruik: B, L, dubbel O, I, S.
Of aan de telefoon: Bernard, Leonard, dubbel Otto, Isaak, Simon.
Waarom zijn dat eigenlijk allemaal mannen, bedenk ik ineens nu ik dit opschrijf. Ik ga een eigen spelling maken voortaan: Bella, Lisa, dubbel Olivia, Irene, Saskia.
Ben benieuwd wanneer ik het kan gaan gebruiken! 

Mijn moeder had een mooie achternaam, vind ik , die heette Van Egmond. Ik was vroeger gewoon een beetje trots als ik op school tijdens de geschiedenisles leerde over de Graven van Egmond en Hoorne. En haar oma heette Guldemond. Ook al zo mooi.
Maar niet iedereen in haar familie was bedeeld met zo’n chique naam.
Ik had twee tante Mijntje’s.  Een gewone tante Mijntje en een tante Mijntje Spek. Dat was eigenlijk een tante van mijn moeder, dus mijn oudtante. Ze zaten daar trouwens nog meer in de vleeswaren, want er was ook nog een nicht die Ham als achternaam had.
Dan was ik stiekem toch wel weer blij dat ik Van Bloois heette, vooral ten opzichte van die naam Spek.

De acteur Kevin Bacon heet natuurlijk eigenlijk gewoon ook zo. Maar in het Engels klinkt het ineens anders, vind je niet? Dat is nog met meer bekende namen zo.
Johnny Cash heet in het Nederlands Jantje Contant. Klinkt als een stripfiguur. En Reese Witherspoon is dan gewoon Ries Methaarlepel. Dat wil je toch niet…
Doe maar Van Bloois.
Ik vind het helemaal prima.