Maandelijks archief: oktober 2025

Het menselijk verhaal

Momenteel ben ik aan het schrijven als educatief auteur voor de nieuwe thematische methode Leerrijk. Een leerlijn voor groep 5 t/m 8 van de basisschool, waarin per thema vrijwel alle vakken aan bod komen. Mijn thema is de prehistorie en dat vind ik geweldig.
Want geschiedenis! 


Wat is het heerlijk om geschiedenis heel anders te kunnen benaderen dan de manier waarop ik het zelf leerde op school. Toen was het een apart vak, helemaal opgehangen aan jaartallen, belangrijke mannen en oorlogen.
Zeg tegen mij: ‘1600’ en ik antwoord prompt: ‘Slag bij Nieuwpoort.’
‘1492’ – ‘Columbus ontdekt Amerika.’
Ja, vast allemaal erg belangrijk, maar waar is de geschiedenis van de gewone mensen? Die wereld bestaat toch uit veel meer dan oorlogen en belangrijke mannen? Zijn het niet de gewone mensen die de échte geschiedenis maken omdat zij moeten leven met de dingen die gebeuren? Hoe zat het met de bemanning op dat schip van Columbus, hoe zag hun leven eruit en wat hebben zij allemaal achter moeten laten om mee te gaan op die reis? Onzeker of ze ooit terug zouden keren? Wie kent hun namen nog, terwijl zij ervoor gezorgd hebben dat Columbus in Amerika aankwam? Helemaal niemand.
We kijken inmiddels sowieso heel anders aan tegen de belangrijke mannen uit de
geschiedenis.  Juist vanwege de invloed die ze op die gewone mensen gehad hebben. Niet zelden waren het helemaal geen helden, zoals we vroeger leerden, maar egoïstische en gewetenloze figuren die mensen opofferden voor eigen gewin en glorie. 


Van de prehistorie weten we niks over jaartallen, oorlogen en belangrijke mannen. Maar we generaliseren wel. ‘Jagers-verzamelaars’ , ‘Boeren’. Het is een manier van leven, maar het definieert de mensen niet.
En daarom vind ik het zowel boeiend als moeilijk om met dit werk bezig te zijn. Wat schrijf ik in mijn tekst en wat niet? Klopt het wat ik zeg, of is het een algemeen beeld wat over tien jaar helemaal anders is vanwege nieuwe vondsten en nieuwe inzichten? Geschiedenis blijft toch interpretatie. Niet een verzameling losse feiten, maar een doorlopend verhaal waarin alles verband houdt met elkaar. En vooral het verhaal van mensen. 

Gister was ik met Bert in Workum in het Jopie Huisman Museum. Er is een expositie die bijna stopt en die ik wel heel graag wilde zien: de overeenkomsten en verschillen tussen de werken van Huisman en die van Henk Helmantel. Allebei die schilders maken (maakten) werk waar ik enorm door geraakt word, dus ik moest dat wel zien.
Alleen, ik was zo druk in mijn hoofd, juist met het werk waar ik net over vertelde. Ik had geen rust om een uitje tussendoor te doen, ik bleef er maar mee bezig. Dus maandag zei ik: ‘Nee, nu niet.’ Maar gister gaf ik toch toe, ondanks dat ik dacht: ja maar ik wil verder werken…
Wat ben ik blij dat we geweest zijn.
Ten eerste al om die prachtige schilderijen te zien.  Henk Helmantel woont hier vlakblij, we zijn ook vaker in zijn eigen expositieruimte geweest en hebben hem ook weleens gesproken.
Toen we in dat Friese museum liepen, zijn schilderijen zagen en de mensen die ze bekeken, hadden we haast een beetje trots gevoel, want het was toch maar ‘onze Helmantel’. Hij schildert heel realistisch, maar hoe hij het zelf omschrijft: ‘Juist op het moment dat het té gedetailleerd wordt, stop ik. Want dan kan de kijker er zelf nog een gevoel bij krijgen.’
Dat klopt wat mij betreft helemaal, ik kan echt heel lang voor zo’n schilderij staan of zitten kijken en het op me in laten werken en er heel gelukkig van worden.
Jopie Huisman schilderde ook heel realistisch. Daarom wordt zijn werk wel vergeleken met dat van Helmantel. Toch is het ook heel anders, want hij werkt nauwelijks met licht en schaduw. Wat me in zijn schilderijen zo raakt, is de liefde en het mededogen voor de gewone mens. Hij kan een gedragen broek of afgetrapte schoenen schilderen en daarmee het hele doorleefde verhaal van die simpele voorwerpen vertellen.
Ik stond voor een schilderij met een verzameling afgedankte hoeden en las wat er bij stond: 

‘Ooit zijn al die mensen blij thuis gekomen met een nieuwe hoed’ 

Wat trof me dat diep. Exact dat gevoel heb ik. als ik over geschiedenis nadenk. De mensen die het beleefd hebben. Met hun emoties, hun bezigheden, hun karakter, hun verschillende levensfases, kortom alles wat een mens mens maakt. En ook de vergankelijkheid, die onvermijdelijk is.

Zulke overdenkingen ontroeren me, maar zijn ook wel eens te groot om te bevatten.
Maar ook daarom was ik zo blij dat we geweest zijn. Ik kreeg een soort bevestiging: dit is waar het om draait. De mensen. 
Dus ik ga verder met het auteurswerk en probeer in de teksten over de Prehistorie de mensen om wie het gaat de hoofdrol te geven. Ook al zijn ze anoniem, omdat er slechts wat fossiele restanten zijn overgebleven. Ik probeer die resten een verhaal te laten vertellen, hùn verhaal.
Zo doe je volgens mij werkelijk recht aan de geschiedenis.


Wandelen

Het is mijn gewoonte om direct na het ontbijt een flinke wandeling te maken. Het houdt mijn conditie en gezondheid op peil en ik vind wandelen een stuk leuker dan fietsen of fitness.
In mijn woonomgeving kan je heerlijk lopen en het verveelt dan ook niet.
En altijd met mijn wandelmaatje, onze lieve hond Lenny.
Maar sinds een paar weken loop ik alleen. Lenny kan niet meer mee wandelen. Hij is er nog, gelukkig! Al had ik vorige week het gevoel dat we bezig waren met het begin van het afscheid.
Lenny heeft artrose. Niet vreemd voor een hond van ruim elf jaar, maar hij leek altijd maar jeugdig te blijven. Tot voor heel kort zeiden mensen onderweg nog steeds: ‘Hij is nog jong zeker?’
Een week of drie geleden zag ik dat hij niet meer zo soepel liep. En toen hij tijdens een wandeling, toen we nog niet eens op de helft waren, steeds meer ging kreupelen, begon te hijgen en te gapen, dacht ik: hij heeft pijn. Zo kan het niet. Ik belde Bert op en die kwam met de auto om hem te halen. Ik maakte in mijn eentje de wandeling af. Thuis besloten we het eventjes aan te zien, het kon ook zijn dat hij zich ergens verstapt had of zoiets. Maar het verbeterde niet, dus het was tijd voor een bezoekje aan de dierenarts. Zij contstateerde artrose, gaf advies voor korte wandelingetjes, voldoende rust en verder de mogelijkheid om in de tuin wat rond te scharrelen. Ze schreef medicatie voor: vijf dagen lang een heel tablet, daarna dagelijks een halve.
In de dagen daarna zagen we niet echt veel verbetering. Hij leek niet echt meer pijn te hebben maar het lopen ging moeizaam en hij wilde veel slapen. De vijfde dag was geweest, tijd voor de halve pil nu, maar we zagen hem zo weinig opknappen. Bert en ik praatten verdrietig over hoe het nou verder moest en zelfs hoelang het nog verder kon.
Ik maakte mijn ochtendwandeling alleen, terwijl Bert met Lenny een kort rondje liep.
De route die ik liep, waar ik anders zo van kon genieten, kon me niet bekoren. Ik was zo verdrietig om daar alleen te lopen. Ook al wist ik dat Lenny er nog was, me zou begroeten als ik weer thuiskwam, het zou nooit meer worden zoals het was. Mijn lieve wandelmaatje liep niet meer naast me, ik moest het alleen doen. En misschien zou het wel binnen korte tijd zo zijn dat hij er ook niet meer was om me te begroeten… 

En ineens, sinds een paar dagen, zien we Lenny opknappen. Hij is weer veel blijer, en ook actiever. We blijven de adviezen van de dierenarts opvolgen, maar we zijn dolblij dat hij weer happy is. De medicatie heeft blijkbaar een soort spiegel bereikt, Lenny is zichzelf weer. We gaan het niet forceren door meer te vragen van hem dan wat zijn lijfje aankan. Het blijven korte wandelingetjes en scharrels in de tuin. Maar hoe heerlijk is het dat hij nu weer een blije hond is. Dat was immers ons criterium bij de gedachte: hoelang kan dit nog?
Nou, als het zo doorgaat nog heel lang. 


Mijn wandelingen zijn daardoor ineens toch weer een stuk leuker. Ik begin er aan te wennen dat ik in mijn eentje loop. Soms met een mooi muziekje in mijn oren, soms in stilte. Ik heb weer oog voor de omgeving en kan er van genieten. Want hoe mooi is het hier! 

En als ik thuiskom, is Lenny er. Blij om mij te zien, en dat is wederzijds. Ik hoop dat nog heel lang te kunnen zeggen.

Met de kleinzoon op stap

Zes jaar is hij nu, onze Finn. Hij is een dagje vrij van school en we gaan met hem, op zijn eigen verzoek, naar het Spoorwegmuseum.
Dat roept bij mij direct nostalgische gevoelens op. Mijn eigen zoontje ging ook met zijn opa, mijn vader, daarheen. Een gekoesterde herinnering.
Finn laat trots de nieuwe kleren zien die hij aanheeft. Een mooie lichte broek en een stoer zwart shirt met Pokémon figuren erop.
Ik zal nog bolletjes smeren om mee te nemen en Finn vraagt: ‘Opa, zullen wij dan ondertussen nog even voetballen?’
‘Is het gras niet te nat?’ vraag ik, maar Finn zegt: ‘We gaan alleen maar trucjes doen, oma.’
Hij verdwijnt met opa naar buiten en ik maak onze lunchpakketjes klaar.
Als ik daarna even ga kijken hoe het gaat, zie ik juist opa uit de tuinpoort van de overburen komen, met de bal, dus het gaat lekker.
‘Zullen we gaan?’ roep ik grijnzend.
Ze komen binnen, Finns broek is bemodderd en de onderste helft van de pijpen is nat.
‘Moet je nog een andere broek aan?’ vraag ik, maar Finn wil zijn nieuwe broek aanhouden.
Ik knik instemmend en poets de ergste modder weg met een doekje. Nuchter denk ik: de rest droogt wel weer.
Als oma blijk ik veel makkelijker te zijn dan als moeder. Dan had ik wel iets als: ‘Verdorie, je nieuwe broek, kijk nou toch!’ gemopperd. Nu is het belangrijker dat Finn zo fijn met zijn opa heeft gevoetbald, die broek droogt wel weer. 

Eenmaal in het museum vraag ik: ‘Waar wil je graag het eerst heen?’
‘Naar de Ninjabaan!´ is het antwoord.
Ik tuur op de plattegrond, maar zie niets wat daar ook maar op lijkt. 

‘Hoe ziet het eruit?’ probeer ik wat meer info te krijgen.
‘Nou, het gaat zóóóó en dan zóóó΅, ’ gebaart Finn, uitgebreid met zijn armen zwaaiend. Daar word ik eerlijk gezegd niet veel wijzer van. Opa bestudeert de plattegrond zo grondig dat hij hem waarschijnlijk nu uit zijn hoofd kan natekenen, maar ziet ook niets van een Ninjabaan.
‘Weet je wat? We gaan gewoon rondkijken en dan komen we het vanzelf wel tegen,’ stel ik voor.
Dat is goed. We lopen door de hallen en zien grote en kleine treinen. Als we naar een buitengedeelte gaan, roept Finn ineens: ‘Daar is de Ninjabaan!’ en hij holt vooruit.
Het blijkt een speelgedeelte, met hindernissen om overheen te lopen of te klimmen of te kruipen of te rennen. Geen treintje te bekennen, maar voor Finn is het een baan en hij is de Ninja.
We gaan natuurlijk met hem mee en bewonderen al zijn Ninjakunsten. Opa moet ook meedoen, oudere Ninja’s bestaan blijkbaar ook. Oma moet op de tas passen natuurlijk. 


Na een poosje spelen gaan we weer verder kijken.
We komen bij de Vuurproef, een attractie waarbij we nog niet weten wat ons te wachten staat. Er is een wachtruimte vol met van die hekjes om de rijen te ordenen, maar omdat het een gewone doordeweekse dag is, is het erg rustig en kunnen we in één keer doorlopen.
We kunnen daarna een kleur kiezen welke ingang we willen en Finn kiest voor rood. We stellen ons netjes op de genummerde cirkels op, al is er verder niemand. Maar Finn is erg van de regeltjes dus we doen dat. Er verschijnt een voor ons bekende man op een scherm, het is Rutger Hauer. Oud, natuurlijk. Het is al zo lang geleden dat ik als klein meisje die knappe blonde ridder Floris op tv zag. Het enige programma dat we op zondag mochten kijken, maar dat terzijde.
Met een licht Amerikaans accent doet hij een verhaaltje wat Finn niet zo kan boeien.
Begrijpelijk wel, het is ook een beetje saai voor een kind van 6. Maar dan komt er een jonge enthousiaste vrouw die machinist is, in beeld, en ze zegt ons de trein in te stappen. Wij mogen zelf gaan rijden, dat is onze vuurproef!
Omdat wij echt de enigen zijn op dat moment, kunnen we op de voorste drie stoelen gaan zitten. Fnn tussen ons in, hij zal de machinist zijn, Opa links als de stoker en oma rechts als  de remmer. En daar gaan we.
Voor ons raam wordt een film afgespeeld alsof we over de rails rijden en onze stoelen wiebelen en trillen een beetje.
De stem van de vrouw tettert door de cabine wat we allemaal moeten doen, die arme Finn wordt er doodzenuwachtig van, want hij weet het niet. Ik zie zijn gezichtje steeds meer betrekken en sla mijn arm om hem heen. ‘Er gebeurt niks, je hoeft niks te doen, het is maar een film. Alles is net alsof.’
‘Weet ik,’ zegt hij met een trillend stemmetje. Hij moet bijna huilen. Ik hou hem goed vast en zeg: ‘Je bent weleens in een achtbaan geweest, toch? Dit lijkt er een beetje op, maar het is niet eens echt deze keer!’
Maar ik begrijp wel dat hij het eng vindt. Onze trein raast door een berglandschap, we vliegen bochten door en o help, de baan houdt bij een ravijn ineens op… We vallen in het gat maar komen wonder boven wonder weer op rails terecht. We rollen uit op een station en komen tot stilstand.
‘Ik wil er uit!’  roept Finn en we stappen gauw uit. Bibberig loopt hij mee naar de uitgang en buiten zegt hij: ‘Ik wil nergens meer in!’ De tranen zitten hoog.
Ik voel me best schuldig, maar er stond nergens een waarschuwing dat het te spannend was voor jonge kinderen.
‘Kom, we gaan nog even naar de Ninjabaan.’ stel ik voor. Het lijkt me goed als hij even lekker kan ontspannen.
Dat wil hij wel en hij rent over een betonnen golvende baan. Maar er ligt zand op, hij slipt en hij valt.
Ach en dat is teveel, nu komen dan de tranen. Ik til hem op, hij huilt even uit en dan gaat het weer. We controleren zijn heup, alles is nog heel. Dan nog maar even fijn met Opa verder spelen en wordt hij weer vrolijk. 

We eten een broodje in de zon en gaan daarna nog weer naar binnen. Er is nog zoveel te zien! Modeltreintjes, een seinwachterhuis, er staan zuilen met mannetjes erop die van alles vertellen over wissels, kolen en seinen, en Finn wil alles horen. Hij drukt op de knoppen voor de verhaaltjes en gaat er rustig bij zitten om te luisteren. 


Het is zo heerlijk om alle tijd te hebben. En Finn is in zoveel dingen geïnteresseerd 

We luisteren ook naar wat deze mevrouw te vertellen heeft: 

Het is een stationswerkster, die een oogje hield op alleenreizende vrouwen en meisjes. Dat ze veilig waren voor mannen met onzedelijke intenties. Er waren ook speciale coupés voor vrouwen, om dezelfde reden.
Verschrikkelijk toch, ik moet uiteraard direct denken hoe actueel het probleem nog steeds is…
‘Wat bedoelt ze, oma?’ vraagt Finn. Ik wil die lieve zesjarige niet belasten met grote mensenproblemen en zeg:’Deze vrouwen zorgden ervoor dat mensen die alleen reisden een beetje geholpen werden.’
‘Oké!’ zegt hij en huppelt weer verder.
We zien de grandeur van de OrIënt Express,en de eenvoud van de coupés Derde Klasse.
Er zijn oude filmbeelden. Uiteraard in zwart- wit.
‘Was alles vroeger zwart-wit, ook de mensen?’ vraagt Finn. Och, ik kan me dat zo goed voorstellen. Alles wat je van vroeger ziet is immers zwart- wit, dus kleur was blijkbaar nog niet uitgevonden.
Opa legt uit dat alleen de kleurenfilm en -foto’s nog niet uitgevonden waren, maar dat verder alles er net zo kleurig uitzag als nu. Dat neemt Finn dan voor kennisgeving aan, want begrijpen doet hij het niet. Het is ook erg ingewikkeld, dat ben ik met hem eens.
We nemen een kijkje in een posttrein en Finn zegt:’Dat is voor Tim!’ Zijn oom werkt als postbezorger, en we sturen hem een foto van deze trein, want dit wil Finn laten zien.


Bovenin het museum is een grote metalen galerij en daar gaan we via een trap op. Er blijkt ook een TechLab te zijn daar, en dat is echt helemaal het einde.
Er wordt van alles uitgelegd over treintechniek en overal mag je aankomen en alles uitproberen. Finn kan er geen genoeg van krijgen, alles is even mooi.
Hij ontwerpt zijn eigen trein en mailt de foto daarvan naar mama. Hij probeert hoeveel trekkracht hij heeft, hoe hij elektriciteit op kan wekken en nog honderd andere dingen.
Alles samen met opa, want die is er zelf ook erg in geïnteresseerd.
Daarna doet hij nog een examen Treintechniek op de computer en hij slaagt nog ook! 

Als we ál die dingen gedaan hebben, gaan we nog even buitenspelen. Dan zegt Finn: ‘Ik moet plassen’ en ik antwoord: ‘Ik ook, dus ik ga even met je mee.’
Opa blijft lekker op het muurtje bij de Ninjabaan zitten.
Als wij weer terugkomen, fluistert Finn me snel toe: ‘Ik ga me verstoppen voor opa!’
‘Is goed’ fluister ik terug en ik loop in mijn eentje verder.
‘Ik ben Finn kwijtgeraakt!’ zeg ik en zie opa terstond wit wegtrekken.
‘Echt?’ Hij staat al overeind, klaar om alarm te slaan. Blijkbaar heb ik iets te goed geacteerd.
‘Nee joh!’ zeg ik snel. Ik hoor een zucht van verlichting. ‘Maar je moet hem zoeken.’
Opa gaat braaf op zoek, het is niet zo moeilijk want hij hoeft alleen maar op het gegiechel af te gaan.
Daarna moet er nog in het zand gespeeld worden en eten we zandtaartjes en zandpasta en ook nog een zandpizza. Onnodig te zeggen dat het allemaal heerlijk is. 

Maar we zijn nog niet klaar, Finn wil nog meer zien en doen binnen. We doen nog een ‘Wat ben jij?’test en Finn blijkt een bedenker te zijn. 


We spelen in een cabine waarbij er van alles tegelijk moet gebeuren om de trein in werking te krijgen en rijden zo van Groningen naar Italie via Amersfoort. 


Er is ook nog een lift naar beneden, dan kom je in een mijn met karretjes uit. Dan denkt Finn blijkbaar aan die vorige attractie, want hij zegt: ‘Nee, ik wil niet in de lift.’
Geen probleem, het hoeft echt niet. Maar een medewerkster heeft het gehoord, ze wenkt ons en fluistert: ‘Kom maar, ik doe deze deur voor je open, dan hoef je niet in de lift als je dat eng vindt.’
Zo lief meegedacht, ik bedank haar dan ook als we inderdaad door die deur naar binnen gaan. We blijven er niet zo lang, Finn vindt het alsnog te spannend, dus we zoeken snel het daglicht weer op.
Hij mag nog een klein cadeautje uitzoeken in de museumwinkel. Het wordt een heel moeilijke keuze tussen een pen met een bewegend treintje, een keycord en een klaparmbandje. Alle voors- en tegens van ieder item worden zorgvuldig tegen elkaar afgewogen en uiteindelijk kiest hij de armband. De koning te rijk loopt hij ermee de winkel uit en wij worden voortdurend getrakteerd op alle fantastische dingen die hij met de armband kan. En dan ineens zegt hij: ‘Zo. Nu wil ik wel naar huis.’
Ik kijk op mijn horloge. Het is vier uur geweest en we waren er vanmorgen om elf uur al.
We hebben dus ruim vijf uur doorgebracht in het museum! Ongelooflijk.
Als we richting de uitgang lopen, komen we nog iets tegen wat we willen zien. De koninklijke trein. We gaan er nog even in en ik verbaas me over het interieur maar ook over de lengte van de trein.
‘Dat is natuurlijk omdat de koning zijn soldaten allemaal mee moet nemen,’ verklaart Finn. Voor een zesjarige is dat eenvoudig genoeg, en ik heb geen enkele behoefte om er tegenin te gaan. We lopen langs een ruimte met sanitair en ik zeg: ‘Kijk daar heb je de koninklijke pispot.’ Daar moet hij echt verschrikkelijk om lachen en herhaalt het nog een keer of tien. Eindelijk stappen we de trein weer uit en nog giebelt hij over mijn opmerking.
Dan zijn we toch bij het hek waar ‘Exit’ op staat en komen we bij de parkeerplaats.
Onderweg naar huis appt mijn dochter: ‘Vraag hem even wat hij wil eten. Ik heb wel in huis natuurlijk, maar het is zijn feestdag.’
Ik breng de boodschap over en ook het antwoord:  ‘Hij zegt: McDonald’s’
Vervolgens zit ik te stikken van het lachen omdat mijn dochter op de app reageert met ‘Shit! Die zag ik niet aankomen.’ 
Maar, beloofd is beloofd, hij mocht kiezen, dus strakjes gaan we met z’n allen naar de grote M.
Wij komen er zelf echt nooit, maar hoe leuk is het om de dag zo af te sluiten, met iets wat Finn geweldig vindt.
Eenmaal thuis duurt het niet lang voor mama ook weer komt. Nog even wachten tot papa de kleine Lucas van het KDV heeft opgehaald, zij gaan dan rechtstreeks naar de Mac.
Maar dat wachten valt niet mee…..

Heerlijk, deze dag. Urenlang samen rondgestruind, alle tijd voor elkaar, ik heb zo genoten.
En als daarna ook nog, als we bij de ingang van McDonald’s komen, er van die lieve Lucas een zeer verrast en enthousiast: ‘Opaaaaaa!’ klinkt en dan ‘Oma ook!’ is dat nog een extra gouden randje.

Dromen

Ik ben een dromer.

‘s Nachts droom ik in mijn slaap. Altijd ben ik druk, maak bizarre dingen mee, ontmoet mensen die er allang niet meer zijn of die niet bestaan, ik kom altijd tijd tekort en meestal als ik wakker word, kan ik niet de woorden vinden om te beschrijven wat ik meemaakte in mijn droom. Mijn dromen zijn vaak fel gekleurd en propvol. Daarom heb ik regelmatig dat ik me niet zo uitgerust voel als ik wakker word. Ik moet altijd bijkomen en voel me soms nog doodmoe van al die chaos die ik in mijn slaap meemaakte. Soms is mijn droom best leuk, maar meestal  ben ik blij dat ik wakker word en de droom vervliegt.
Mijn onderbewuste is blijkbaar een hectische plek. Het zal wel ergens goed voor zijn, die heisa, maar het mag van mij wel wat minder allemaal.

Overdag droom ik ook. Maar die dromen zijn geruststellend en kalm. Want die dromen bepaal ik zelf. Als ik lekker in mijn vensterbank zit, of een mooie wandeling maak bijvoorbeeld. Ik heb oortjes in met mijn favoriete ambientmuziek en laat me meevoeren.
Die dromen hebben zachte kleuren, mooie plekken, lieve mensen en dieren en er is tijd genoeg.
Mijn bewustzijn lijkt in niets op mijn onderbewustzijn. 

En toekomstdromen? Jazeker, ik heb een gedroomde toekomst. Geen idee of ze werkelijkheid gaat worden, maar ik hoop het wel natuurlijk. 


‘Je moet je dromen najagen’ hoor ik weleens. Dat vind ik nou net niks . ‘Najagen’ heeft voor mij veel te veel de associatie met stress, en het impliceert ook iets onbereikbaars.

Liever wil ik mijn dromen volgen. Dan kom ik wel op de goede plek uit…